Het Gilgamesj-epos (vertaald door Theo de Feyter)

♞ PERSONAGES

Gilgamesj: koning van Oeroek, twee derde goddelijk, één derde menselijk, monarch die zijn volk nogal tiranniseert en na het overlijden van zijn bloedbroeder Enkidu op zoek gaat naar de onsterfelijkheid
Enkidu: machtige man die door de goden wordt geschapen als speelkameraadje voor Gilgamesj, opdat die zijn volk met rust zou laten
Oetnapisjtim: voorvader van Gilgamesj, die de zondvloed overleefde en het eeuwige leven heeft

▼ INHOUD

Gilgamesj, de monarch van Oeroek, is een machtswellusteling die met zijn krachten en appetijt geen blijf weet. De mannen moeten hem bij elke escapade volgen en de vrouwen eist hij voor zichzelf op: elke pas getrouwde bruid moet eerst langs zijn slaapkamer passeren voor ze naar hun man mogen. En dus klaagt het volk van Oeroek bij de goden over hun tirannieke heerser; de goden zien dat er iets moet veranderen en besluiten een nieuw schepsel te creëren , dat ongeveer even sterk moet zijn als Gilgamesj en als zodanig voor verstrooiing zal zorgen. Hier doet Enkidu zijn intrede. Aanvankelijk leeft hij te midden van de wilde dieren als een soort beest, maar het duurt niet lang voor hij Gilgamesj ontmoet; onmiddellijk wijst hij Gilgamesj op zijn fouten. Gilgamesj ziet in die baldadige nieuweling een gelijke; ze worden vrienden en besluiten op avonturentocht te trekken. Doel: het monster Choembaba, dat het cederwoud bewaakt, te doden. Daar slagen ze relatief makkelijk in.

De godin Isjtar is onder de indruk en probeert Gilgamesj te verleiden, maar die wijst haar af op grond van het trieste lot dat al haar vorig liefjes te beurt viel. Woedend stuurt ze de Hemelstier op hen af, maar Gilgamesj en Enkidu zijn niet onder de indruk en winnen het gevecht van de stier. Maar de goden laten het niet daarbij; het wordt overeengekomen dat Enkidu moet sterven als boetedoening. Enkidu krijgt zijn dood eerst in dromen te zien, om uiteindelijk echt te sterven.

Gilgamesj weet zich geen blijf met zijn verdriet, beseft voor het eerst ten volle dat hij een sterfelijk wezen is, en besluit op zoek te gaan naar de onsterfelijkheid. Hij gaat daarvoor op zoek naar een beroemde voorvader, Oetnapisjtim, die volgens de annalen onsterfelijk is. Ondanks de obstakels vindt hij Oetnapisjtim, maar die kan hem weinig hoop bieden: hij zal zijn sterfelijkheid moeten accepteren. Wat hij hem wel kan bieden, is een plant die Gilgamesj zal verjongen; Gilgamesj vindt de plant, maar die wordt op een onbewaakt moment door een slang opgegeten.

Blijft hij met niks achter, zodat hij een besluit neemt: hij zal de muren van Oeroek zo hoog bouwen dat zijn naam voor de rest van de geschiedenis onthouden zal worden, om zo toch een bepaalde onsterfelijkheid te bereiken.
Volgt nog een epiloog waarin een bezoek aan de Onderwereld wordt beschreven, alwaar Enkidu resideert.

▲ WAAROM IS HET GOED

Het Gilgamesj-epos staat bekend als het oudste overgeleverde literaire werk ter wereld. Als zodanig is het puur als artefact en tijdsdocument al interessant. Het is geschreven in het Akkadisch, een Semitische taal die toentertijd in Mesopotamië (een gebied dat vandaag met Irak overeenkomt) gold als de deftige taal die voor geschreven documenten gebruikt werd (zoals het Latijn in de middeleeuwen), op kleitabletten (het zogenaamde spijkerschrift), en is het resultaat van verhalen en mythes die via mondelinge overlevering werden doorverteld.

Het is opmerkelijk dat bepaalde thema’s en verhalen, die we van latere werken kennen, hier al hun intrede doen, weliswaar op elliptische wijze, – het Gilgamesj-epos telt minder dan 100 pagina’s en staat vol lacunes, omdat een aanzienlijk deel van de kleitabletten nog niet is teruggevonden. Er bestaat onder historici de hoop ze ooit allemaal op te graven, maar voorlopig moeten we het met een verhaal vol hiaten stellen, al zijn de hoofdlijnen duidelijk.

