Louis Paul Boon – De paradijsvogel

‘Kom, kom, zei E.H. Ramadhoe… Weet dat de levensloop onzer vrouwen een ingebeelde spiraal beschrijft. Elk hunner jaren is een nieuwe wending die hen weer wat dichter brengt bij de troon, waarop zij moeten plaatsnemen als een koningin-slavin. En dit om zich daarna in eenzelfde spiraalvormige wijze weer van de troon te verwijderen.’

Boons opzet in De paradijsvogel (1958) is krankzinnig en had eigenlijk faliekant moeten mislopen, maar op de een of andere manier is hij ermee weggekomen en werd het één van zijn grootste werken. Zonder enige twijfel is het zijn meest stoutmoedige onderneming: de diptiek De kapellekensbaanZomer te Ter-Muren is taaier en breedvoeriger, maar nergens anders in zijn werk ging hij even ver en diep als bij De paradijsvogel. Hij combineert de kroniek van het ontstaan van religie met pastiches van de levens van Marilyn Monroe en seriemoordenaar John Christie en slaagt erin die verschillende verhaallijnen met elkaar te doen accorderen. De roman beslaat minder dan tweehonderd pagina’s, maar elk van de vier elkaar afwisselende monologen (in feite is het een polyfonische symfonie) heeft een verpletterend gewicht en een hoogsteigen karakter, zodat Boon op kort bestek meer klaarspeelt dan andere schrijvers op een heel oeuvre.

Vier mensen komen dus aan het woord. Dat zijn de heer Wadman, de dominee E. H. Ramadhoe, de actrice Beauty Kitt en de bokser Vulcan Fiber, bij monde van wie Tubal-Kain spreekt, een geest uit een ver verleden die verhaalt van het ontstaan van religie in de stad Taboe, ook de stad waar de vier personages in het heden leven, meer bepaald in de wijk Klooster. Boon stelt vast dat het vroegere aanbidden van een godheid, die mensen in ellendige omstandigheden een mooiere toekomst belooft (ergens in een vaag hiernamaals), in de moderne maatschappij zijn pendant vindt in het aanbidden van mooie vrouwen en dan vooral de beroemde sekssymbolen zoals die in de jaren vijftig en zestig ontstonden (Monroe, Jane Russell, Brigitte Bardot, Gina Lollobrigida et cetera).

Ik heb bij God geen idee hoe Boon op het idee kwam die monologen over het ontstaan van religie in een oude samenleving in de mond van een analfabetische bokser te leggen, iemand die zelf geen flauw benul heeft van zijn merkwaardige rol. Het lijkt arbitrair en ongerijmd en wordt nooit verklaard. Maar het werkt, en die monologen zijn het sterkste deel van de roman. Nergens anders krijgt het cynisch pessimisme van Boon op zo’n overweldigende manier gestalte. De mens wordt geworpen in een trieste wereld, waar hem lijden en dood wachten, en verzint daarom een illusie die hem hoop verschaft. Maar die illusie zorgt op ironische wijze alleen maar voor meer ellende: mensen schenken nog maar weinig aandacht aan de eigenlijke realiteit, aan de paar bloemen die hier op aarde vallen te plukken, en putten zich uit in het aanbidden van een onzichtbaar Niets en het uitkijken naar een onbestaand Nooit. Bij ellende voegt zich waanzin. Men is verrukt over een grote leegte, een eeuwig zwijgen. Je zou religie positiever kunnen duiden, maar voor Boon zat de zaak zo in elkaar, en zijn presentatie van de feiten is overrompelend.

De monoloog van Beauty Kitt is aandoenlijk, het emotionele zwaartepunt van de roman. Boon volgt nauwgezet de biografie van Marilyn Monroe, maar wijkt ervan af wanneer het hem dramatisch uitkwam, voegde soms feiten van andere vrouwen toe, verdraaide bepaalde gebeurtenissen. Hier spreekt iemand die ondanks haar almaar groeiende sterrenstatus onzeker tot op het bot is en eigenlijk niet weet wat ze uit het leven wil halen. Ze dankt haar fortuin aan haar schoonheid, maar voelt zich daartoe gereduceerd. Ze onderhoudt relaties met mannen, maar haalt er weinig plezier uit.

Ramadhoe is een parodie op zowel Arthur Miller als op Boon zelf: een intellectueel en gewichtig iemand (Miller) die zich uitleeft in perverse beschouwingen van vrouwelijk schoon (Boon) en bezig is met een studie van jonge vrouwelijke naakten, meisjes net voor ze volwassen worden. Boon zelf verzamelde gedurende jaren erotische foto’s van mooie vrouwen, zijn beruchte Fenomenale Feminatheek, en stond bekend als ‘viezentist’, – belangrijk verschil is dat hij voor zover we weten een boontje had voor volwassen vrouwen, en niet voor meisjes, zoals Ramadhoe, in het kielzog van Humbert Humbert uit het drie jaar eerder verschenen Lolita. Zonder enige schroom en met wetenschappelijke precisie vertelt Ramadhoe wat hem zo aantrekt aan meisjes van die leeftijd, die op het punt staan de drempel naar de volwassenheid te overschrijden. Ontluisterende lectuur, die Boon in 1955 tot persona non grata maakte in vele cirkels.

