Molière: Dom Juan

Toen Molière in 1665 begon te schrijven aan Dom Juan, had hij net een schandaal veroorzaakt met Tartuffe en waren zijn inkomsten door de geschrapte voorstellingen zienderogen achteruit gegaan. Door de welbekende hartenbreker als hoofdpersonage te nemen, hoopte hij het publiek naar de zaal te lokken, en kon hij tegelijkertijd verder borduren op zijn geliefde thema’s van hypocrisie en oprechtheid.

Uiteindelijk zou het stuk nog opzienbarender worden dan zijn eerdere werken. De basisplot, die van Tirso de Molina via de Italiaanse commedia dell’ arte en Franse classicistische bewerkingen in Molières kringen terechtkwam, laat Molière intact. Don Juan is de charmeur pur sang; hij vleit de meisjes die op zijn pad komen, belooft hen eeuwige liefde, maar laat hen staan zodra een ander hem bekoort. Hij krijgt het aan de stok met verloofdes, moet vluchten van wraakacties, slaat religieus heilsadvies in de wind, om uiteindelijk door een tot leven gewekt standbeeld de hel in te worden gesleurd. Maar terwijl eerdere versies geen twijfel laten bestaan over de ingeburgerde moraal tegenover Don Juans cynische handelswijze, schildert Molière een stuk waarin Don Juan verbaal schittert, terwijl niemand hem als superieure kracht echt de les kan lezen. Sganarelle, de volkse lijfknecht van Don Juan, durft hem weliswaar bij tijd en wijlen aan te spreken op zijn verfoeilijke gedrag, maar raakt dan verstrikt in zijn eigen redeneringen en gemeenplaatsen, zoals in zijn heerlijk van de hak op de tak springende monoloog:

Sachez, Monsieur, que tant va la cruche à l’eau, qu’enfin elle se brise ; et comme dit fort bien cet auteur que je ne connais pas, l’homme est en ce monde ainsi que l’oiseau sur la branche ; la branche est attachée à l’arbre ;  qui s’attache à l’arbre, suit de bons préceptes ; les bons préceptes valent mieux que les belles paroles ;
[…]
le Ciel est au-dessus de la terre ; la terre n’est point la mer ; la mer est sujette aux orages ; les orages tourmentent les vaisseaux ; les vaisseaux ont besoin d’un bon pilote ; un bon pilote a de la prudence ; la prudence n’est point dans les jeunes gens ; les jeunes gens doivent obéissance aux vieux ; les vieux aiment les richesses ; les richesses font les riches ; les riches ne sont pas pauvres ; les pauvres ont de la nécessité, nécessité n’a point de loi ; qui n’a point de loi vit en bête brute ; et par conséquent, vous serez damné à tous les diables.

Uiteindelijk blijft Sganarelle overtuigd van de doorgegeven waarheid, maar zonder dat hij zijn meester kan ontkrachten, zoals hij opmerkt: ‘vous tournez les choses d’une manière, qu’il semble que vous avez raison ; et cependant il est vrai que vous ne l’avez pas.’

Zo zijn het vooral Don Juans spitsvondige uitspraken tegen God en gebod die blijven hangen. Zoals wanneer Sganarelle hem vraagt wat zijn geloof is: ‘Je crois que deux et deux sont quatre, Sganarelle, et que quatre et quatre sont huit.’ Een mooi geloof, zegt Sganarelle, aritmetica! Ook dat is een meesterzet van Molière, zoals Boris Donne in zijn uitstekende nawoord opmerkt: Don Juans onwil om de voortekenen van de hemel te zien komt hier niet louter voort uit zijn trotse inborst (zoals dat bij vorige versies het geval was), maar uit een wetenschappelijke ingesteldheid die niet verzoenbaar is met bovennatuurlijke verschijnselen. De waarschuwingen van de Hemel in de vorm van een bewegend standbeeld van de commandant (gedood door Don Juan voor de aanvang van het verhaal) en de specter van Done Elvire doet hij af als zinsbegoocheling: ‘Si le Ciel me donne un avis, il faut qu’il parle un peu plus clairement, s’il veut que je l’entende’. De verschijningen lieten Molière overigens toe de nieuwste special effects tentoon te spreiden, waarbij het decor door ingewikkelde mechaniekjes plots open werd geschoven en het dreigende standbeeld tevoorschijn kwam.

