
Voor Seneca zijn polsen oversneed op bevel van Nero, vroeg hij of hij zijn testament mocht opmaken. Toen dat werd verboden, keerde hij zich naar zijn vrienden om hen te bedanken en te troosten, en zei: dan zal ik jullie mijn enige en dierbaarste bezit nalaten: mijn levenswijze. In deze brieven tekent hij die op in zijn karakteristiek levendige en doorwrochte retorische stijl. De levenswijze is die van de Stoa, opgericht in 300 voor Christus door Zeno van Cition, maar waarvan Seneca de bekendste exponent zou worden.
De algemene teneur van de brieven is: het leven is genadeloos – je weet dat er hobbelige stukken komen, dat je dierbaren zult kwijtraken, dat je zelf zal sterven. Daarom moeten we het lijden repeteren voor het komt: “Rehearse them in your mind: exile, torture, war, shipwreck”. Het heeft geen zin om te treuren bij de natuurlijke gang van de wereld. Het menselijke doel is het ontwikkelen van onze rationele vermogens, en bij de Stoa betekent dat: een goed mens zijn, je niet boven anderen stellen, je niet inlaten met mensen met een slecht karakter (“So long as you keep arrogant company, just so long will conceit stick to you. Cruelty you’ll never say goodbye to while you share the same roof with a torturer. Familiarity with adulterers will only inflame your desires”).
Er is een hardheid in Seneca’s filosofie die vandaag als problematisch zou worden ervaren. Hij pleit ervoor niet te huilen als een vriend is gestorven, niet te klagen over geleden pijn, niet over je gevoelens te spreken tegen vrienden (want niemand zal het voor zichzelf houden). En er is ongetwijfeld een masculien en misogyn element (al zit de liefde voor zijn vrouw Paulina er ook in): “We have to reject the life of pleasures; they make us soft and womanish”.
Maar veel elementen in zijn filosofie zijn net sterk humanistisch. De discipline hangt samen met een vraag alles in perspectief te plaatsen en daarbij de ruimte te zoeken om het goede te doen voor de ander, tegen hypocrisie en holle woorden in. Seneca ontkleedt de wereld, en komt daarbij uit bij het diepmenselijke, en de gelijkheid van eenieder: “Only an absolute fool values a man according to his clothes, or according to his social position, which after all is only something that we wear like clothing.” Daarom lacht hij met de mensen die het vernederend vinden om met hun slaven te eten. Hij stelt dat je van slaaf in een vrij mens kan veranderen, en dat de beste vrienden de slaven in je eigen huis kunnen zijn, als je je maar openstelt om naar hen te luisteren als volwaardige gesprekspartners:
‘They’re slaves’, people say. No, they’re human beings. ‘They’re slaves.’ But they share the same roof as ourselves. ‘They’re slaves.’ No, they’re friends, humble friends. ‘They’re slaves.’ Strictly speaking, they’re our fellow slaves, if you once reflect that fortune has as much power over us as over them.
Een prachtige passage: Seneca toont de leegheid van het argument ‘they’re slaves’, door te laten zien dat het geen argument is maar een dogma dat zichzelf alleen kan herhalen. En wanneer hij de ander niet kan overtuigen door de menselijkheid van de slaaf te benadrukken, draait hij het om: goed, het zijn slaven, maar dan zijn jij en ik dat ook; slaven van de grillen van het lot. Hij toont de immoraliteit van fysiek geweld tegen slaven, de beestachtigheid van de gladiatorenspelen, hij roept steeds op tot mededogen – stel je in iemands anders plaats. In die zin vloeit er uit zijn stoïcijnse filosofie ook een zachtheid voort; de mildheid voor de ander, zoals in de grappige scene waarin hij toekomt op zijn landgoed in Alba en er blijkt niets klaar te staan. In plaats van de kok uit te schelden, zoekt hij mee naar brood, en wanneer dat niet aanwezig is, knabbelt hij rustig op een oude homp.
