
‘How surely are the dead beyond death. Death is what the living carry with them.’
Suttree. De naam is typerend voor McCarthy’s stijl: het woord klinkt apart, ziet er raar uit. Het maakt deel uit van McCarthy’s esthetisering van de werkelijkheid via taal. Cornelius Suttree is de naam van het hoofdpersonage van dit hoofdwerk van één van Amerika’s grootste schrijvers van de afgelopen eeuw, het boek dat hij schreef net vóór Blood Meridian (1985), dat meestal als zijn allerbeste werk wordt gezien. Suttree (1979) is McCarthy op z’n meest barok, wat in zijn geval heel wat wil zeggen: in Blood Meridian is zijn taal nog archaïscher, maar hier overrompelt hij de lezer met een woordenrijkdom die geen grenzen lijkt te kennen. Als stilist zetelt McCarthy te midden van de allergrootsten, – in de Angelsaksische wereld hoort hij thuis in het rijtje Shakespeare, Milton, Melville, Joyce en Faulkner. Het is van Shakespeare bekend dat hij een onwaarschijnlijk aantal woorden gebruikte in zijn toneelstukken (om en nabij de twintigduizend), waarvan de meeste maar één keer voorkwamen, wat het nog absurder maakt. Van Suttree vind ik niet onmiddellijk die statistiek, maar het aantal obscure woorden dat McCarthy uit zijn hoed tovert is ook niet te versmaden. Soms kan die rijkdom overdreven lijken, en als anderstalige heb je beter de Merriam Webster bij de hand om niet te verdrinken, maar McCarthy gaat nooit voor effectbejag. Net als Joyce houdt hij van de pure klank van woorden en van hun vorm: Suttree is in de lyrische passages eerder een episch prozagedicht dan een roman, net als Ulysses en Finnegans Wake, Absalom, Absalom! en Moby Dick. De dialogen zijn dan weer uniek in hun puntigheid: McCarthy gebruikt geen aanhalingstekens en ook geen kastlijntje, en geeft maar soms aan wie iets zei, en toch kun je altijd perfect volgen. Net als Mark Twain en Faulkner houdt hij ervan dicht bij de spreektaal te blijven bij dialogen en die ook voor een deel fonetisch weer te geven, zoals ‘ast’ i.p.v. ‘asked’ en ‘caint’ i.p.v. ‘can’t’. Dit zorgt voor een vermakelijk contrast tussen de waanzinnige gemaniëreerdheid van de beschrijvende, lyrische passages en de volkse eenvoud van de dialogen.
Suttree werd door schrijver Jerome Charyn een ‘doomed Huckleberry Finn’ genoemd, een vergelijking die ten dele opgaat. Beide boeken spelen zich voornamelijk af aan een rivier in het diepe zuiden (Tennessee respectievelijk Mississippi) en zijn episodisch van structuur, en dan is er het Zuiders-Amerikaanse idioom van de gesprekken. Maar meer nog dan van Twain is McCarthy een trouw discipel van Faulkner, met wie hij dan ook tot in de eeuwigheid vergeleken zal worden: het is merkwaardig hoe McCarthy erin slaagt tegelijk maar al te duidelijk in Faulkners voetsporen te treden en toch binnen die navolging zijn eigen stem te vinden en te behouden. Zijn bij tijd en wijle archaïsche taal en voorliefde voor het voegwoord ‘and’ lijkt hij dan weer aan de King James Bible en Hemingway te ontlenen. Maar er bestaat m.i. ook een cruciaal verwantschap met de roman Murphy (1938) van Beckett, die ook handelt over een eigenzinnige eenzaat die zich heeft teruggetrokken in de marge van de samenleving en het normale leven verzaakt. Net als McCarthy weet Beckett een leven van indolentie en marginaliteit met een exuberante taal tot iets magnifieks te verheffen.
