
Middlemarch was allesbehalve het boek waar ik met gulzige leeszin naar uitkeek. Als filosofen literatuur gebruiken om ethische voorbeelden te geven, citeren ze graag scenes als toonbeeld van een bepaalde houding, als betrof het een optelsom van morele gedachte-experimenten. En met meer dan 700 pagina’s was ik bang voor een uitgesponnen familiedrama dat wel groots, maar weinig subtiel zou zijn.
Maar de beste manier om te zien of boeken hun status verdienen is nog steeds om ze te lezen, en de leeservaring zette alle vooroordelen op hun kop. Dorothea is één van de krachtigste en best geboetseerde hoofdpersonages uit de wereldliteratuur. Het dorp Middlemarch, het eigenlijke centrum van het boek waar de verhaallijnen zich afspelen, zuigt de lezer op als een toneeldecor, waar Eliot elk personage menselijker dan menselijk heeft geschapen. In dat dorp, tegen de achtergrond van de vroege jaren 1830 voor de Reform Act, spelen de centrale verhalen zich af; op de voorgrond enerzijds de idealistische Dorothea die naar het voorbeeld van de heilige Teresa Van Avila op een dienstbaar en groots leven hoopt; anderzijds de val van Lydgate, de veelbelovende jonge dokter die vervelt tot verslagen echtgenoot met schulden; afgewisseld met de verhalen van de hopeloze maar goedbedoelende Fred die hoopt op een erfenis en de hand van Mary, en van de succesvolle bankier Nicholas Bulstrode die tevergeefs een jeugdzonde probeert toe te dekken.
Stuk voor stuk zijn het memorabele personages, niet in theatrale zin – zoals Miss Havisham of Lord Henry larger than life zijn –, maar onvergetelijk getekend op realistische manier: de hypocriete dikke bankier Bulstrode met het kleine hartje, Dorothea die in al haar heiligheid vaak in naïviteit vervalt en Lydgates geliefde Rosamond waarvan de zwakke kanten in enkele trekken met hilarische karakteriseringen worden neergezet. Zo is elk personage paradoxaal; geen helden zonder blindheden, geen schurken zonder medelijden of drijfveer. Eliot thematiseert daarbij op moderne wijze de afhankelijkheid van perspectief, zoals wanneer ze het huwelijk van Dorothea en de onaangename Mr. Casaubon beschrijft, maar haar vertelling zelf tenietdoet aan het begin van het hoofdstuk:
One morning some weeks after her arrival at Lowick, Dorothea – but why always Dorothea? Was her point of view the only possible one with regard to this marriage? I protest against all our interest, all our effort at understanding being given to the young skins that look blooming in spite of trouble; for these too will get faded, and will know the older and more eating griefs which we are helping to neglect.
Haar morele kracht vloeit in grote mate voort uit haar mogelijkheid om elk karakter in zijn context te plaatsen en zo betekenis te geven vanuit het eigen verhaal, dat nooit een algemeen verhaal is. De gemene Casaubon wordt zo tegelijkertijd getoond in zijn zielige tragiek, intelligent maar steeds geremd door zijn mistroostige zelf:
For my part I am very sorry for him. It is an uneasy lot at best, to be what we call highly taught and yet not to enjoy: to be present at this great spectacle of life and never to be liberated from a small hungry shivering self – never to be fully possessed by the glory we behold, never to have our consciousness raptuoursly transformed into the vividness of a thought, the ardour of a passion, the energy of an action, but always to be scholarly and uninspired, ambitious and timid, scrupulous and dim-sighted.
Martin Price heeft die dubbelheid bij Eliot goed gevat wanneer hij stelt dat George Eliot met Middlemarch een studie van grote subtiliteit maakt door te tonen “how a man’s virtues are implicated in and in some measure promote his errors.”
