
Enereida
Mi padre, apenas,
en la mañana pajarina, pone
sus setentiocho años, sus setentiocho
ramos de invierno a solear.
El cementerio de Santiago, untado
en alegre año nuevo, está a la vista.
Cuantas veces sus pasos cortaron hacia el,
y tornaron de algún entierro humilde.
Hoy hace mucho tiempo que mi padre no sale!
Una broma de niños se desbanda.
Otras veces le hablaba a mi madre
de impresiones urbanas, de política;
y hoy, apoyado en su bastón illustre
que sonara mejor en los años de Gobernación,
mi padre está desconocido, frágil,
mi padre es una víspera.
Lleva, trae, abstraído, reliquias, cosas,
recuerdos, sugerencias.
La mañana apacible le acompaña
con sus alas blancas de hermana de caridad.
Día eterno es éste, día ingenuo, infante
coral, oracional;
se corona el tiempo de palomas,
y el futuro se puebla
de caravanas de inmortales rosas.
Padre, aún sigue todo despertando;
es enero que canta, es tu amor
que resonando va en la Eternidad.
Aún reirás de tus pequeñuelos,
y habrá bulla triunfal en los Vacíos.
Aún será año nuevo. Habrá empanadas;
y yo tendré hambre, cuando toque a misa
en el beato campanario
el buen ciego mélico con quien
departieron mis sílabas escolares y frescas,
mi inocencia rotunda.
Y cuando la mañana llena de gracia,
desde sus senos de tiempo,
que son dos renuncias, dos avances de amor
que se tienden y ruegan infinito, eterna vida,
cante, y eche a volar Verbos plurales,
jirones de tu ser,
a la borda de sus alas blancas
de hermana de la caridad, ¡oh, padre mío!
***
Nederlandse vertaling (van mijn hand)
Mijn vader kan,
in de door vogels overhangen ochtend,
amper zijn achtenzeventig jaren, zijn achtenzeventig
wintertakken in het zonlicht brengen.
Het kerkhof van Santiago, gedrenkt
in het vrolijke nieuwe jaar, ligt in het zicht.
Hoe vaak hebben zijn voetstappen hem niet daarheen geleid,
om dan terug te keren van een sobere begrafenis.
Wat heeft mijn vader het huis al lang niet meer verlaten!
Het vrolijke gejoel van kinderen deemstert weg.
Eertijds praatte hij met mijn moeder
over zijn indrukken in de stad, over politiek;
maar vandaag, leunend op zijn eerbiedwaardige stok,
die beter klonk toen hij nog in de regering zetelde,
is mijn vader een onbekende, kwetsbaar,
mijn vader is een vooravond.
Hij zeult en draagt, verward, relikwieën en andere zaken met zich mee,
herinneringen, suggesties.
De zachtaardige morgenstond vergezelt hem
met haar witte vleugels als van een zuster van de liefde.
Een eeuwige dag is dit, een onschuldige dag,
als een koorjongetje of een gebed;
de dag wordt gekroond met duiven,
en de toekomst wordt bevolkt
door karavanen van onsterfelijke rozen.
Vader, alles is nog aan het ontwaken;
het is Januari die zingt, het is jouw liefde
die tot in de Oneindigheid weerklinkt.
Je zult nog lachen met je kleinkinderen,
en er zal een triomfantelijk lawaai klinken te midden van de Leegte.
Er komt nog een nieuw jaar. Er zullen gebakjes zijn;
en ik zal honger hebben, wanneer de klokken van de mis
in de beate kerktoren worden geluid
door de lyrische blinde, met wie ik
mijn schoolse en groene lettergrepen uitwisselde,
mijn ronde onschuld.
En wanneer de ochtend vol genade,
vanuit haar borsten van de tijd,
die twee afwijzingen en twee opmarsen van de liefde zijn,
en die zich uitstrekken en smeken om oneindigheid, om eeuwig leven,
zingen zal en Woorden in het meervoud zal laten vliegen,
flarden van jouw zijn,
op de rand van haar witte vleugels,
als van een zuster van de liefde, o mijn vader!
