Gedicht van de week: Zbigniew Herbert – Een gelijkenis

Een gelijkenis

De dichter volgt de vogelstemmen na
rekt zijn lange hals
en zijn uitpuilende adamsappel is
als een lompe vinger op de vleugel van de melodie

al zingend gelooft hij diep
dat hij het opgaan van de zon bespoedigt
daarvan hangt de warmte van zijn zang af
en de zuiverheid van zijn hoge tonen

de dichter volgt de slaap van stenen na
met zijn hoofd in zijn armen
is hij als een stukje van een beeld
dat met pijn en zelden ademhaalt

al slapend gelooft hij dat hij alleen
het bestaansgeheim doorgronden zal
en dat hij zonder hulp van theologen
de eeuwigheid zal vangen in zijn mond die dorst


wat zou de wereld zijn
als ’s dichters onvermoeid gescharrel
tussen de vogels en de stenen
haar niet zou vullen

Een standbeeld voor Gerard Rasch (1946-2004), werd geopperd door de eminente literatuurcriticus Michaël Zeeman bij het verschijnen van Rasch’ bloemlezing van Czeslaw Milosz. We kunnen hem alleen maar bijvallen: de man die fungeerde als de ‘grote bemiddelaar tussen de Poolse ziel en ons verstand’, in de woorden van Benno Barnard, heeft onschatbaar werk verricht met zijn sublieme vertalingen van de Grote Drie van de moderne Poolse poëzie, Milosz, Szymborska en Herbert. Die eerste twee kregen de Nobelprijs; Herbert (1924-1998) niet, wat hij maar matig kon appreciëren. Zonder enige twijfel een schuldig verzuim van het Nobelprijscomité, maar de heren in Stockholm scheppen er nu eenmaal een duivels behagen in Oost-Indisch doof te blijven voor jarenlange smeekbedes; hun wegen zijn ondoorgrondelijk. Herbert is één van de groten, daar helpt geen moedertjelief aan; laten we ons dus concentreren op het gekozen gedicht.

In ‘Een gelijkenis’ schildert Herbert een portret van de dichter dat zowel liefdevol als sardonisch-ironisch is; bijtend en mooi tegelijk. Eigenlijk zit alles al in het eerste kwatrijn, waar hij aanvoert hoe de dichter denkt zoals de vogels te zijn, maar schromelijk faalt:

De dichter volgt de vogelstemmen na
rekt zijn lange hals
en zijn uitpuilende adamsappel is
als een lompe vinger op de vleugel van de melodie


De adamsappel zit in de weg. Geestig en wrang tegelijk: onze woorden zullen nooit de elementaire schoonheid van vogelgezang evenaren. Maar dat weet de dichter gelukkig niet: hij blijft onkundig van zijn lompe adamsappel (wat het tragikomische effect versterkt) en gelooft dat het bestaan van de wereld van hem afhangt:

 al zingend gelooft hij diep
dat hij het opgaan van de zon bespoedigt
daarvan hangt de warmte van zijn zang af
en de zuiverheid van zijn hoge tonen


Of toch dat hij het opgaan van de zon bespoedigt; Herbert alludeert op een fenomenologische reciprociteit, de dichter en de zon hebben elkaar nodig en versterken elkaar. Dat gelooft de dichter ‘diep’, tenminste terwijl hij aan het zingen is, – een niet onbelangrijk detail: het impliceert dat het goed mogelijk is dat de dichter wanneer hij in stilte verblijft meer aan twijfels onderhevig is en zichzelf een minder grote rol toedicht op het wereldtoneel. Al dichtend en zingend groeit hij naar de zon toe en gelooft hij in zijn belang, zoals sommigen alleen tijdens de rituelen en het gezang van de liturgie tot waar ‘geloof’ komen.

Je kunt deze regels ook zien als de sceptische en ironische variant op de prachtige regels De morgen hangt aan regels/de taal komt nooit te laat van Guillaume van der Graft, waarmee hij uitdrukking gaf aan zijn geloof in de primauteit van taal (misschien teruggaand op Genesis, waar God, en dat is niet zomaar een detail, middels de act van het spreken, en dus via woorden, aarde en hemel en alle andere dingen schept, vandaar dat Johannes ook zegt: ‘In het begin was het Woord’): Herbert is daar minder zeker van, of zorgt er althans voor dat de dichter met beide voetjes terug op de grond valt.

de dichter volgt de slaap van stenen na
met zijn hoofd in zijn armen
is hij als een stukje van een beeld
dat met pijn en zelden ademhaalt


al slapend gelooft hij dat hij alleen
het bestaansgeheim doorgronden zal
en dat hij zonder hulp van theologen
de eeuwigheid zal vangen in zijn mond die dorst


Hier gaat het om de dichter in zijn contemplatieve staat: hij eigent zich de monumentale rust en het eeuwige peinzen van stenen toe, ‘met zijn hoofd in zijn armen’ (wat bij mij een dantesk beeld oproept van een stakker in de hel wiens straf het is zijn eigen hoofd als een voorwerp vast te houden), om zo tot het grote bestaansgeheim te komen. De dichter heeft dorst naar de eeuwigheid en denkt die in de stille individuele contemplatie te kunnen vinden. En dat ‘zonder hulp van theologen’; de dichter denkt alles alleen aan te kunnen. Ook opvallend: dat de dichter gelooft de eeuwigheid ‘in zijn mond’ te vangen, wat weer verwijst naar de vermeende primauteit van de woorden en het verbale. Rest enkel nog de mooie laatste strofe:

wat zou de wereld zijn
als ’s dichters onvermoeid gescharrel
tussen de vogels en de stenen
haar niet zou vullen


Hier is de ironie compleet, – maar zoals eerder al gesteld, is het niet enkel en alleen ironie: de ironie wordt zelf geïroniseerd, aangezien Herbert deze ‘boodschap’, om het even zo te noemen, in de vorm van een (mooi) gedicht gegoten heeft. In principe kan dit kwatrijn, en zelfs het hele gedicht, in volmaakt dubbele zin worden gelezen, zowel oprecht als ironisch. Dit laatste kwatrijn kan betekenen: alles krijgt pas gestalte in de verzen van dichters, de materiële werkelijkheid is er altijd al, maar het is de dichter die alles van waarde opgraaft en leven inblaast. Dankzij de dichter zien we: vandaar dat hij de werkelijk vult, als een tweede demiurg.

Maar ook kan het betekenen: wie denkt de dichter eigenlijk dat hij is, scharrelend op dit ondermaanse, in feite niets meer voorstellende dan een vogel of een steen?
Volmaakte ambivalentie, van Zbigniew Herbert. Zijn Verzamelde gedichten, vertaald door Gerard Rasch, zijn vrijwel over de hele lijn briljant.

door Arthur

Plaats een reactie