Gedicht van de week: Giuseppe Ungaretti – Zwerver

Het gedicht Zwerver (trouwhartig vertaald door Salvatore Cantore) drukt de fundamentele ontworteling uit, en maakt onmiddellijk duidelijk dat er geen oplossing mogelijk is: er is geen heilig land waar Ungaretti zich misschien zou kunnen thuis voelen, precies omdat het wennen zelf uiteindelijk tot wegkwijnen leidt.

Alejo Carpentier – De guillotine op de voorsteven

♞ PERSONAGES Sofia: de dochter van een koopman uit Havana, een eigenwijze en intelligente vrouw, minder vrijgevochten dan ze zelf wil, maar uiteindelijk het meest trouw aan zichzelfCarlos: Sofia’s broer, die na de dood van zijn vader terugkeert naar het ouderlijk huisEsteban: de neef van Carlos en Sofia, die sinds zijn vroege jeugd bij het gezinMeer lezen over “Alejo Carpentier – De guillotine op de voorsteven”

Gedicht van de week: M. Vasalis: Eb

Dit gedicht, uit de bundel Vergezichten en gezichten van 1954, verbindt de getijden van de zee met een inwendig beleefde tijd. Het lyrische ik bevindt zich in een wachtende positie; trekt zich terug zoals de zee die zich terugtrekt bij laag water. Het gemoed zelf trekt terug, wacht op iets groters, en bereidt zo in zijn diepste zelf al de vloed voor; de omslag naar het gebeuren, de aankomst van meer.

Gedicht van de week: Guy Tirolien – Prière d’un petit enfant nègre

Tirolien wordt door Senghor een ‘esprit curieux, tempérament génereux’ genoemd, iemand die soms moeite heeft zichzelf discipline op te leggen, maar over veel talent beschikt. Onderhavig gedicht is zijn bekendste en raakt in al zijn eenvoud; veel dichters die bij de Négritude-beweging hoorden sloofden zich uit in nogal hermetisch surrealisme, maar Tirolien houdt het simpel.

Gedicht van de week: Wisława Szymborska – Het einde en het begin

Als de Poolse dichteres Wisława Szymborska (1923-2012) een oorlogsgedicht schrijft, dan gaat het niet over de oorlog: niet over de duizenden slachtoffers, niet over grootse veldslagen, verdriet en verlies, niet over heldhaftige bevrijdingen. Szymborska doet iets groters, door zich te wenden naar het kleine, het niet-fotogenieke, datgene wat uit de grote oorlogsjaren valt.

Het Gilgamesj-epos (vertaald door Theo de Feyter)

Het opmerkelijk is dat bepaalde thema’s en verhalen, die we van latere werken kennen, hier al hun intrede doen, weliswaar op elliptische wijze, – het Gilgamesj-epos telt minder dan 100 pagina’s en staat vol lacunes, omdat een aanzienlijk deel van de kleitabletten nog niet is teruggevonden. Er bestaat onder historici de hoop ze ooit allemaal op te graven, maar voorlopig moeten we het met een verhaal vol hiaten stellen, al zijn de hoofdlijnen duidelijk.

Gedicht van de week: W.B. Yeats – Leda and the Swan

‘Leda and the Swan’ behandelt een klassieke Griekse mythe, die als één van Zeus’ bekendste ‘avontuurtjes’ bekendstaat, nl. de verkrachting van een vrouw genaamd Leda in de hoedanigheid van een zwaan. Yeats toont op onwaarschijnlijk kort bestek de verstrekkende gevolgen van die handeling aan, – uit de bevruchting kwam Helena voort, de vrouw die de Trojaanse Oorlog zou ontketenen door geschaakt te worden door Paris.

Gedicht van de week: Ingrid Jonker – Moenie slaap nie

‘Slaap niet’ is een gebod de ogen open te doen voor het mooie van elke nieuwe dag, voor de verbeelding en de fantasie: de dag heeft een pauwenhoed op zijn hoed gestoken. De personificatie van de dag als dansend met een hoed op achter het gordijn maakt de tijd levend, suggereert dat de tijd niet de dagen opslokt maar daarentegen concrete en levendige mogelijkheden creëert.

Gedicht van de week: Guillaume van der Graft – Brief van het eiland

Guillaume van der Graft (1920-2010) is waarschijnlijk de meest miskende schrijver van het Nederlandse taalgebied. Hoewel zijn poëzie van hetzelfde niveau is als die van Lucebert, Campert, Vinkenoog, Kouwenaar en anderen van de Vijftigers, heeft hij nooit hun roem en reputatie verworven, door de spijtige omstandigheid dat de sterk joods-christelijke inslag van zijn gedichten als een toondoof anachronisme werd beschouwd in de jaren ’60.

Dino Buzzati: De Tartaarse woestijn

Het hoofdthema en waarschijnlijk de grootste sterkte van het boek is de schildering van de ontnuchtering; de realisatie dat de vervulling van dromen en hoop uitblijft, dat de hoop zelf op zand was gebouwd. Drogo denkt voortdurend dat de Betekenis van zijn leven nog in het verschiet ligt. Maar de vertelling maakt van bij het begin duidelijk dat het wachten vruchteloos is, wat er ook gebeurt.