César Vallejo (1892-1938) was een Peruaans dichter, die met zijn bundels Los heraldos negros (1919) en Trilce (1922) een nieuwe wind liet blazen door de Spaans-Amerikaanse, en bij uitbreiding Spaanstalige poëzie, een wind die nog steeds verwart en bevreemdt: zijn gedichten stellen lezers en exegeten nog steeds voor vragen die niet opgelost raken, voor donkertes waardoorheen je niet kan kijken (maar die je wel volledig omzwachtelen). In dat opzicht verschilt hij van de andere grootheden van zijn continent, Neruda, Paz en Huidobro, wier gedichten weliswaar niet eenvoudig zijn, maar wel begrijpelijk: er valt telkens min of meer een rationele duiding te geven. Bij Vallejo zitten we, net als bij Paul Celan, zonder houvast, we staan voor een worsteling met de taal en met het bestaan die ons naakt achterlaat, er zijn maar een paar kieren die een doorkijkje geven, – maar daar stuiten we op het mirakel van Vallejo’s kunst: hoewel de kern van zijn poëzie fundamenteel onkenbaar en ongrijpbaar blijft, verrukt hij ons toch, en grijpt hij ons vast, en wiegt hij ons heen en weer, zonder dat we zouden kunnen uitleggen waarom; we koesteren een zwak voor zijn lyriek en houden hem dicht bij ons als een kostbaar kleinood, ook al is het een taal die ons vreemd blijft.
Gelukkig is het gekozen gedicht over het algemeen, en naar Vallejo’s maatstaven, niet alleen maar prachtig, maar ook betrekkelijk begrijpelijk, in die zin dat het duidelijk is wat er in het geding is, wie er spreekt en over wie of wat hij spreekt: een zoon spreekt over zijn vader, en spreekt hem ook toe. De nabijheid van de dood, de wijze waarop leven en dood fundamenteel verknoopt zijn, is het centrale thema. De zoon probeert zijn oude vader te troosten en moed in te spreken, maar de schaduw van de dood hangt als een groot doek over het gedicht (en over zijn vader): het gedicht bezingt het leven en het feit dat er nog meer leven en meer tijd zal zijn, maar tegelijkertijd wordt gedoeld op de nakende laatste reis van de vader. Er zal zelden een ambivalenter gedicht zijn geweest, waarbij troost en verdriet, hoop en nihilisme in een volmaakte en verscheurende synthese bij elkaar komen. De Leegte en de Oneindigheid kruisen de degens; de nieuwe dageraad of morgenstond vergezelt, in de hoedanigheid van een zuster van de liefde, een engel met witte vleugels, de oude vader: weeral een begin dat een einde inluidt of ontsluit: de nieuwe dag begeleidt de stervende man naar zijn laatste rustplaats. Het neologisme van de titel bevat die ambivalentie al, de tweestrijd: ‘enero’ betekent januari en slaat op het nieuwe jaar, nieuw leven, het eeuwige voortbestaan van de wereld en de tijd; maar ‘ida’ betekent vertrek en slaat op het verdwijnen van de vader, die het aardse toneel spoedig zal verruilen voor het hemelse.
Vallejo staat bekend om zijn speelse omgang met de taal: hij kon registers op vervreemdende wijze met elkaar vermengen, bijvoorbeeld sacrale taal combineren met spreektaal; maar ook en vooral bedacht hij nieuwe woorden en woordcombinaties, die vertalers voor een moeilijke opdracht zetten. ‘Pajarina’ is een voorbeeld van zo’n neologisme: er zit duidelijk het woord vogel of vogeltje in (pájaro of pajaríto), maar lijkt hier tot een adjectief omgevormd te zijn; vandaar mijn vrije vertaling.
Mijn vader kan,
in de door vogels overhangen ochtend,
amper zijn achtenzeventig jaren, zijn achtenzeventig
wintertakken in het zonlicht brengen.
Het is in elk geval een woord dat tot de verbeelding spreekt, zodanig dat je het vreemd gaat vinden dat het niet bestaat. Vervolgens komt die prachtige metafoor van de vader als boom, wiens winterse takken zich niet meer in het zonlicht uitstrekken: de vader is een huismus geworden, eenzaam teruggetrokken in het donker.
Het kerkhof van Santiago, gedrenkt
in het vrolijke nieuwe jaar, ligt in het zicht.
Hoe vaak hebben zijn voetstappen hem niet daarheen geleid,
om dan terug te keren van een sobere begrafenis.
Wat heeft mijn vader het huis al lang niet meer verlaten!
Het vrolijke gejoel van kinderen deemstert weg.