Het zijn personages die zo levensecht zijn weergegeven dat de overeenkomsten met echte mensen soms akelig zijn. Eliot vat hun kleinste trekken en bewegingen in die mate dat literatuur hier haar fictionele kern haast overstijgt. Dat geldt overigens ook voor de stoet van nevenfiguren: de schurk Raffles met zijn dweperij, de blijmoedige oom van Dorothea Mr. Brooke, de integere priester Mr. Farebrother, de normale maar prachtig sympathieke zus Celia Brooke (in de woorden van Henry James: “as pretty a fool as any of Miss Austen’s”), de genereuze landmeter Caleb Garth, de rijke onuitstaanbare Featherstone op zijn sterfbed, Dorothea’s schoonbroer James Chettam, goedbedoelend maar irritant in zijn bekrompenheid.
‘A study of provincial life’, draagt de roman als ondertitel. Het is een portret van het provinciale leven in al zijn hypocrisie. Hilarisch verbeeldt Eliot hoe het roddelen wordt gekaderd alsof het om oprechte zorg voor een buur gaat. Of hoe vrouwen onder het mom van hulp en eerlijkheid anderen in het ongeluk storten:
To be candid, in Middlemarch phraseology, meant, to use an early opportunity of letting your friends know that you did not take a cheerful view of their capacity, their conduct, or their position; and a robust candour never waited to be asked for its opinion. Then, again, there was the love for truth – a wide phrase, but meaning in this relation, a lively objection to seeing a wife look happier than her husband’s character warranted, or manifest too much satisfaction in her lot: the poor thing should have some hint given her that if she knew the truth she would have less complacency in her bonnet, and in light dishes for a supper-party. Stronger than all, there was the regard for a friend’s moral improvement, sometimes called her soul, which was likely to be benefited by remarks tending to gloom, uttered with the accompaniment of pensive staring at the furniture and a manner implying that the speaker would not tell what was on her mind, from regard to the feelings of the hearer. On the whole, one might say that an ardent charity was at work setting the virtuous mind to make a neighbour unhappy for her good.
Een briljant stuk; bijtend in de omkering van kwaad in deugd, hilarisch in de kleine observaties (“uttered with the accompaniment of pensive staring at the furniture”) en de afstandelijke vertellersstem (“sometimes called her soul”).
Mensen spreken voor anderen in Middlemarch zonder te vragen wat ze echt denken. Het is een door en door moreel boek, maar op vlijmscherpe wijze. Het toont de tragedies van eer en trots, van een cultuur waarin spreken en het hoofd buigen erger is dan ten gronde gaan. Daarin haalt Eliot veel mosterd bij Jane Austen; boeken als Pride and Prejudice en Persuasion gaan bij uitstek over mensen die uit eergevoel zichzelf ten gronde dreigen te richten. De waarde van hulp durven te vragen en open durven te zijn schuilt als alternatieve moraliteit tussen de lijnen.
Eliot is sterk in sfeerschepping, in de beschrijvingen van het platteland, de grootheid van Rome, het donkere huis van Mr. Casaubon waar Dorothea in terechtkomt als in een cel. Haar verteltalent is groot; heerlijk zijn de herkenbaar chaotische familie van Mary Garth en de groteske scenes met de familie die in de keuken van de stervende Featherstone op zijn erfenis wacht als cirkelende gieren. Maar Eliots grootste talent bestaat in kritische observatie, in de grootsheid van haar intellect, de nuance. Weinig schrijvers slagen er daarbij in de uiterlijke én innerlijke wereld zo op de rooster te leggen. Alle wereldse thema’s van het leven komen aan bod; de hypocrisie van een christen als Bulstrode die wekelijks naar de kerk gaat maar de grootste zonde van zijn leven toedekt met geld; de schulden van Fred die zich opstapelen en het conflict tussen wil en verantwoordelijkheid blootleggen; de ambities en verwachtingen in de figuur van Lydgate die gelooft in de medische vooruitgang maar moet buigen voor vriendjespolitiek en geldbeslommeringen; Brooke die niet genoeg charisma heeft om te slagen met de politieke retoriek die kennissen in vrienden omdoopt:
“This looks well, eh? Said Mr Brooke as the crowd gathered. ‘I shall have a good audience, at any rate. I like this, now – this kind of public made up of one’s neighbours, you know.’