Het Gilgamesj-epos is betrekkelijk rudimentair en simplistisch, om het grof te stellen, maar wijst vooruit naar de Bijbel en Homerus, door de introductie van de zondvloed en het mechanisme van de dood van de beste vriend die bij de protagonist een inzicht of verandering tot stand brengt. Dat is zo in de Ilias, wanneer Patrokles sterft en Achilles zich vol woede met de debatten begint te mengen, na zich er eerst lethargisch buiten te houden. En de zondvloed van Genesis kennen we allemaal, wanneer God de mens voor zijn zonden wil straffen en de wereld laat overstromen, op Noach en zijn familie na; bij Gilgamesj wordt verwezen naar eenzelfde gebeurtenis in het verleden, maar vreemd genoeg wordt er geen aanleiding geschetst. Alsof de goden zich maar een beetje zaten te vervelen en als tijdverdrijf besloten komaf te maken met het mensdom via een zondvloed.
Gilgamesj wijst ook vooruit naar bepaalde Griekse helden, zoals Hercules, die zowel goddelijk als menselijk zijn, en naar Odysseus, de held die de gunst genoot van bepaalde godinnen en nimfen. Maar zijn persoonlijkheid is minder uitgetekend en zijn avonturen snel voorbij, – maar wat wil je ook voor een verhaal dat op kleitabletten moet worden gekrast.

Dat relatief rudimentaire karakter neemt niet weg dat het Gilgamesj-epos op sommige vlakken baanbrekend is: de goden vervullen de rol die ze altijd vervulden in antieke verhalen, maar zijn eigenlijk niet belangrijk. Het gaat om Gilgamesj en zijn lot als sterfelijk mens; de condition humaine staat dus centraal. Het perspectief is daarbij existentialistisch: toen al wist men dat ons leven fundamenteel wordt bepaald door eindigheid, en dat we daar op de een of andere manier vrede mee moeten nemen. Datgene wat als voedingsbodem fungeerde voor al Samuel Becketts verhalen, in de verre twintigste eeuw, was eeuwen voor christus, in het eerste overgeleverde verhaal ooit, ook al de hoofdbekommernis.

Het is ook interessant dat het hoofdpersonage, de held, allerminst een probleemloos figuur is. Net als de Griekse goden is hij behept met feilen en mankementen. ‘Als een wilde stier’ gaat hij door de straten van Oeroek, ‘dag en nacht gaat hij onstuimig te keer’, wat erop wijst dat hij ondanks zijn koningschap als een kwajongen tekeergaat, en zoals gezegd eist hij de eerste vleselijke kennismaking met elk gehuwd meisje op. De oplossing van de goden is geestig te noemen: in plaats van Gilgamesj een reprimande te geven of hem op de een of andere manier te straffen, geven ze hem een speelkameraadje, die zijn aandacht van Oeroek moet afleiden. Ik weet niet of hier pedagogische lessen vallen uit te halen, maar het gaf de wereldliteratuur haar eerste vriendenpaar, eeuwen vóór Don Quichot en Sancho Panza, Hamlet en Horatius, Pantagruel en Panurge, Tom Sawyer en Huckleberry Finn. Bij hun eerste ontmoeting vechten ze als stieren en versplinteren ze deurposten; als blijkt dat Enkidu de evenknie is van Gilgamesj (die het gewend is met voorsprong de sterkste te zijn), staakt die laatste het gevecht en omarmt hij Enkidu als zijn nieuwe bloedbroeder, waarmee nog een topos werd gelanceerd: de vijanden die elkaar leren respecteren en uiteindelijk vrienden worden. Enkidu’s komst wordt Gilgamesj al op voorhand aangekondigd in een droom, die hij aan zijn moeder vertelt; deze droom toont aan dat het epos niet verstoken is van poëtische taal en beelden:

‘Moeder, vannacht zag ik een droom.
Terwijl de sterren aan de hemel stonden,
viel er één, als een rots van Anoe, voor mij neer.
Ik wilde hem optillen, maar hij was te zwaar.
Ik wilde hem wegrollen, maar ik kon hem niet in beweging krijgen.
(…)
Ik fluisterde hem toe als een liefhebbende echtgenote.
Nu leg ik hem aan jouw voeten,
opdat je hem aanneeme als mijn gelijke.’

