Gwendolyn Bennett: Song

I am weaving a song of waters,
Shaken from firm, brown limbs,
Or heads thrown back in irreverent mirth.
My song has the lush sweetness
Of moist, dark lips
Where hymns keep company
With old forgotten banjo songs.
Abandon tells you
That I sing the heart of race
While sadness whispers
That I am the cry of a soul …
A-shoutin’ in de ole camp-meeting-place,
A-strummin’ o’ de ole banjo.
Singin’ in de moonlight,
Sobbin’ in de dark.
Singin’, sobbin’, strummin’ slow …
Singin’ slow, sobbin’ low.
Strummin’, strummin’, strummin’ slow …
Words are bright bugles
That make the shining for my song,
And mothers hold down babies
To dark, warm breasts
To make my singing sad.
A dancing girl with swaying hips
Sets mad the queen in the harlot’s eye.
Praying slave
Jazz-band after
Breaking heart
To the time of laughter …
Clinking chains and minstrelsy
Are wedged fast with melody.
A praying slave
With a jazz-band after …
Singin’ slow, sobbin’ low.
Sun-baked lips will kiss the earth.
Throats of bronze will burst with mirth.
Sing a little faster,
Sing a little faster,
Sing!

Dit bitterzoete lied van Gwendolyn Bennett (1902-1981) klinkt vandaag ironisch genoeg nog steeds niet luid genoeg. Bennett is één van de veelzijdige kunstenaars-schrijvers uit de Harlem renaissance, de culturele beweging in Harlem die een nieuwe wind deed waaien door de Afro-Amerikaanse kunst en cultuur met schrijvers die schreven met en over zwarte trots. Het is een oproep de stem te verheffen, om doorheen gesmoord lijden de sluimerende kracht naar boven te brengen. Bennett weeft ‘een lied van wateren’, ‘shaken from firm, brown limbs’. Ze speelt met de stereotypes van het zwarte lichaam – de knoestige bouw, de zongebakken lippen, de wiegende heupen – maar eigent ze toe. Tegenover de karikatuur van de minstrelsy – de racistische theatertraditie die zwarte mensen reduceerde tot racistische stereotypes, gespeeld door witte acteurs met blackface, en grote invloed had op het beeld van Afro-Amerikanen bij witte Amerikanen – toont ze de dieptes die in haar volk verborgen liggen. Ze dringt naar ‘the heart of race’, een gedeelde ziel gevuld van tranen door de onderdrukking, maar die ondanks alles stand heeft gehouden, zichzelf trouw is gebleven. In de wiegende heupen van de zwarte prostituee zit de elegantie van een koningin. Op de volle zwarte lippen rusten hymnes en vergeten banjoliedjes. Haar lied is een oproep voor die ziel om zelf te zingen. Als in haar gedicht Heritage; ‘I want to feel the surging / Of my sad people’s soul / Hidden by a minstrel-smile’. Het is een oproep om de zwarte stem zelf te laten klinken, weg van de destructieve karikaturen en onderdrukking. De herhaalde imperatief ‘sing a little faster / sing a little faster / sing!’ is een rusteloos gebod om de ketenen af te schudden en alle verborgen liederen te laten zegevieren. De opdracht bij haar gedicht ‘To Usward’ van een jaar eerder kon evenzeer aan Song voorafgaan: ‘Dedicated to all Negro Youth known and unknown who have a song to sing, a story to tell or a vision for the sons of earth.’ (in dat gedicht beeldt ze de stille kracht van de zwarte ziel prachtig af als gemberpotten op een Chinees schap, die niet stilstaan uit lethargie maar vanbinnen groeien met een eeuwenlange erfenis).