Van een ‘verhaal’ kun je in Suttree nauwelijks spreken, maar er is wel een duidelijk begin en eind, en er gebeurt bijna de hele tijd iets. De dood loert in boeken van McCarthy altijd om de hoek. Cornelius Suttree, die door iedereen Suttree of Sut of gewoon Buddy wordt genoemd, heeft zijn vorige leven in een deftig gezin vaarwel gezegd en zich teruggetrokken in een gammele woonboot in Knoxville, een stadje in Tennessee, dicht bij de brug over de rivier waar alle verpauperde verschoppelingen in hun hutjes en krotten hun dagen slijten, in de schaduw van de stad. Om rond te komen vist hij; voorts doet hij niet veel meer dan wat rondlummelen, af en toe bezoek krijgen of zelf iemand bezoeken, en in bruine kroegen verpozen waar hij samen met een bont gezelschap van tragikomische pimpelaars zijn lever naar de knoppen helpt.
Wie is Suttree? Veel info krijgen we niet. Hij schijnt een vrouw en zoontje te hebben achtergelaten, maar op een dag krijgt hij bericht dat zijn zoontje gestorven is. Hij wil de begrafenis bijwonen, maar wordt zodra hij aankomt letterlijk aangevallen door zijn schoonouders (‘The old lady had gotten Suttree’s finger in her mouth and was gnawing on it like a famished ghoul. He seized her by the throat. The three of them went to the ground. Suttree could feel something thudding at the base of his skull. The old man had come from the porch and was hitting him with his shoe.’) en moet rennen. Uiteindelijk volgt hij de begrafenis stiekem vanop een afstandje.
Deze passage is een voorbeeld van McCarthys zeldzame synthese van tragiek en komedie, wat hij opnieuw gemeen heeft met Beckett en Faulkner. Suttree’s lot doet je de hele tijd zowel huilen als lachen, tot je niet meer weet welke emotie de gepaste of juiste is. Soms moet je luidop lachen, soms moet je wegkijken omdat het gebeuren zo verschrikkelijk of triest is. En altijd is daar die bezwerende stijl, een stijl om je te bekeren: hier en daar zitten passages en momenten van zo’n schoonheid en kracht dat het als een religieuze ervaring aanvoelt, alsof ‘de dingen op het punt staan hun ultieme geheim te onthullen’, zoals Montale dicht in I limoni.
Net als bij Blood Meridian opent McCarthy met een vocatief (het is de vraag wie of wat er exact wordt aangesproken, tenzij het eenvoudigweg om de lezer gaat) in de schitterende openingsparagraaf, die het verdient volledig geciteerd te worden:
Dear friend now in the dusty clockless hours of the town when the streets lie black and steaming in the wake of the watertrucks and now when the drunk and the homeless have washed up in the lee of walls in alleys or abandoned lots and cats go forth highshouldered and lean in the grim perimeters about, now in these sootblacked brick or cobbled corridors where lightwire shadows make a gothic harp of cellar doors no soul shall walk save you.
McCarthy’s oog voor details is superieur. Hij kan de omgeving van Suttree’s woonboot of de straten van Knoxville paginalang beschrijven, louter door een opsomming van alle objecten en figuren die er te zien zijn, maar soms zit er ineens ook een eerder poëtische of metafysische observatie tussen, zoals: ‘The buildings stamped against the night are like a rampart to a farther world forsaken, old purposes forgot.’ De mooiste beschrijving van de schimmige wereld waarin Suttree zich voortbeweegt, komt naar het einde van de prelude toe:
We are come to a world within the world. In these alien reaches, these maugre sinks and interstitial wastes that the righteous see from carriage and car another life dreams. Illshapen or black and deranged, fugitive of all order, strangers in everyland.
Hier ‘droomt een ander leven’, dat door de brave of rechtvaardige mensen vanuit hun vehikels gezien wordt. Net als Gerard Manley Hopkins en Joyce heeft McCarthy overigens een voorliefde voor Germaanse samenstellingen, wat betekent dat het koppelteken achterwege wordt gelaten, zoals bij ‘highshouldered’ en ‘illshapen’, nog een typisch kenmerk van zijn stijl. Let ook op hoe het woord ‘maugre’ als adjectief gebruikt wordt: eigenlijk een onjuist gebruik, want ‘maugre’ is in feite een archaïsche Engelse vertaling van ‘malgré’ (‘ondanks’ in het Nederlands), maar McCarthy gaat voor de vorm van het woord, de klank, de etymologische naklank (‘mau’ is hetzelfde als ‘mal’ of kwaad).