Maar ook in zijn hardheid is hij over het grote deel overtuigend. Het is in ieder geval een filosofie om doorheen te denken. Mensen worden aangetrokken tot plezier, uiterlijk en politiek gewin, en afgestoten door dood, pijn, schande en armoede. Om niet te hunkeren naar het plezier en niet weg te schrikken van de smart, moet je de strijd volgens Seneca omgekeerd voeren: het plezier weerstaan en het enge in het gezicht durven te kijken. Hij vergelijkt het met een berg beklimmen: de weg naar beneden gaat makkelijker, maar alleen met de weg naar de top bereik je het uitzicht.
Steeds opnieuw benadrukt hij dat je genoeg moet hebben aan jezelf. Dat betekent niet: elk plezier ontzeggen, geen vrienden meer zien – dat moeten net ontspannende zaken worden in plaats van noodzakelijkheden. Het gaat erom verheven idealen door te trekken in het eigen leven zonder vertoon, te ontsnappen aan meerderheidsdenken, in de spiegel te kunnen kijken en de zwaarte van het leven te dragen. In twee passages schrijft hij over mensen die reizen om aan zichzelf te ontsnappen. Onmogelijk, stelt Seneca: je moet in jezelf thuiskomen voor je de veelkleurigheid van de wereld in de diepte kan proeven; anders is reizen niets anders dan zwerven. In die zin is het een misvatting dat de Stoa de kleuren van het leven wil uitwissen; het gaat er net om doorheen de hardheid door te dringen tot de echte bevrediging.
Ook in zijn filosofie roept Seneca op tot het bouwen van een eigen weg:
Assume authority yourself and utter something that me be handed down to posterity. Produce something from your own resources. This is why I look on people like this as a spiritless lot – the people who are forever acting as interpreters and never as creators, always lurking in someone else’s shadow.
Sapere aude, in de eerste eeuw na Christus. Hij gebruikt de metafoor van wegen: het is goed om de oude wegen te gebruiken, maar als er een snellere kleine weg is, maak die dan open. Verstop je niet achter anderen.
Het doet me denken aan wat de saxofonist Alabaster Deplume eens zei tijdens een concert: niemand is me ooit komen vragen: Alabaster, wanneer begin je een band met totaal geflipte saxofoonmuziek? Alabaster probeerde een gelijkaardig besef te ontlokken: er liggen ongetwijfeld dieptes verborgen in eenieder, maar je zal het zelf naar boven moeten halen. En hoezeer we ook willen geloven in een solidaire wereld van wederzijdse erkenning; het is niets anders dan een feit van het leven dat de ultieme verantwoordelijkheid bij onszelf ligt. We moeten zelf ons leven en onze menselijkheid invullen, en we kunnen die taak niet licht opvatten binnen het korte tijdsbestek van ons leven, omringd door onrecht.
De eindigheid staat centraal in Seneca’s filosofie, en tegelijkertijd verdwijnt de dood net door de eindigheid. Het is omdat de dood ons omringt (Seneca stelt dat we niet alleen doodgaan, maar ook dood waren voor onze geboorte) dat we de kracht vinden om niet terneergedrukt te worden door het leven – het had er even goed niet kunnen zijn. Het is even dwaas volgens hem om te wenen dat je duizend jaar geleden niet leefde dan dat je binnen duizend jaar niet meer zal leven. Wanneer een vriend van hem op sterven ligt, troost hij hem dat alles vergankelijk is: de steden, de bergruggen, de aarde (hij zegt er wijselijk niet bij of dat geholpen heeft). Dood heeft een slechte naam omdat niemand ons erover kan vertellen. Seneca herwaardeert de dood; volgens hem is er niets groots in leven – alle dieren en planten doen het – de ware mens kan eervol sterven. “Rehearse death’. To say this to a person is to rehearse his freedom.”
