Gedicht van de week: Wisława Szymborska – Het einde en het begin

The End and the Beginning (vertaling van Joanna Trzeciak)

After every war
someone has to clean up.
Things won’t
straighten themselves up, after all.

Someone has to push the rubble
to the side of the road,
so the corpse-filled wagons
can pass.

Someone has to get mired
in scum and ashes,
sofa springs,
splintered glass,
and bloody rags.

Someone has to drag in a girder
to prop up a wall.
Someone has to glaze a window,
rehang a door.

Photogenic it’s not,
and takes years.
All the cameras have left
for another war.

We’ll need the bridges back,
and new railway stations.
Sleeves will go ragged
from rolling them up.

Someone, broom in hand,
still recalls the way it was.
Someone else listens
and nods with unsevered head.
But already there are those nearby
starting to mill about
who will find it dull.

From out of the bushes
sometimes someone still unearths
rusted-out arguments
and carries them to the garbage pile.

Those who knew
what was going on here
must make way for
those who know little.
And less than little.
And finally as little as nothing.

In the grass that has overgrown
causes and effects,
someone must be stretched out
blade of grass in his mouth
gazing at the clouds.

Als de Poolse dichteres Wisława Szymborska (1923-2012) een oorlogsgedicht schrijft, dan gaat het niet over de oorlog: niet over de duizenden slachtoffers, niet over grootse veldslagen, verdriet en verlies, niet over heldhaftige bevrijdingen. Szymborska doet iets groters, door zich te wenden naar het kleine, het niet-fotogenieke, datgene wat uit de grote oorlogsjaren valt: de puinhoop die achterblijft en het lot van gewone mensen die een manier moeten vinden om de puinhoop op te ruimen en er tegelijkertijd mee te leven. En het gaat tegelijkertijd wel over de oorlog, die in Szymborska’s poëtische blik niet afgesloten is tussen een begin- en eindjaar. Haar gedicht is niet getiteld ‘the beginning and the end’, maar draait de logica om: het einde is een begin. Van de wederopbouw, maar tegelijkertijd van ‘another war’, waar de camera’s naartoe trekken, zodat eind en begin inwisselbaar worden.

Het is niet toevallig dat een vrouw dat perspectief inneemt; het zijn de vrouwen geweest die de scherven bij elkaar veegden na elk gevecht, de vrouwen die de kamers van hun overleden kinderen op orde stelden. De keuze voor het woord ‘opruimen’ om de heropbouw na de oorlog te tekenen, versterkt dat vrouwelijk perspectief; het is in zekere zin een understatement, er wordt niet naar trauma’s of kerkhoven verwezen. Maar het is net dat banaal woord dat de effecten voor het dagelijks leven van mensen zo sterk oproept.

Het gedicht valt uit elkaar in twee delen: het opruimen – de concrete beschrijving van de taken van de achterblijvenden – en het vergeten – het proces waarbij de herinnering langzaam vervaagt tot ze volledig overgroeid is. Szymborska’s toon is meestal direct en eenvoudig, maar binnen dit thema valt het extra op; geen traan wordt vergoten, de nadruk ligt op de taken zonder pathos, waarvoor Szymborska een dagelijkse taal hanteert (‘bloody rags’): puin aan de kant schuiven, een weg banen door glassplinters en gesprongen zetels. Haar taal toont het fysiek snijdende van die taken: het trauma is een fysiek vastzitten, in glassplinters, slijm, as, veren, bloederige vodden – alles wat achterblijft. In die plichten begint ze met de meest dringende taken, de weg vrijmaken opdat de karren met lijken een eindplaats kunnen vinden; het vrijmaken van de eigen woonst, het slijk, het bloed, het glas verdrijven; de grotere werken in het huis, het stutten van de muren, het herstellen van ramen en deuren; en ten slotte werken aan de infrastructuur: het bouwen van bruggen en stations. Szymborska last er een ellips in: ‘De bruggen moeten terug / en de stations opnieuw’: de verzen slokken het werken op, zoveel is er te doen. Bij dat alles gaan mouwen aan flarden van het opstropen: ‘Sleeves will go ragged / from rolling them up’, een juxtapositie van de uitdrukkingen ‘de mouwen opstropen’ en ‘aan flarden scheuren’: er is zoveel werk, mensen rollen zoveel de mouwen op om dat werk te doen, dat er uiteindelijk niets meer over blijft om op te rollen, alleen de uitputtingsslag zonder nieuwe moed.

Stilistisch vallen hier de anaforen op (herhalingen van dezelfde woorden aan het begin van opeenvolgende zinsdelen); driemaal begint Szymborska haar stanza’s met “Ktoś musi”, ‘iemand moet’. De vrijheid in bevrijding van de oorlog is hier veraf: centraal staan de plichten waaraan niet te ontsnappen valt, het feit dat er altijd concrete mensen de puinhoop moeten opruimen. Die mensen blijven tegelijkertijd zonder gezicht, het zijn iemanden, want ‘All the cameras have left / for another war’. ‘Photogenic it’s not’, schrijft Szymborska, vanuit het cynische inzicht dat het leed van grote bloederige gevechten dat wel is. Szymborska is geroemd om haar ironische toon, die haar poëtische aanklachten verscherpt; en die in dit gedicht zichtbaar is in de opmerkingen dat de dingen zichzelf niet opruimen, in de geschiedenis die ‘saai’ wordt, hier in het aanduiden van het niet-‘fotogenieke’.