De prelude eindigt met een duistere allusie op een ‘thing unknown’ waarvoor je moet opletten: niemand weet precies wie of wat het is of waar het vandaan komt, maar het is onmogelijk eraan te ontsnappen: ‘The murengers have walled the pale, the gates are shut, but lo the thing’s inside and can you guess his shape?’ (een ‘murenger’ is iemand belast met de verantwoordelijkheid over de stadswal). Is deze hoedanigheid ‘a hunter with hounds or do bone horses draw his deadcart through the streets and does he he call his trade to each?’ Het lijkt een verwijzing naar de dood, maar die wordt nooit als dusdanig genoemd. In elk geval hangt de schaduw van deze gedaante, om het zo te zeggen, het hele boek lang over Suttree en de andere mislukkelingen van de nacht.
Een andere prominente mislukkeling is Harrogate, een ietwat eenvoudig scharminkel dat door iedereen de ‘stadsrat’ wordt genoemd en Suttree leert kennen in de gevangenis (ze moeten allebei korte tijd brommen). Zodra hij weer op vrije voeten is, vestigt hij zich net als Suttree aan de waterkant in Knoxville en probeert hij op allerhande illegale wijzen geld bijeen te scharrelen, – keer op keer waarschuwt Suttree hem dat zijn plannen slecht zullen aflopen, maar Harrogate is zeker van zijn zaak. Opnieuw is Harrogate zowel een meelijwekkend als een komisch sujet; Suttree voelt een bijna vaderlijke sympathie voor hem, maar weet dat Harrogate door het lot gedetermineerd is om een kleine sukkelaar te blijven. Hij kan bijsturen zoveel hij wil, Harrogate zal uiteindelijk zijn eigen zin doordrijven en zichzelf in de problemen helpen.
Zijn meest geestige plannetje bedenkt Harrogate als hij erachter komt dat je een vergoeding krijgt als je een dode vleermuis bij het laboratorium van het ziekenhuis binnenbrengt: met behulp van vergiftigd vlees en een katapult doodt hij tientallen vleermuizen, om die buit in een grote zak te gaan afleveren, maar de medewerkers van het laboratorium reageren geschokt en hij krijgt in plaats van een vergoeding een waarschuwing van de politie. Zijn meest gestoorde onderneming is het graven van een tunnel onder de stad via de grotten om zo uiteindelijk bij de kluis van de grote bank te komen, – het dynamiet dat hij daartoe aanschaft slingert hem bij de ontploffing tegen de rotswand aan: moederziel alleen in een kosmische duisternis ligt hij daar op zijn dood te wachten, teleurgesteld nadat hij opnieuw een groteske inschattingsfout had gemaakt, en hoort hij in het donker gedaantes voorbij schuifelen:
He was bruised and bleeding and numb all over and he began to cry. (…) Coming toward him was a soft near soundless mass. (…) Seeking him out. (…) A sluggish monster freed from what centuries of stony fastness under the city.
Die laatste zin lijkt een echo van de laatste regels van Yeats’ bekende The Second Coming, alsof Harrogate met zijn dynamiet de wederkomst van Jezus heeft ontketend. Noch Harrogate, noch de lezer komt ooit te weten wat dat schepsel was, maar het is typisch voor McCarthy om binnen een realistisch verhaal symbolische of surrealistische toetsen aan te brengen, al is het maar door de beschrijving, door de vertekende impressies of hallucinaties van de personages. Harrogate berust in zijn dood, maar Suttree, die de aardbeving gevoeld heeft, weet hoe laat het is en gaat hem zoeken in het labyrintische grottenstelsel, een hachelijke onderneming, maar hij vindt hem uiteindelijk. Tot een bepaalde hoogte is Suttree nihilist, en hij respecteert niet alle morele codes even getrouw, maar hij heeft ook een hart en empathie, en bovenal de moed om het juiste te doen als de plicht roept. En dat zonder er iets voor terug te vragen.