Seneca’s stijl is groots – hij is door en door geworteld in de retorische traditie. Hij citeert geregeld verzen en zinsnedes van Homeros, Vergilus, Cicero en Epicurus. Soms herhaalt hij zichzelf, maar het zijn dan ook brieven. Er zijn prachtige observaties, zoals wanneer hij toont dat we niet kunnen ontsnappen aan ons lichaam en dat acteurs in die zin nooit de volledige menselijke ervaring kunnen vatten: “A blush is something they can never manage to reproduce”. Zijn opmerking dat we zelfs in rouw er niet in slagen alleen voor onszelf te rouwen: “The miserable folly of it all – that there should be an element of ostentation in grief!” Zijn blijdschap over het handschrift van een vriend, een geschenk van nabijheid in de brief. Of zijn beschrijving van de polen van het leven: “It is by means of opposities that eternity endures”. Er zijn reflecties over bombastische en minimalistische stijl (“the former removes the hair from its legs as well, the latter not even from its armpits”), psychologie (“to be feared is to fear”), dronkenschap (“nothing but a state of self-induced insanity”) en vegetarisme (“man has enough food to sustain him without shedding blood”), telkens met even scherpe verwoordingen en onverwachte metaforen.
De redactie in de Penguineditie is bij momenten grappig arbitrair; zo zijn er ergens 17 lijnen weggelaten “in which Seneca appears to claim for philosophy complete and certain knowledge of the truth”. Ik had zijn geloof in de filosofie er toch graag bij gehad. Zijn liefde voor de filosofie – of zoals hij het noemt de “pursuit of wisdom” is prachtig oprecht: “There is really only one liberal study that deserves the name – because it makes a person free – and that is the pursuit of wisdom.” En nog: “I have no respect for any study whatsoever if its end is the making of money”.
Filosofie betekent bij hem levenskunst, het geven van raad. Die definitie kan moraliserend aandoen, maar er zit ook een diep besef in van de kracht van filosofie, die moet blijven doordringen naar wat ons het meest menselijk maakt. Seneca richt zijn pijlen herhaaldelijk op de ontwikkelingen die van filosofie een puzzelstudie willen maken, waarbij iedereen zich zo verliest in de details dat het er meer om gaat scherp uit de hoek te komen dan om wijsheid te verkrijgen. Seneca is hilarisch sarcastisch in zijn aanval:
‘Mouse is a syllable, and a mouse nibbles cheese; therefore, a syllable nibbles cheese.’ Suppose for the moment I can’t detect the fallacy in that. What danger am I placed in by such lack of insight? What serious consequences are there in it for me? What I have to fear, no doubt, is the possibility, one of these days, of my catching a syllable in a mousetrap or even having my cheese eaten up by a book if I’m not careful. […] Is this what we philosophers acquire wrinkles in our brows for? Is this what we let our beards grow long for? Is this what we teach with faces grave and pale?
Er zit waarheid in. Filosofie is voor hem het oordeel opheffen, durven stil te staan. Ook in redevoeringen maant hij zijn correspondenten aan tot nuance en zelfbeheersing: “I am telling you to be a slow-speaking person”, maar zonder in ‘oversubtiliteit’ te vervallen – die verdonkeremaant het bredere beeld.
Wat me misschien nog het meest raakt in deze brieven zijn de glimpen van het leven van de eerste eeuw na Christus in de Romeinse wereld. De ‘nieuwste modes’ van de keuken en de huifkarren, de plekken vanwaar Seneca schrijft, de boten vanuit Alexandrië die aanmeren in Poteoli waarbij iedereen een zeil van een schip uitkiest. Ook in die kleine levensbeschrijvingen behoudt hij zijn observatiekracht, stijl en humor. Zoals wanneer hij zijn extreme zeeziekte beschrijft en het inzicht dat hem trof tijdens het roeien naar de kant: nu weet ik waarom Odysseus tien jaar deed over zo’n korte tocht en overal moest aanmeren – “he was given to seasickness like me”!
Was alle filosofie maar zo’n leesgenot!
door Ana