Het cynisme van Don Juan zorgt voor de grappigste taferelen. Zo is er de memorabele scène waarin Don Juan en Sganarelle een godsvruchtige arme tegenkomen, die om geld bedelt en belooft voor hen tot God te bidden. Eerst drijft Don Juan de spot met de man door op te merken dat hij beter voor wat deftige kledij zou bidden en dat het wel vreemd is dat God hem na al dat bidden toch zo aan zijn lot overlaat. Wanneer de man aandringt, wil Don Juan hem geld geven in ruil voor een godslastering. Als de man tegensputtert, sust Sganarelle ‘Va, va, jure un peu, il n’y a pas de mal.’ Als de theatertekst soms al uitnodigt tot luidop lachen, zou men veel over hebben om de 17-de eeuwse opvoeringen bij te wonen en Molière – die het personage van Sganarelle voor zijn rekening nam – de slapstickelementen te zien opvoeren.

Molière bestrijkt in dit stuk het hele komische spectrum in een bontheid van personages en stijlen; van de volksheid van Sganarelle tot de cynische wit van Don Juan, tot scabreuze opmerkingen en taalhumor. Neem het patois van Pierrot die zijn geliefde het verhaal doet van een heldhaftige redding, zo overtuigend dat je er Zuidfranse boeren doorheen hoort klinken:

Je l’ai tant sarmonné, que je nous sommes boutés dans une barque, et pis j’avons tant fait cahin caha, que je les avons tirés de gliau, et pis je les avons menés cheux nous auprès du feu, et pis ils se sant dépouillés tous nus pour se sécher, et pis il y en est venu encore deux de la mesme bande, qui s’equiant sauvés tout seul, et pis Mathurine est arrivée là, à qui l’en a fait les doux yeux. Vlà justement, Charlotte, comme tout ça s’est fait.

Als Sganarelle oppert dat Don Juan toch zijn leven moet beteren, zegt Don Juan dat als hij nog komt aanzetten met één van die ‘sottes moralités’, dat hij dan onmiddelijk een bullenpees (een gedroogde stierenpenis) laat aanrukken om Sganarelle af te ranselen. En wanneer Dom Juans ex Done Elvire huilend stamelt dat ze bidt voor zijn deugd en liefde, schenkt hij geen enkele aandacht aan haar woorden maar merkt op dat hij haar smachtende uiterlijk en passionele tranen wel sexy vindt.

Op die manier is Molière ongelooflijk fris in zijn toe-eigening van dit bekende verhaal. In feite is de actie tot een minimum beperkt – we zien geen enkele werkelijke verleiding; Molière geeft zijn Don Juan alle tijd voor verbaal vuurwerk waarbij hij zich telkens op meesterlijk sofistische wijze uit netelige situaties redt. Zoals wanneer Don Juan twee meisjes afwisselend toefluistert dat de ander toch zo’n leugenachtig booswicht is, en zichzelf zo met zijn leugens spaart. Af en toe is hij in dat sofisme zo overtuigend dat zijn verleiding op de lezer overspringt, die zijn eigen aannames ondersteboven houdt. Don Juan als voorspreker van de open liefde:

‘J’aime la liberté en amour, tu le sais, et je ne saurais me résoudre à renfermer mon cœur entre quatre murailles. […] Mon cœur est à toutes les belles, et c’est à elles à le prendre tour à tour’.

In die amorele overtuigingskracht doet Don Juan denken aan Lord Henry, de grote cynicus van Oscar Wilde, die in zijn heerlijke volzinnen Dorian Gray naar de afgrond leidt. En uiteraard aan Molières eigenste Misanthrope, die met zijn bruutheid evenzeer de gevestigde denkbeelden aan diggelen slaat. Maar Don Juan doet het van binnenuit de burgerlijke manieren; in zijn hypocrisie houdt hij een spiegel voor aan de samenleving, die haar eigen waarden niet onderschrijft. Zo belandt hij bij een Nietzscheaanse eerlijkheid in de omkering van waarden; ‘l’hypocrisie est un vice à la mode, et tous les vices à la mode passent pour vertus’.

En als Don Juan dan uiteindelijk wordt opgeslokt door de hel, zorgt Molière er met Sganarelle voor dat de goede zeden toch niet het laatste woord hebben; in plaats van te jammeren om het zielenheil van zijn meester, denkt de lijfknecht aan zijn centen die met Don Juan verdwenen zijn:

‘Mes gages, mes gages, mes gages!’

door Ana

Plaats een reactie