A.B. Yehoshua: A late divorce

Yehoshua vormde lange tijd samen met David Grossman en Amos Oz de Grote Drie van de Israëlische literatuur (of pak Aharon Appelfeld er nog bij voor een Grote Vier), maar sinds zijn overlijden een tijdje terug (14 juni 2022) schiet alleen nog de aimabele Grossman over (Oz en Appelfeld waren al dood). A late divorce, voor zover ik het kan beoordelen subliem vertaald door de vermaarde Hillel Halkin, is één van zijn vroegste romans, en werd later door Harold Bloom bijgezet in diens westerse canon; het is een tragikomisch meesterwerk, lichtvoetig en profetisch tegelijk, en zoals Bloom stelt in zijn recensie een zuivere synthese van symbolisme en naturalisme.

Het verhaal is eenvoudig: een naar de Verenigde Staten geëmigreerde Israëliet komt na lange tijd nog eens op bezoek in Israël, waar zijn vrouw en volwassen kinderen nog resideren, om een officiële scheiding te bekomen, omdat hij in de VS wil hertrouwen. De familierelaties zijn erg stroef: eigenlijk is Yehuda, zoals de vader heet, zowel vervreemd van zijn vrouw als van zijn drie kinderen, Tsvi, Ya’el en Asi. Er hangt een donkere schaduw over zijn vertrek en het verleden: Yehuda alludeert enkele keren op een moordpoging op hem van zijn vrouw, wat voor hem de druppel was: zij was tijdens de nadagen van hun relatie al gek aan het worden en woont thans in een psychiatrische instelling, omringd door een bonte groep figuren, zoals een primitieve reus en een monsterachtige hond. De familie is uit elkaar getrokken: Ya’el woont in Haifa, Asi woont in Jeruzalem en Tsvi in Tel Aviv. Maar op het einde van de roman zijn ze allemaal samen, want Yehuda is net tijdens de week van Pesach (wanneer de joden vieren dat ze uit Egypte trokken) in het land: de roman begint op maandag en loopt uit op de zondag, wanneer er samen wordt gegeten voor de feestdag (de zaterdagavond is het de rituele sedermaaltijd).

Net als de grote Zuid-Amerikanen was Yehoshua een groot bewonderaar van Faulkner en is hij duidelijk geïnspireerd door de literaire technieken van de schepper van Yoknapatawpha County: de roman wisselt per hoofdstuk van verteller, de meesten waarvan een stream-of-consciousness hanteren waarbij syntaxis en interpunctie à la Joyce terzijde zijn gelaten, overrompelde stromen gedachten en observaties die het individu en de stem van elk personage markeren. Dat is de grote prestatie van Yehosua in A late divorce: in negen hoofdstukken evenzovele personages presenteren, en telkens de sprong maken naar het perspectief van dat personage. Hij landt telkens zonder problemen en vol overtuiging bij dat andere perspectief; in de loop van de roman hebben de personages zodanig gestalte gekregen, dat het lezen van hun naam een beeld en een gevoel genereert, alsof het om een oude kennis gaat.

Centraal staat de spanning in de familie, die op meerdere momenten op barsten staat, en de vraag of Yehuda de handtekening van zijn vervreemde en (half) gek geworden vrouw zal krijgen voor de officiële scheiding; maar het is duidelijk dat er ook nog een diepere thematische laag ligt onder deze uiterlijke gebeurtenissen. Yehuda is de Hebreeuwse vorm van de naam Juda, de zoon van Jakob, die in Genesis de stamvader was van de stam die een belangrijke rol speelde in de geschiedenis van Israël; van de naam Juda is het woord Jood afgeleid. Het zoontje dat hij bij een Amerikaanse jongere vrouw heeft verwekt, heet blijkens een flash forward-hoofdstuk Mozes. Meermaals geeft Yehuda aan dat zijn vaderland hem nooit genoeg een vaderland was; op vernietigende wijze geeft zijn (ex)vrouw aan dat hij haar teleurgesteld heeft. En dan bouwt de roman ook nog eens op naar het vieren van exodus, de trektocht naar het beloofde land.

De Verenigde Staten waren voor Yehuda een nieuw beloofd land, hij geeft ook aan dat hij zich niet thuis voelde in Israël, maar tegelijk geeft de naam van zijn zoon aan dat er misschien een nieuwe trektocht aan zal komen, terug naar Israël, – Yehoshua gaf ooit te kennen dat het jodendom in diaspora maar ‘speelde’ met het jodendom: de echte jood leeft in Eretz Israël. Yehuda als symbool voor de jood in exil; het dysfunctionele en verscheurde gezin als symbool voor de ontreddering van de staat Israël, of nog: de tot waanzin vervallen moeder als symbool voor het volk van Israël. Kan allemaal. Het vernuftige aan Yehoshua’s roman is dat de symbolen zowel voor de hand liggen als ambivalent lijken, maar daarnaast ook irrelevant zijn, want het verhaal staat evenzeer op realistische poten, met een familiedrama dat ingebed is in een nationaal-culturele problematiek, zonder dat personen en namen het gewicht van symbolen nodig hebben. De roman werkt op verschillende manieren.