The weavers and tanners of Middlemarch, unlike Mr Mawmsey, had never thought of Mr Brooke as a neighbour, and were not more attached to him than if he had been sent in a box from London’s
Het is ook een aanklacht van de kloof tussen arm en rijk, de macht van het geld, in stand gehouden door botte mannen die hun waarheid op tafel gooien zonder ooit te voelen wat het is om arm te zijn: “rustics who are in possession of an undeniable truth which they know through a hard process of feeling, and let it fall like a giant’s club on your nearly-carved argument for a social benefit which they do not feel”.
Daarbij vindt Eliot steeds het midden; haar kritiek is nooit een sarcasme zonder meer. Er is ironie, maar er is altijd een goedmoedigheid of bredere tekening zodat geen enkel personage of het volk als geheel louter geridiculiseerd wordt. Zoals in de tekening van Lydgates ambitie in het voorwoord: “For in the multitude of middle-aged men who go about their vocations in a daily course determined for them much in the same way as the tie of their cravats, there is always a good number who once meant to shape their own deeds and alter the world a little.”
Vermeld dienen daarbij ook de prachtige spreuken die de hoofdstukken openen, citaten geplukt uit de wereldliteratuur, die vaak een dialoog vormen met het verhaal dat erop volgt, en de lezer verder drijven naar het grootste van de canon.
Middlemarch vormt een portret van de conflicten in het hart van een mensenleven, die ieder voor verscheurende keuzes zetten; collectief versus individu, ambitie tegenover gewoonte (“indefinite visions of ambition are weak against the ease of doing what is habitual or beguilingly agreeable”), milieu versus geest, realisme en idealisme, verwachtingen en realiteit, dromen en daden, geld of principes, liefde of ratio, ouderdom versus jeugd (“If youth is the season of hope, it is often so only in the sense that our elders are hopeful about us; for no age is so apt as youth to think its emotions, partings, and resolves are the last of their kind. Each crisis seems final, simply because it is new”) …
Psychologisch gaan Eliots beschrijvingen altijd voorbij aan de clichés; een blijk van liefde in Mary wordt niet getoond door passionele innerlijke monologen maar door uiterlijke observatie van haar reactie (“A certain change in Mary’s face was chiefly determined by the resolve not to show any change”); het ridiculiseren van de man van de wereld, niet door zijn onkunde uit te spreken, maar door zijn gladde wegen bloot te leggen met een algemene waarheid (“Mr Bulstrode, bending and looking intently, found the form which Lydgate had given to his agreement not quite suited to his comprehension. Under such circumstances a judicious man changes the topic and enters on ground where his own gifts may be more useful”); de jaloezie van Mr. Casaubon die niet als een gekmakende hysterie wordt afgebeeld maar als sluipend gif (“There is a sort of jealousy which needs very little fire: it is hardly a passion, but a blight bred in the cloudy, damp despondency of uneasy egoism); de eenzaamheid van Bulstrodes vrouw die niet weet naar wie ze moet gaan met haar ellende, niet als klaagzang, maar groter gemaakt in het besef “that an old friend is not always the person whom it is easiest to make a confidant of”, want er is “the barrier of remembered communication under other circumstances”.