Het is een ‘song’, omdat de muziek doorheen de ellende heeft standgehouden, omdat de ketenen de liederen niet hebben kunnen smoren. Zelfs in die ketenen blaast Bennett muziek: ze ‘klinken’, de vernederingen van de slavernij en minsrelsy zijn ‘wedged fast with melody’. De woorden zijn ‘bugels’ (een blaasinstrument in de brazz bands), die de stilte doorbreken. En het toekomstbeeld van de zongebakken lippen die de aarde zullen kussen – hun plaats en vrolijkheid zullen heroveren – geschiedt door de muziek; doorheen het brons van de blaasinstrumenten, de kelen die zingen, het gebod ‘zing, zing, zing!’.

Het lied gaat over muziek en is zelf een lied; de taal zingt in de volkstaal, in de herhalingen, de alliteraties en de rijm:

A-shoutin’ in de ole camp-meeting-place,
A-strummin’ o’ de ole banjo.
Singin’ in de moonlight,
Sobbin’ in de dark.
Singin’, sobbin’, strummin’ slow …
Singin’ slow, sobbin’ low.
Strummin’, strummin’, strummin’ slow …

Het doet denken aan Langston Hughes’ bekende The weary blues, geschreven in Harlem datzelfde jaar, 1925, waar Hughes de tonen van de blues zijn poëzie binnentrekt:

[…]
With his ebony hands on each ivory key
He made that poor piano moan with melody.
O Blues!
Swaying to and fro on his rickety stool
He played that sad raggy tune like a musical fool.
Sweet Blues!
Coming from a black man’s soul.
O Blues!
[…]

Net als Hughes schrijft Bennett ‘jazz poetry’, die de ritmes en vitaliteit van de muziek naar de taal brengt. Die vitaliteit is zo krachtig doordat ze niet om het lijden heengaat, maar het integraal meeneemt: laag en langzaam klinkt het zingen, huilen, tokkelen. De herhalingen worden semantisch betekenisvol als de lengte van het lijden en het vechten. ‘I love you for the breaking sadness in your voice’, schrijft Bennett in de ode To a Dark Girl. Het samenspel tussen vitaliteit en droefheid is gebald in antitheses: ‘irreverent mirth’ (oneerbiedige vrolijkheid), klinkende ketenen, zingen en huilen, koningin en hoer, de stilte van de biddende slaaf tegenover het geweld van de jazzband.

Een expressionistische duisterheid komt terug in andere gedichten als Hatred (‘I shall hate you / Like a dart of singing steel / Shot through still air / At even-tide, / Or solemnly / As pines are sober / When they stand etched / Against the sky’) of sonnet 1 (waarin de geliefde met trage voetstappen en zorvuldig lage stem de dood blijkt te zijn: ‘All life seemed born in my intaken breath; / All thought seemed flown like some forgotten dove. / He bent to kiss and raised his visor’s lace… / All eager-lipped I kissed the mouth of Death.’). Gecombineerd met sensuele beelden als de lippen, de wiegende heupen, de donkere warme borsten; en met de magie van koninginnen en verborgen erfenissen componeert Bennett gelijktijdig een vitalistisch zelfbevestigend beeld en een hartverscheurende ‘cry of a soul’.

Bennetts gedichten zijn ijzersterke oproepen voor een zwarte stem – met een diep besef dat een zwarte renaissance in feite een opnieuw opeisen is van een cultuur die nooit vernietigd kon worden. Tegelijkertijd zijn het esthetische meesterwerken, en is de boodschap altijd meer dan boodschap, of wint die haar kracht precies doorheen een stijl en stem die zelf de grootste lof verdienen. Dat betekent dat we niet enkel mogen blijven stilstaan bij haar tijdsgeest van hernieuwde zwarte trots, maar precies doorheen die oproep naar esthetische kracht breken. Bennett componeerde moeiteloos sonnetten en kwatrijnen, ze schilderde bevreemdende landschappen en portretten in expressieve kleuren, en haar ritmes zijn groots: ‘Praying slave / jazz-band after / breaking heart / to the time of laughter’. Ze verdient meer dan een plaats op weinig bezochte black history websites. Pas dan kan haar lied in zijn volle omvang klinken.

door Ana

Plaats een reactie