
Het ochtendgloren is zoals de meeste van Colettes boeken autofictie, hier nog sterker dan elders: hoofdpersonage en schrijfster is ‘Madame Colette’, die een zomer in de Provence beschrijft, in haar eigen huis van La treille-muscate in de havenstad Saint-Tropez. Ze tekent zichzelf als een oudere vrouw die de liefde en het woelige leven achter zich probeert te laten, en op het ritme gaat leven van de natuur en de zee. Een driehoeksverhouding vormt de crux van het verhaal; in het centrum staat de schrijvende en reflecterende Colette zelf, omringd door haar planten en haar katten, tuinierend, zwemmend in de zee; er is Valère Vial, de veel jongere buurman die vanuit zijn ‘dobbelsteen’ een huis verder naar haar kijkt en met wie ze een zomerse romance beleeft zonder dat die hen dichter bij elkaar brengt; en Helène Clement, een jonge schilder die verliefd is op Vial, maar weet dat Colette zijn minnares is en uit bewondering voor Colette er niet in slaagt open en volwassen voor de dag te treden. Errond cirkelen nog wat schilders en hun vrouwen die hun zomers rond de baai doorbrengen, elkaar aan het strand ontmoeten en aanschuiven aan elkaars tafel. Maar verhaal is haast te veel gezegd; de schrijfsituatie zit dicht op de gebeurtenissen – Colette schrijft de nachten na ontmoetingen en gebeurtenissen – en toch is er een afstand die alle personages zonder persoonlijkheid laat.
Het echte hoofdpersonage is zoals in zoveel van Colettes boeken de natuur; voor een keer vormt niet zij de achtergrond, maar wel de personages die de vrijgeleide zijn voor Colettes prachtige taalbuitelingen in haar natuurbeschrijvingen. De materialiteit en Colettes kennis van de fauna en flora is de rijkdom van haar stijl. De eerste pagina introduceert geen personages, maar krekels, mandarijnbomen en het blauw van de zee. Wie schrijft met meer liefde over tuinen, vogels, katten en geuren dan Colette? Haar stijl bestaat uit langgerekte opsommingen van de meest specifieke planten en dieren in een bonte synesthetische mengeling. De Nederlandse vertaling van Evelien van Leeuwen is uitmuntend en bewijst dat vertalingen kunstwerken op zichzelf zijn; je proeft de schoonheid van het Nederlands. En toch – en dat is geen weerlegging van de vorige zin – is het een verademing het Franse origineel te lezen, omdat Colettes taal nog zoveel natuurlijker vloeit – er komt een zwaarte bij het proberen transponeren van een zo maximalistische stijl, die me onmogelijk te omzeilen lijkt.
Gevoel en natuur lopen in elkaar over: ‘mijn zomer met open ramen, klapperende deuren, mijn zomer met kransen jonge, jasmijnwitte knoflook…’. Als er al een thema is, dan eerder de zoektocht naar de afstand zelf. En ook daarin zal de aarde een beslissende rol spelen; in het huis en de tuin vindt Colette een belofte van vrijheid, van een nieuw begin op oudere leeftijd. Tuinieren is opnieuw beginnen: ‘de aarde die je opent, heeft geen verleden meer, vertrouwt alleen op de toekomst’. Het omwoelen bindt ogen en geest aan de aarde, en zo probeert ze weg te trekken van haar afhankelijkheid van anderen. Dat slaagt gedeeltelijk; de personages met wie ze haar dagen deelt zijn nooit echt nabij. Colette schildert hen als menselijk, al te menselijk. Daarin bereikt ze vaak een fijne humor: het meisje Clément brengt haar een schilderij dat ‘een beetje te degelijk’ is, en kan zich niet losweken van haar imago van burgerlijk juffertje, hoe graag ze ook bij de schilders wil horen. Wanneer ze haar liefde voor Vial onhandig wil duidelijk maken, kan ze geen masker ophouden: ‘een sfeer van radeloos blond meisje ging van haar uit, hoe ze ook uit alle macht zweeg’. In die kleine opmerkingen is Colette zo gevat, dat ze in een paar trekken de meest menselijke bewegingen weet te vatten zonder er verder op in te gaan (zoals ‘iemand de eer bewijzen verlegenheid te tonen’).
Ook bij Vial is er die afstand; ze vindt hem mooier als ze zijn gezicht niet ziet; hij is jong en sterk, maar wordt niet ernstig genomen. Toch is die afstand nooit volledig, en ook dat wordt gevoeld doorheen natuurervaringen: ‘Door de deur kwam een kou, voortgebracht door de vijandschap tussen de adem van de nieuwe dag en de lucht van gisteren die nog warm was van ons beider lichamen’. Haar relatie tot Vial is voortdurend ambigu, ze verwijdert zich evenveel van hem als dat hij de zomers hun betekenis geeft. Dezelfde ambiguïteit zit in de liefde zelf, waarin een mateloosheid heerst die het zoete steeds transformeert tot het mierzoete en plakkerige, gunsten veranderen in pathologieën: ‘Geven wordt een soort neurose, een wreed spel, een egoïstische rage. ‘Kijk eens, een nieuwe das, een beker warme melk, een levend brok van mezelf, een pakje sigaretten, een gesprek, een reis, een zoen, een raad, mijn veilige armen, een idee. Neem het aan! En weiger in godsnaam niet als je niet wilt dat ik van overvloed sterf. Ik kan je niet minder geven, zie maar dat je het redt!’ Colettes taal is buitengewoon, maar het is samen met die intelligente tegendraadsheid dat ze zich tot wereldliteratuur verheft.