De psychologie van Rosamond verdient enige extra aandacht hier; Rosamond is de blonde mooiste dochter van het dorp, die flirt met iedereen die haar een blik waardig gunt. Met haar engelenstemmetje, charmante gedrag en elegantie schijnt ze alle mannen het toonbeeld van de vrouw toe, maar onder haar uiterlijke perfectie gaan een grote portie onzekerheid en wispelturigheid schuil. Eliot is hilarisch in haar schildering van de overdachte flirtpogingen van Rosamond (“In two minutes he was in the room, and Rosamond went out, after waiting just long enough to show a pretty anxiety conflicting with her sense of what was becoming”), en van de kloof tussen hoe Rosamond de wereld beleeft met haar in het centrum van iedereens aandacht (“This result, which she took to be a mutual impression, called falling in love”) en de eigenlijke avances van mannen zonder veel gelaagdheid. Je kan je niet aan de indruk ontdoen dat Eliot iemand moet gekend hebben die op die manier alle mannen om haar vinger kon winden, en die ze uit een soort wraak in al haar kleinheid schetst, maar waarbij ze bijtend sarcasme steeds in evenwicht houdt met een medelijden met Rosamond in zoveel afhankelijkheid van anderen. Er is overigens wel meer in Middlemarch met biografische parallellen (Dorothea’s zoektocht naar onafhankelijkheid, betekenis en strijd met sociale verwachtingen op de eerste plaats), maar wat een kracht om die frustraties van een hoogopgeleide vrouw in een weinig vanzelfsprekende context te sublimeren tot deze roman.
Op liefdesvlak legt Eliot de vinger op de wonde van situaties waar velen zich in hebben bevonden zonder de pijn ervan te kunnen duiden. Hoe ze er bijvoorbeeld in slaagt het moment te beschrijven tussen ongedwongen flirten en een relatie, de ongemakkelijkheid waarin je beide weet dat de ander het weet maar de liefde nog niet is uitgesproken en ieder zich alleen en verloren voelt. Of haar portret van huwelijken, genadeloos eerlijk. Hoe twee mensen die elkaar oprecht graag zien van elkaar vervreemd kunnen worden door onuitgesproken ergernissen en schuldgevoelens, en zonder dat ze het willen elkaar telkens meer pijn doen en zichzelf afzonderen. Henry James rekent de huwelijksscenes tussen Lydgate en Rosamond terecht tot de meest perfecte passages van het boek: “There is nothing more powerfully real than these scenes in all English fiction, and nothing certainly more intelligent”.
De liefde tussen Ladislaw en Dorothea toont zich hier als tegenpool, die daarom ook vrijwel heel het boek een vraagteken moet blijven. In die zin is het fout dat Henry James Ladislaw in zijn recensie van 1873 als “insubstantial character” en “eminent failure” afschildert. Het klopt dat Dorothea’s grootheid niet wordt geëvenaard door Ladislaws charme en vrolijkheid; maar dat maakt net de hoofse verhouding mogelijk waarin de liefde groter is dan de maatschappelijke verhoudingen, doorheen een huwelijk kan blijven branden in Ladislaws hart zonder hoop op vervulling. Precies via de bescheiden eenvoud en ongedwongenheid van Ladislaw slaagt Eliot erin hem als tegenpool van een vergiftigde samenleving neer te zetten, waarin het huwelijk voor een vrouw al te vaak gelijkstaat aan gevangenschap. Galant, eerlijk, eervol en melancholisch is hij bovenal echt. Meer dan alles is het de belofte van de liefde tussen Dorothea en Ladislaw in blikken en hoop die het boek voortdrijft, als de eeuwige spanning van romance, maar ook als het punt waarin Eliot de hoop legt van een oprechte verhouding tussen twee mensen die elkaar begrijpen, zoals ze in een brief aan de uitgever schrijft: “it sets -or is intended to set- in a strong light the remedial influences of pure, natural human relations”.
Eenzelfde weerzin als voor het aanvatten van het boek als geheel had ik voor de epiloog. Als kind al wist ik nooit goed wat aan te vangen met vier finale bladzijdes waar alle personages plots opgegroeid zijn en elk verhaal haastig wordt afgerond. “If it be true, that good wine needs no bush, ’tis true, that a good play needes no Epilogue”, schrijft Shakespeare in As you like it. De epiloog doorbreekt de willing suspension of disbelief van de lezer nog voor de afloop van het verhaal, en bederft zo het spel. De weg waarin de personages zich evolueren, wordt dichtgetimmerd en krijgt zo een moraliserende nasmaak.