We krijgen niet vaak een kijkje in Suttree’s gevoelswereld, maar heel soms krijgen we emotionele verzuchtingen of observaties in een monologue intérieur (altijd heel kort en plotseling), zoals wanneer zijn moeder hem onverwachts komt bezoeken in de gevangenis: ‘See the hand that nursed the serpent. (…) Here is the anguish of mortality. Hopes wrecked, love sundered. See the mother sorrowing.’ En dan volgt een regel later de zin: ‘Suttree began to cry nor could he stop it’. Te stoer om te huilen is Suttree niet (of misschien kan hij er werkelijk niets tegen beginnen). Hij is altijd droog en gevat in zijn dialogen, eeuwig bedaard, nooit onder de indruk, maar soms is de werkelijkheid ook voor hem te groot en barst hij als een kind in huilen uit. Uit alles blijkt dat hij als een navolger van Leopardi en Schopenhauer dit aardse gebeuren redelijk zinloos vindt. Daarom ook vertoeft hij in de rand van de wereld, en niet erin:
He went among vendors and beggars and wild street preachers haranguing a lost world with a vigor unknown to the sane. Suttree admired them with their hot eyes and dogeared bibles, God’s barkers gone forth into the world like the prophets of old.
Suttree houdt van de ‘vigor unknown to the sane’ van gestoorde predikers op straat, net zoals hij ook gefascineerd is door een soort van heks van wiens kwakzalversdrankje hij op het einde van de roman een heftige hallucinatie krijgt. De normale wereld, waar mensen normale levens leiden met gezin en kinderen, job en verzekering, huis en tuin, gaat vooruit alsof er geen zwart gat op ons wacht: daarom dat Suttree houdt van de schaduwwereld in de marge, waar de zinloosheid van dit ondermaanse gebeuren wel in rekening wordt gebracht, zonder dat dit tot zelfmoord leidt (dat zou een zwaktebod zijn); Suttree ziet het grote niets met geheven hoofd tegemoet, samen met zijn kompanen van de nacht, hij probeert binnen dat Sein-zum-Tode een waardigheid te vinden, in plaats van te doen alsof hij erbuiten leeft (of in plaats van zich daarvan niet bewust te zijn). Dit is althans een voor de hand liggende interpretatie: het is niet dat Suttree zich ooit oordelend uitspreekt over ‘normale’ mensen of zijn eigen levensstijl verdedigt of verheerlijkt. Hij doet wat hij kan binnen zijn ‘levensfilosofie’, om het zo te zeggen (hij zou dat waarschijnlijk een zweverige term vinden). En regelmatig drinkt hij zich samen met zijn vrienden met behulp van erg pittige drank de vergetelheid in, zodat hij na vage nachten wakker wordt in de natuur ver van de bewoonde wereld zonder te weten hoe hij daar is terecht geraakt. McCarthy weet het ontwaken met een fikse kater in de brandende zon vernuftig te beschrijven.
Telkens wordt dan ook beschreven hoe moeilijk het is voor Suttree om met de bus of al liftend terug in Knoxville te geraken. Net zoals McCarthy’s andere boeken blijft Suttree dicht bij de harde economische realiteit van het dagelijkse bestaan: als de kou gevoelig daalt tijdens de winter, vriezen zijn personages bijna dood (zonder Suttree’s hulp zou Harrogate bezweken zijn); als ze niet genoeg geld bij elkaar geschraapt krijgen, verhongeren ze. Een bijna bruut naturalisme, ware het niet dat het proza bijna anti-mimetisch werkt. Om nog eens een voorbeeld van weergaloos proza aan te halen, zie bijvoorbeeld hoe stormweer wordt beschreven als Suttree door een bos aan het dwalen is ’s nachts:
(…) troops of ghost cavalry clashed in an outraged sky, old spectral revenants armed with rusted tools of war colliding parallactically upon each other like figures from a mass grave shorn up and girdled and cast with dread import across the clanging night and down remoter slopes between the dark and darkness yet to come.