En dan een schitterend beeld: de vader ziet het kerkhof vanuit zijn raam liggen, de dood die op hem wacht; maar het kerkhof is gedrenkt in het nieuwe jaar. Mensen gaan dood maar het leven gaat verder.
De vader is al naar zoveel begrafenissen geweest, maar is nu al lange tijd binnengebleven, – geïmpliceerd wordt, dat de volgende begrafenis de zijne zal zijn (‘O do not ask, for whom the bell tolls, it tolls for thee’, zou John Donne zeggen), en dat de vader zich daarom angstvallig terugtrekt in zijn huisje, als een weekdier in zijn schelp. ‘Desbandarse’ betekent zoiets als uitwaaieren; vermoedelijk wil Vallejo met die regel uitdrukken dat het ouderlijk huis sinds een poosje verstoken is van kinderlijke drukte. Er is alleen nog de vader en zijn huis.
Eertijds praatte hij met mijn moeder
over zijn indrukken in de stad, over politiek;
maar vandaag, leunend op zijn eerbiedwaardige stok,
die beter klonk toen hij nog in de regering zetelde,
is mijn vader een onbekende, kwetsbaar,
mijn vader is een vooravond.
Hij zeult en draagt, verward, relikwieën en andere zaken met zich mee,
herinneringen, suggesties.
De zachtaardige morgenstond vergezelt hem
met haar witte vleugels als van een zuster van de liefde.
In de volgende strofe worden huiselijke taferelen geschetst, de omgang tussen moeder en vader; cruciale context hierbij, en bij de eerdere strofen, is dat Vallejo’s moeder bij het schrijven van dit gedicht al overleden was; zijn vader bleef dus alleen over. Het gaat hier om een memoriaal van hun vroegere gesprekken. De vader leunt op zijn stok, die begint te verslijten; hij oogt niet meer zo krachtig als vroeger; met de regel ‘mijn vader is een vooravond’ wordt zijn existentiële hoedanigheid, het naken van de grote stilte, subliem gevat. Maar hij staat niet alleen voor die reis: de ‘zachtaardige morgenstond vergezelt hem / met haar witte vleugels als van een zuster van de liefde’, waarbij dat laatste een verwijzing is naar de kloosterorde die gesticht werd op basis van de ideeën van Sint-Vincent. Maar eerder dan aan een non doen de regels aan een beschermengel denken, vanwege de witte vleugels: de nieuwe ochtend ontvangt de vader met open armen, en begeleidt hem. In dit kader is het ook interessant dat het woord ‘nereïde’ in de titel zit: de Nereïden waren in de Griekse mythologie zeenimfen (dochters van de zeegod Poseidon) die zeelui behulpzaam waren tijdens zware stormen; het ligt voor de hand de beschermengel van het gedicht dus als een zeenimf te zien, die de vader begeleidt tijdens diens overdrachtelijke zware storm.
Een eeuwige dag is dit, een onschuldige dag,
als een koorjongetje of een gebed;
de dag wordt gekroond met duiven,
en de toekomst wordt bevolkt
door karavanen van onsterfelijke rozen.
Vader, alles is nog aan het ontwaken;
het is Januari die zingt, het is jouw liefde
die tot in de Oneindigheid weerklinkt.
Je zult nog lachen met je kleinkinderen,
en er zal een triomfantelijk lawaai klinken te midden van de Leegte.
Deze regels zijn als een stoutmoedige opstand tegen de tijd en tegen de dood, een bezwering, waarbij de zoon hoopt door middel van zijn woorden op performatieve wijze voor meer tijd te zorgen, – of weet hij goed genoeg dat zijn vaders tijd erop zit, en zijn dit gewoon troostwoorden? ‘Alles is nog aan het ontwaken’, zegt hij, na zijn vader plotseling rechtstreeks aan te spreken, wat het gedicht een emotionele lading geeft, ‘het is Januari die zingt, het is jouw liefde / die tot in de Oneindigheid weerklinkt’, (merk op hoe Vallejo bepaalde woorden een hoofdletter geeft): weeral erg ambivalent, omdat de Oneindigheid zowel met de dood als met het leven kan worden geassocieerd: zelfs te midden van de troost sluipen er verwijzingen naar de dood tussen. Ook het specificeren van de concrete dag (‘Een eeuwige dag is dit, een onschuldige dag,’) doet vermoeden dat het niet om zomaar een dag gaat – gaat het om de laatste dag? Hij oogt onschuldig, maar leidt naar de eeuwigheid. En let op de bijbelse en religieuze verwijzingen; de duiven, het koorjongetje, het gebed, en de rozen (die soms als symbool geassocieerd worden met het bloed van Christus of met de Heilige Maria). ‘Alles is nog aan het ontwaken’ doet aan Genesis denken, een nieuwe wereld die nog door de mens een naam moet worden gegeven – alles moet nog beginnen, probeert de zoon zijn vader te troosten; en op het einde van de strofe balt hij zijn vuisten samen tegen het Niets en stelt hij: ‘er zal een triomfantelijk lawaai klinken te midden van de Leegte’.