Ten slotte is er Wadman. In Engelse slang kan ‘wad’ ook sperma betekenen, de ejaculatie van een man, wat volgens mij geen toeval is. Wadman heeft net als Ramadhoe een perverse fixatie op vrouwen, maar daar voegt zich nog een sadistische pathologie en een doodsdrift bij, het verlangen om datgene wat hij aanbidt te vernietigen. Hij wurgt verscheidene vrouwen, tot zijn eigen vrouw toe, en begraaft ze in zijn tuin. Opnieuw wordt dit in bedaarde woorden verteld; opnieuw moet dit in de jaren vijftig schokkend zijn geweest, zeker omdat het nog steeds schokt. Boon was in die jaren grote aandacht gaan opbrengen voor het fenomeen van de sensatiepers, die de gruweldaden van seriemoordenaars als John Christie of Charles Manson breed uitsmeerden. Volgens het nawoord spreken zulke figuren tot de verbeelding van het publiek omdat ze vaak een doodgewoon, bijna banaal bestaan leiden (‘ik geloof dat ik een dezer mannen ben, die men niet nog eens opnieuw aankijkt, en op wier gelaat de eenvoud en de rechtschapenheid te lezen staat’ zegt hij over zichzelf). Ze lijken op ons. De suggestie wordt daarmee gewekt dat in ieder van ons een monster kan huizen. Boon vond onze fascinatie voor Christie en compagnie fascinerend. We genieten (heimelijk) van het lezen over gruweldaden. Dat sterkte Boon in zijn pessimistische mensbeeld.

Wie of wat is de paradijsvogel van de titel? Die zit in het wrede, bijbelse narratief dat Tubal-Kain vertelt bij monde van de bokser Vulcan Fiber (wiens eigen geest uithuizig is tijdens deze verhalen uit een ver verleden). Tubal-Kain vertelt over de tijd toen de stad Taboe nog geplaagd werd door hongersnood en overbevolking, toen er nog geen wetten of moraal waren. De priester van de stad houdt de bevolking voor dat hen een mooie toekomst wacht als ze een zoenoffer brengen, dat eruit bestaat een deel van de kinderen de bergen in te sturen, als ‘cadeautje’ voor de Paradijsvogel, de God die de priester bedacht, een barmhartig en almachtig wezen dat de mensen in een volgend leven genade zal schenken, in wiens paradijs ze dan zullen vertoeven. In werkelijkheid gaat het vooral om pragmatisme: voor elk weggezonden kind moet er één mond minder gevoed worden. De meeste kinderen komen snel om vanwege ontberingen in de barre wildernis, maar sommigen overleven en beginnen een nieuwe samenleving in de bergen.

Die nieuwe samenleving wordt aangetroffen door Tubal-Kain en zijn grote zus Noéma, die bij de derde zending van kleine kinderen horen. Het is een samenleving waar zelfs nog minder dan in Taboe wetten heersen: de totale bandeloosheid regeert, naakt en dierlijk gaan de groot geworden kinderen met elkaar om, zelfs vervallend tot bestialiteit. Noéma brengt hier verandering in door een lendendoekje voor haar geslacht te hangen, waarop de afbeelding van de Paradijsvogel (in de vorm van een driehoek) staat. Zij houdt de bewoners van de nieuwe samenleving een Hoger Wezen voor en predikt kuisheid en beschaving. Tubal-Kain vindt dat ze sterk overdrijft en verlangt eigenlijk niet naar iets Hogers dat au delà de l’être ligt, een Ginds dat hen pas na de dood ten deel zal vallen, hij wil liever in het hier en nu genieten van het samenzijn met Ada, het meisje op wie hij valt – maar de verleiding die van Noéma uitgaat blijkt toch te sterk voor zijn zinnen. Tegen de magnetische aantrekkingskracht van het mysterie dat zich verbergt achter het schaamlapje, de Paradijsvogel, is niemand bestand. De mythe van een Hoger Wezen dat het lijden en de gebrekkigheid van het eindige leven in een volgend leven zal compenseren overrompelt de mensen. Zo legt Boon het ontstaan en het succes van religie uit en trekt hij een parallel met l’origine du monde, de eeuwige fascinatie voor het mysterieuze geslacht van de vrouw, van wie de mooiste exemplaren (zoals Monroe en Brigitte Bardot) tot godinnen worden in de collectieve verbeelding. Zij zijn de Paradijsvogels van een modern, seculier tijdperk: de mensheid zet hen op een piëdestal, waar zij een onbereikbaar ideaal belichamen, iets waar je je hand naar kan uitstrekken, maar dat je nooit kunt vastpakken. De mens raakt gefrustreerd in zijn kleine leventje en richt zijn aandacht daarom op iets dat hem overstijgt, om zich daaraan op te trekken.

Er zijn nu een aantal jaren verstreken sinds het verscheiden van de grote tenoren van de Nederlandstalige literatuur van de vorige eeuw. Met elk jaar dat verschijnt, wordt de waarheid een stukje meer ontsloten (zo werkt de tijd). Het wordt steeds duidelijker dat er vorige eeuw geen Grote Drie of een Grote Vijf was, maar een Grote Een: Boon. Zelfs Vestdijk, Bordewijk, Mulisch en Hermans komen niet werkelijk in zijn buurt. De tijd schrijdt voorwaarts en Boon vliegt steeds hoger, gedragen door de vleugels van zijn taaltornado, terwijl zijn concurrenten min of meer ter plaatse blijven trappelen. Zij zijn grote schrijvers, maar hij is de grootste. Als er één schrijver van de Nederlanden aan Noach moet gegeven worden voor zijn Ark, laat het dan Boon zijn.

door Arthur

Plaats een reactie