Zijn moeder legt uit dat het een gunstige droom is die de komst van een machtige metgezel aankondigt. Samen schrijven Gilgamesj en Enkidu relatief makkelijk twee grote wapenfeiten op hun naam, het verslaan van Choembaba en de Hemelstier, maar het belang van Enkidu ligt in de bewustzijnswording die hij bij Gilgamesj veroorzaakt door zijn dood: ‘Zal ik niet ook sterven? Ben ik niet net als Enkidu?’. En dus besluit hij hulp te gaan vragen aan Oetnapisjtim, een legendarische voorouder die de wijsheid in pacht heeft en volgens de overlevering over het eeuwige leven beschikt. Die reis is nog nooit door iemand tot een goed einde gebracht, maar Gilgamesj is niet zoals de meesten. De parallel met één van Tolkiens beroemdste personages en verhalen is hier opvallend: in De Silmarillion slaagt Eärendil erin Valinor, het land van de goden, te bereiken, om hulp te vragen in de oorlog tegen Morgoth (of Melkor). Eärendil is de eerste persoon die Valinor weet te vinden, daar waar de Onsterfelijken resideren. Net zo is Gilgamesj de eerste die de ‘duisternis zo diep dat er geen enkel licht is’ doorkruist, op weg naar zijn onsterfelijke voorvader.
Nochtans wordt hem tijdens die queeste al op het hart gedrukt dat hij van een kale reis zal thuiskomen. Een kasteleinse waar hij onderweg bij logeert, geeft een discours dat waarschijnlijk de vroegste uitdrukking is van carpe diem in de literatuur:

‘Gilgamesj, waar ga je heen?
Het leven dat je zoekt, zul je zeker niet vinden.
Toen de goden de mensheid schiepen,
gaven ze de dood aan de mensen;
het eeuwige leven hielden ze voor zichzelf.
Dus, Gilgamesj, eet je dik!
Maak pret, vier dagelijks feest!
(…)
laat je vrouw zich verheugen op je mannelijk vuur!’
Dat is wat een mens moet doen!’


Maar Gilgamesj is niet te vermurwen. Hij zet koppig door en bereikt de mythische verblijfplaats van Oetnapisjtim – maar die zet hem op zijn beurt onmiddellijk op zijn plaats, met de sterkste en meest poëtische passage van het epos, die vooruitwijst naar de dialogen van Plato, de Bijbel en Shakespeare (qua filosofie en metaforiek):

‘De mensen worden als riet in een rietkraag geknakt.
De dood neemt zowel de sterke jonge man als het mooie meisje weg.
Niemand wil de dood zien.
Niemand wil het gezicht van de dood zien.
Niemand wil de roep van de dood horen.
Maar de grimmige dood maait iedereen neer.
Wij stichten gezinnen.
Wij zegelen testamenten.
De broers verdelen de erfenis.
Tweespalt heerst in het land.
Altijd maar door rijst de rivier en brengt hoogwater.
Libellen drijven stroomafwaarts.
Ogen die in de zon kunnen kijken, hebben nog nooit bestaan.
Plotseling is er niets meer.
De slapende en dode wat lijken ze op elkaar!
Een afbeelding van de dood bestaat niet.’


Na deze weinig opmonterende vanitas-preek doet hij het verhaal van de zondvloed, die aan iedereen behalve hemzelf het leven kostte: zoals gezegd wordt er geen reden meegedeeld, de goden deden maar wat, maar afgezien daarvan is het verhaal van Noach min of meer een kopie, inclusief het laten uitvliegen van een vogel om te zien of er al land is après le déluge.
Maar ondanks dat hij dus zelf over het eeuwige leven beschikt, kan hij Gilgamesj niet helpen. Hij zal de dood moeten accepteren. En ook de plant die hem wordt aangereikt om de jeugd terug te vinden, wordt tijdens een onbewaakt moment door een slang verslonden, – de slang als sluwe intrigant, die stokken in de wielen steekt, moet dus een oeroud archetype zijn, diep begraven in het (onder)bewustzijn van de mens. Ook hier wijst het epos vooruit naar de Hebreeuwse bijbel. 

De moraal van het verhaal is dat Gilgamesj zijn naam onsterfelijk kan maken dankzij wapenfeiten, zoals het oprichten van een sterke vesting rond Oeroek. Daarin zal zijn nalatenschap voortleven. Een beetje zoals in Kurosawa’s meesterwerk Ikiru (naar Tolstoj en De dood van Ivan Iljitch) de met terminaal kanker gediagnosticeerde protagonist besluit een verwaarloosd, met rottend vuilnis overladen plein te transformeren tot een mooie speeltuin: die ene goeie daad rechtvaardigt een bestaan, geeft er zin aan. Al heeft het bij Kurosawa een expliciet humanistische strekking die enigszins afwezig is in het epos.

Het Gilgamesj-epos blijft een fascinerend verhaal, opgetrokken uit brokstukken mondelinge overlevering, bestaande uit mythes, verhalen en personages die later op duizend-en-één verschillende manieren een echo zouden krijgen in latere teksten.  

► VERDICT

De onmogelijke queeste van de mens, als koning Pellinore die het Speurbeest achterna jaagt, om onsterfelijkheid te bereiken, terwijl hij goed genoeg weet dat het bestaan eindig is, vindt hier zijn vroegste uitdrukking.

door Arthur

Plaats een reactie