Er komt nog een nieuw jaar. Er zullen gebakjes zijn;
en ik zal honger hebben, wanneer de klokken van de mis
in de beate kerktoren worden geluid
door de lyrische blinde, met wie ik
mijn schoolse en groene lettergrepen uitwisselde,
mijn ronde onschuld.
En wanneer de ochtend vol genade,
vanuit haar borsten van de tijd,
die twee afwijzingen en twee opmarsen van de liefde zijn,
en die zich uitstrekken en smeken om oneindigheid, om eeuwig leven,
zingen zal en Woorden in het meervoud zal laten vliegen,
flarden van jouw zijn,
op de rand van haar witte vleugels,
als van een zuster van de liefde, o mijn vader!
Aldus de duistere slotstrofe, – duister in de zin van raadselachtig (zoals Heraclitus ook ‘de duistere’ werd genoemd), want hij begint nog relatief hoopvol: de zoon schetst een traditie, die zich in het nieuwe jaar opnieuw zal voortzetten, met gebakjes en het luiden van de kerklokken, die de tijd symboliseren; de verwijzing naar de gebakjes in combinatie met de regel ‘ik zal honger hebben’ roept een beeld van de zoon als klein jongetje op, hij verwijst naar iets uit het verleden, maar beweert dat het opnieuw exact zo zal verlopen, alsof er geen tijd verstreken is: uit alles blijkt dat een volwassene hier aan het woord is, zeker als hij vervolgens terugblikt op zijn tijd als schoolgaande jongen, toen hij kennelijk contact had met de blinde die de klokken luidt. De zoon probeert via nostalgie op krampachtige wijze zijn vader dicht bij zich en dus bij het leven te houden, maar weet misschien zelf dat hij daarvoor een fictieve realiteit construeert.
Het tweede gedeelte van de strofe is verwarrend, omdat er een hoofdwerkwoord lijkt te ontbreken (typisch Vallejo), tot duidelijk wordt dat hij als een tweede temporele bijzin fungeert, beginnend met het woord ‘wanneer’. Vallejo eindigt het gedicht met een verwijzing naar de ochtend als beschermengel met vleugels – maar deze keer lijkt de ochtend vanuit haar hemelse hoedanigheid te fungeren als begrafenisondernemer, al is dat hier een veel te prozaïsche term, omdat Vallejo het met poëtische beelden evoceert: de ochtend zal zingen en woorden (of werkwoorden) in het meervoud laten uitvliegen (een erg mysterieus beeld), ‘flarden van jouw zijn / op de rand van haar witte vleugels’ – alsof de vader door een engel in de hemel wordt uitgestrooid na zijn overlijden, met in plaats van lichamelijke asresten woorden en gezang, alsof dat de ware constitutie van zijn vader was. En weeral de ambivalentie, met eerder de beschrijving van de tweeslachtigheid van de ochtend, wier ‘borsten van de tijd’ zowel een afwijzing als een opmars van de liefde zijn, ‘en die zich uitstrekken en smeken om oneindigheid, om eeuwig leven’ – het is alsof de beschermengel verzoekt om meer leven voor de vader, maar een nee op het rekest krijgt, wat leidt tot de slotregels, die impliceren dat de vader dan toch het tijdelijke voor het eeuwige verwisseld heeft. De allerlaatste kreet, ‘o mijn vader!’, kan dan gezien worden als een afscheid, een emotionele uitroep waarbij de zoon een concessie doet aan de dood.
Aldus het voorlaatste gedicht uit de bundel met de donkere naam De zwarte herauten, en Vallejo op z’n allerbest.
door Arthur