Dit is een storm vanuit het perspectief van Suttree, maar het lijkt een spookachtige nachtmerrie.
Veel ellende en armoe, en toch is het zoals gezegd ook een humoristische roman. Werkelijk komische stukken zijn bijvoorbeeld de passage van de ‘goatman’ (een rare kwibus die het verkeer in Knoxville lamlegt met zijn kudde geiten) aan wie Suttree vraagt of hij nog andere dieren heeft, waarop deze antwoordt: ‘No. Just goats. I think a feller gets started with goats he just more or less sticks to goats.’; of wanneer Leonard (een vriend) aan Suttree vraagt of hij zijn boot mag gebruiken om het lijk van zijn vader geruisloos in de rivier te deponeren, – hij wil namelijk de uitkering blijven trekken die hij krijgt vanwege zijn vaders handicap en dus tegen niemand zeggen dat zijn vader al een tijdje gestorven is. Of Suttree’s periode samen met Reese (de schaduw van Twain hangt boven deze episode), een malafide en beroerde sjacheraar die naar eigen zeggen handelt in parels en de schelpen van mosselen, maar als puntje bij paaltje komt veel minder blijkt te verdienen dan hij had beweerd. Bovendien blijkt hij een gokverslaafde hoerenloper en bambocheur wiens strapatsen Suttree tijdens een avondje uit danig de keel uithangen, – het grappige is nu dat Suttree enerzijds walgt van de man en zijn beperkte intelligentie en gewoontes, maar anderzijds toch lustig mee drinkt op café en ook een hoer op schoot neemt (bij hem komt dat weliswaar niet zoals bij Reese neer op schuinsmarcheren). Hij blijft een man van eenvoudige pleziertjes en carpe diem.
Met de oudste dochter van Reese krijgt Suttree na een poosje een verborgen gehouden affaire, misschien de enige echt tedere relatie van de roman, maar die eindigt op gruwelijke wijze met de dood van de jonge vrouw, wat symbool staat voor de brute willekeur van het universum en Suttree’s ongeluk in de liefde. Gedesillusioneerd verlaat hij het gezin. Zijn interacties met vrouwen (meestal lichtekooien) lopen nooit goed af. Hij blijft op eigen houtje baggeren door de modder van het leven. Zo bouwt de roman uiteindelijk op naar een vraaggesprek binnen Suttree’s eigen hoofd, waarin hij voor eens en altijd uiteenzet wat hij vindt van het bestaan:
I believe that the last and the first suffer equally. Pari passu.
Equally?
It is not alone in the dark of death that all souls are one soul.
Op de vraag of hij ergens spijt van heeft, antwoordt hij dat hij de dag betreurt waarop hij een vuist maakte tegen ‘oblivion and against the monstruous facelessness of it’, – van die ijdelheid heeft hij spijt. Hij legt zich neer bij het grote niets dat hem zal verzwelgen.
De roman begint en eindigt met een lijk. Tweemaal is Suttree in de buurt (de tweede keer wordt kortstondig de illusie gewekt dat Suttree zelf de ongelukkige is), en ook scheert hij op andere manieren maar rakelings langs de dood, maar op het einde staat hij nog overeind. Helemaal op het einde wordt beschreven hoe Suttree, die besluit Knoxville (waarschijnlijk voorgoed) te verlaten, maar net op tijd ontsnapt aan de mysterieuze ‘jager met zijn honden’ waar ook in de prelude naar verwezen wordt (zo is de cirkel rond):
An enormous lank hound had come out of the meadow by the river like a hound from the depths and was sniffing at the spot where Suttree had stood.
Althans voorlopig is Suttree de jager te snel af. Zo lang mogelijk moet dat moment uitgesteld worden. ‘Fly them’ (‘them’ zijnde de jager en zijn ‘hounds’) is de grote waarschuwing op het einde van Suttree. Een van de grote Amerikaanse romans van de twintigste eeuw. Weinigen kunnen zich meten met McCarthy als prozaïst, – weinigen dringen even diep door in het zwarte gat op het einde.
door Arthur