De ‘normaliteit’ van het opruimen is niet sensationeel, is geen stof voor geschiedenisboeken. Het neemt jaren in beslag; de dagelijkse slachtoffers van de opruim sterven niet door een gruwelijk ogenblik; hun leed is onzichtbaarder, maar even reëel. Een vriendin die haar vader verloren is, vertelde me ooit over de tragiek van het kleine: bestek leggen voor vijf wanneer je de tafel dekt als voorheen en dan zien dat de plaats van de geliefde leeg zal blijven. Het is die pijn die zo weinig aan bod komt maar die Szymborska ziet; tegelijkertijd toont ze hoe groot dat kleine leed is, alles opnieuw te moeten opbouwen. Het verlies van een geliefde speelt overigens ook op de achtergrond van Szymborska’s bundel die de titel van dit gedicht deelt; drie jaar voor de publicatie stierf haar levensgezel, de Poolse schrijver Kornel Filipowicz.

Het tweede deel van het gedicht vangt aan in de zesde strofe: ‘Someone, broom in hand, / still recalls the way it was.’ Het suggereert een soort stilstand; met de bezem in de hand vertelt een ooggetuige over het gebeurde; ‘Someone else listens / and nods with unsevered head.’ Maar om hen heen duiken al gauw anderen op die het saai vinden. In een strofe vat Szymborska de drie stappen van het verwerken en vertellen; de fase van de ooggetuigen die nog proberen een manier van omgaan met het gebeurde te vinden (ze hebben een bezem in de hand), de fase van hun afstammelingen die luisteren – de volgende generatie of generaties die het zelf niet hebben meegemaakt maar nog sommige verhalen kennen (die generatie ‘nods with unsevered head’, zij hebben hun hoofd behouden in de slag; ze voelen niet langer de gevolgen van het gebeurde) -, en ten slotte die van generaties die niet meer willen luisteren. Zij vergeten de oorlog; de argumenten die nog standhouden uit vroeger tijden zijn ‘verroest’ en worden naar een afvalhoop gedragen. Szymborska beschrijft de opeenvolging van die verschillende stappen als onvermijdelijk: ‘Those who knew / what was going on here / must make way for / those who know little. / And less than little. / And finally as little as nothing’, een subliem uitgepuurde strofe. De ooggetuigen moeten wijken voor zij die de verhalen kennen van horen zeggen voor zij die zo weinig weten dat het uiteindelijk niets meer is.

Dan komt de mooie eindstrofe: er is gras gegroeid over oorzaken en gevolgen, zodat mensen die niet meer kunnen verbinden. Net als bij de argumenten die verroest zijn, zorgt de metafoor van overgroeide oorzaken ervoor dat de tijd zichtbaar wordt gemaakt. Szymborska wijst niet op het gevaar, maar wel op de ‘iemand’ die op het gras ligt, eindelijk rust heeft gevonden en met een grasspriet tussen de lippen naar de wolken staart. Het geeft tegelijkertijd de geruststelling dat het leed vergeten kan worden, dat mensen de blik kunnen richten op nieuwe vertes; en het gevaar van een nieuwe oorlog die tussen de lijnen lonkt. Het resultaat is een suggestie van circulariteit, de geschiedenis die zichzelf tragisch herhaalt, maar moet herhalen opdat de mens zich kan blijven heruitvinden, en een aanklacht tegen media en geschiedschrijving die geen oog hebben voor het dagelijkse leed en zijn reële omvang.

In dit gedicht klinken echo’s van de wederopbouw na WO II, die Szymborska zelf in Krakau, op slechts enkele tientallen kilometers van Auschwitz, had beleefd; en het is gepubliceerd vlak na de val van de muur, die het Sovjetregime in Polen ophief. Szymborska zoekt in haar poëzie steeds het sociale en politieke in het gewone leven. In 1996 kreeg ze terecht de Nobelprijs, “for poetry that with ironic precision allows the historical and biological context to come to light in fragments of human reality.” Szymborska’s keuze weg van de pathos, weg van de grote overpeinzingen, maakt dit gedicht zo oprecht; want het anonieme leed behoeft geen hoofdletter om tastbaar te zijn, integendeel; de dwingelandij van een oorlog voor de achterblijvers snijdt diep genoeg in haar pure feitelijkheid, met resten die opgeruimd dienen, en leed dat steeds herinnerd en vergeten wordt.

Voor de liefhebbers: het originele Poolse gedicht gesproken en geschreven

Koniec i początek

Po każdej wojnie
ktoś musi posprzątać.
Jaki taki porządek
sam się przecież nie zrobi.
Ktoś musi zepchnąć gruzy
na pobocza dróg,
żeby mogły przejechać
wozy pełne trupów.

Ktoś musi grzęznąć
w szlamie i popiele,
sprężynach kanap,
drzazgach szkła
i krwawych szmatach.

Ktoś musi przywlec belkę
do podparcia ściany,
ktoś oszklić okno
i osadzić drzwi na zawiasach.

Fotogeniczne to nie jest
i wymaga lat.
Wszystkie kamery wyjechały już
na inną wojnę.

Mosty trzeba z powrotem
i dworce na nowo.
W strzępach będą rękawy
od zakasywania.

Ktoś z miotłą w rękach
wspomina jeszcze jak było.
Ktoś słucha
przytakując nie urwaną głową
Ale już w ich pobliżu
zaczną kręcić się tacy,
których to będzie nudzić.

Ktoś czasem jeszcze
Wykopie spod krzaka
przeżarte rdzą argumenty
i poprzenosi je na stos odpadków.

Ci, co wiedzieli
o co tutaj szło,
muszą ustąpić miejsca tym,
co wiedzą mało.
I mniej niż mało.
I wreszcie tyle co nic.

W trawie, która porosła
przyczyny i skutki,
musi ktoś sobie leżeć
z kłosem w zębach
i gapić się na chmury.

door Ana

Plaats een reactie