Opnieuw treft het contrast van het vooroordeel met hoe vernuftig en functioneel Eliot de epiloog invult. Ze geeft ons een inkijk in hoe de wereld van Middlemarch zich een beeld vormt van Dorothea, die het dorp verlaten heeft. Zo keert ze terug van het centrale personage naar haar eigenlijke personage van de provinciale gemeenschap, das Man, het ‘men’ dat altijd een oordeel klaar heeft en elk mensenleven tot een eenvoudig moreel verhaal reduceert. Middlemarch zet zich precies af tegen die reductie, maar toont in de epiloog dat overblijven van de oppervlakte.
Middlemarch kan gelezen worden als protofeministisch boek; het sterke karakter van Dorothea overwint, en Eliot thematiseert het schrijven als vrouw. In de epiloog heeft Mary een kinderboek geschreven, maar krijgt Fred het krediet. “In this way it was made clear that Middlemarch had never been deceived, and that there was no need to praise anybody for writing a book, since it was always done by somebody else”. Maar Dorothea heeft daarbij in haar zoektocht naar onafhankelijkheid paradoxaal genoeg een karakter dat steeds volgt en dient. Dat maakt het geen ideaal boek voor feministen; de gedienstige bescheiden vrouw is nooit veraf. Toch kan dat ideaal ook verklaard worden vanuit het mystieke ideaal van eenvoud en in die zin staan voor een algemeen mensbeeld, onafhankelijk van voorbijgestreefde vrouwbeelden – Dorothea blijft vooral steeds trouw aan zichzelf. Bloom ziet de grote kracht van George Eliot als de fusie van esthetiek en moraal; “I can think of no other major novelist, before or since, whose overt moralizings constitute an aesthetic virtue rather than a disaster.”
Dat komt omdat het een moraal is die niet moraliseert tot vaste hokjes. Eliot denkt zonder te filosoferen, zegt Bloom; ze blijft in de eerste plaats de grote romancier die direct op haar doel afgaat. Hij ziet in haar – volgens mij terecht – een Wordsworthiaanse moraal, die bestaat in een “urge […] toward a moral Sublime: agonistic, antithetical to nature and to what we call “human nature ” solitary yet open to communion with others.” Harold Blooms analyse van Dorothea aan het einde van zijn hoofdstuk over Eliot in The Western Canon laat precies zien waarom haar kleine kanten haar grootsheid uitmaken. Eliot heeft de echte wereld laten zien. Daarom is ze niet de avontuurlijke heldin die Henry James hoopte dat ze zou worden. Met de paradoxale temporele logica waarin Bloom zo goed is, laat hij Eliot via haar epiloog antwoorden op de kritieken die Henry James er later op zal geven. Hij citeert er de magistrale laatste zinnen van Middlemarch, maar het volmaakte slotakkoord klinkt het best na het beluisteren van de hele symfonie.
Misogynie wordt al te vaak als bron gezien van kritiek op de hoge status van vrouwelijke schrijvers, zelf misogyn in de overtuiging dat elke kritiek over vrouwen wel over hun vrouwelijkheid moet gaan. Maar George Eliot lijdt er werkelijk onder tot vandaag. De schrijfster die haar naam vermannelijkte om ernstig genomen te worden, wordt nog steeds te vaak in een hokje geplaatst van moraliserend, saai, langdradig – alsof ze de ‘vrouwelijke’ brave Dickens zou zijn in plaats van een zelfbewuste scheppende auteur. Het is de verwarring van moreel en moraliserend. Eliots ironische vertellersstem maakt komaf met alle schijn; haar vertellerstalent maakt Middlemarch heerlijk leesbaar; haar geest doorprikt elke pretentie maar ook elk cynisme dat de wereld evenzeer reduceert; haar mensbeeld is zo overkoepelend dat Middlemarch zonder twijfel zijn stempel van tijdloos meesterwerk verdient.
door Ana