Via de natuurtekening en haar liefde komt ze terecht bij de verhouding tot haar moeder, zoals al aan het begin duidelijk wordt: ‘Tout est ressemblant aux premières années de ma vie’. Het is ‘un fantôme maternel’ die de gieters vult aan de rand van de put. Ze weeft haar moeder door het verhaal via reflecties en via brieven; een brief van haar moeder opent de roman, en later volgen er andere. Zo krijgt de moeder een ongefilterde stem en krijgt Colettes schrijven een spiegel in het schrijven van haar moeder, dat Colette herhaaldelijk bestempelt als mooier en dichter bij het leven. Tegelijkertijd worden de brieven deel van Colettes compositie en geeft ze de verhouding met haar moeder zo letterlijk de plaats die het haar uitkomt in haar werk.
Ook haar zoektocht blijkt een spiegel van haar moeders zoektocht, de liefde achter zich te laten en het leven naakt in het gezicht te kijken: ‘voortaan moeten mijn droefheid als ik bedroefd ben, mijn vrolijkheid als ik vrolijk ben het zonder de reden stellen die daarvoor dertig jaar lang heeft gegolden: de liefde’. Vial en de laatste geliefde van haar moeder – een wolkoopman waar ze dagelijks mee schaakt – schuiven aan het einde over elkaar heen: ‘petit marchand de laine, – je veux dire Vial, mais c’est le même parfait amant’.
Het lijkt een masochistische beweging; Colette duwt Helène Clement in de handen van Vial om zelf haar rust te vinden, ontkent haar eigen gevoelens en laat de jeugd haar plaats innemen. En ze erkent de pijn: het einde van de relatie is ‘verschrikkelijk triest’, wat ze vijf keer letterlijk herhaalt, als om zichzelf op de rauwe werkelijkheid te drukken. Maar tegelijkertijd met haar eigen eenzaamheid schept ze haar eigen vrijheid; een negatieve vrijheid – het loskomen van liefdes – die uiteindelijk uitmondt in de positieve vrijheid het leven voor zichzelf te kunnen proeven, zoals ze aan Vial duidelijk maakt in de ijzersterke afscheidsscène:
‘Faire peau neuve, reconstruire, renaître, ça n’a jamais été au-dessus de mes forces. Mais aujourd’hui il ne s’agit plus de faire peau neuve, il s’agit de commencer quelque chose que je n’ai jamais fait. Comprends donc, Vial, c’est la première fois, depuis que j’ai passé ma seizième année, qu’il va falloir vivre – ou même mourir – sans que ma vie ou ma mort dépendent d’un amour. C’est si extraordinaire… Tu ne peux pas le savoir… Tu as le temps.’
En zo wordt de zoektocht het omgekeerde van masochisme, er zit iets zo krachtigs in Colettes ontkenning, iets dat ik niet anders kan dan ook feministisch noemen, een strijd in en door het boek. Het schrijven is ook thematisch aanwezig; ze thematiseert zichzelf voortdurend schrijvend, de liefde weg schrijvend, in de nacht – als andere kant van het leven dat zichzelf niet laat bepalen, de pure zintuiglijkheid van het strand en de wijn – haar hand op het papier. In het boek laat ze zo haar nieuwe dageraad (la naissance du jour) aanvangen, en het boek eindigt dan ook niet toevallig met het koude blauw van de dageraad; het boek zelf is de tocht, en doorheen de tocht schept ze de nieuwe dag.
De luciditeit van die beweging is een besef dat bij de lezer zelf moet doordringen tijdens het lezen. Er is een risico aan de vertelstijl van de mijmering in het schilderachtige landschap, die kan weglezen als een romantische gevoelsnovelle. Men moet al bewust halthouden om de subtiliteit tussen de lijnen ten volle te waarderen – het schaken van de wolkoopman met de moeder is tegelijkertijd het schaken van een geliefde, waarbij de wolkoopman zich uiteindelijk de betere schaker toont, en zo Colettes moeder toch aan zich heeft weten te binden.
Net zo ziet Colette zich aan het einde van het boek geconfronteerd met haar eigen menselijkheid; ze voelt zich langzaam versmelten met de vrouw die ze zo vaak geschilderd heeft, maar kan niet meer geloven aan dat samenvallen met haar personage: ‘je ne me fie plus à mes apparences, ayant connu le temps où, tandis que je peignais cette isolée, j’allais page à page montrer mon mensonge à un homme en lui demandant : « Est-ce bien menti? »’. Dat maakt de hooghartige toon van de rest van het boek nog zoveel sterker, de toegeving dat het personage altijd groter zal zijn dan leven zorgt ervoor dat het personage zelf ruim uitstijgt boven het bordkarton. Als iemand de kleuren van de bitterzoete liefde en het bitterzoete leven heeft weten te schilderen, dan is het Colette.
door Ana