De openingszin kan dienen als voorbeeld van Yehoshua’s modernistische stijl; we zitten in het hoofd van Gaddi, kleinzoon van Yehuda, zoon van Ya’el, op het moment dat zijn opa gearriveerd is:

‘Grandpa really has come I thought it’s raining outside it wasn’t a dream I remembered how they woke me and showed me to him because they promised me they would as soon as he came from the airplane even if I was sleeping that’s why I agreed to go to bed.’

Gaddi is het type zwijgzame en pientere jongen, volledig in zijn eigen wereld vertoevend, af en toe een moeilijke vraag stellend, en continu bezig met zijn idiosyncratische preoccupaties (hij wil de hele tijd blaadjes gaan plukken voor zijn wormen). De confrontatie tussen kleinzoon en grootvader levert een scène vol warme pathos op, wanneer Gaddi zijn kleine zusje (de peuter Rakefet) niet tot bedaren kan brengen tijdens een huilbui en Yehuda hem te hulp snelt door Rakefet in bad te steken. Gaddi’s observaties winnen door hun kinderlijke droogheid aan emotionele pregnantie, zoals wanneer hij over zijn moeder zegt: ‘She was sad she always is but now she was sadder.’ Gaddi’s snapt niet goed wat er allemaal aan de hand is, maar voelt toch aan dat het huishouden op stelten staat en dat de volwassenen gespannen zijn: zijn moeder ziet er triest uit, ruziet vaak aan de telefoon, en zijn grootvader begon te huilen bij aankomst (je kunt ook uit vreugde huilen, drukt Ya’el Gaddi op het hart.) Dit hoofdstuk begint met een citaat van Faulkner en is ook het meest faulkneriaanse: het doet vooral denken aan het eerste lange hoofdstuk van The sound and the fury, wanneer Benji aan het woord is, een erg simpele en kinderlijke man die ook niet goed begrijpt wat hij allemaal ziet en meemaakt, maar via wiens gedachtestroom de lezer tot bepaalde inzichten kan komen.

Het hoofdstuk daarna spreidt Yehoshua via het personage Kedmi, vader van Gaddi, zijn joodse humor tentoon: Kedmi is door en door cynisch en misantroop, een advocaat die intelligenter is dan de meesten en zich daarop laat voorstaan, almaar laatdunkend en sarcastisch. Zijn innerlijke en zeer politiek incorrecte monoloog is misschien wel de geestigste die ik al ooit gelezen heb, nieuw bewijs dat de joden althans op humoristisch gebied inderdaad het uitverkoren volk zijn (of toch samen met de Britten). De humor leunt sterk op de context, maar een passage met zijn gedachten tijdens een telefoongesprek met Tsvi kan dienen als voorbeeld van zijn volmaakt cynisme:

‘I let him talk the call from Tel Aviv is on him so what’s the rush. He can talk all he wants. I’m listening. It’s his right. In the family they say that he’s the problematic middle child that he’s very close to his mother not that I’ve ever seen proof of it it’s all purely theoretical long-distance sympathy. Since she was put away five years ago he and his brother have kept the fifth commandment strictly by phone. If Moses had thought of such a possibility he could have gotten by with nine. I the stranger who thank God doesn’t have a drop of her blood in my body have visited her more often than her two sons put together and now they want to mess things up for me.’

Kedmi neemt het op zich de moeder te gaan bezoeken in de instelling en haar handtekening, die ze tot nu toe geweigerd heeft, te krijgen, een operatie waar de andere familieleden met argwaan op toezien omdat ze Kedmi allemaal een onbehouwen, ondiplomatische kwal vinden (dat blijkt althans uit latere hoofdstukken). De moeder is stug, en sowieso erg verward, en blijft meer tijd vragen: het oplopende ongeduld van de familieleden leidt in een later hoofdstuk tot een climax waarbij één van de zonen, Asi, luid begint te brullen, en Kedmi vervolgens de grote hond die de moeder vergezelt malicieus weglokt van de instelling. Bij zulke scènes doet Yehoshua sterk aan Philip Roth denken, nog een joods schrijver die begiftigd is met het talent humor aan tragiek te koppelen. Zelden zal een verscheurde familie grappiger zijn geweest, zeker omdat er zich los van de familie nog twee andere vreemde figuren bij het gezelschap voegen, een verdachte van moord die door Kedmi verdedigd wordt, op een gegeven moment ontsnapt en bij hen thuis opduikt; en Calderon, een iets oudere, met zichzelf worstelende homoseksuele man die Tsvi met een fanatieke hartstocht volgt en in die hoedanigheid zelfs participeert aan het avondmaal op Pesach: zijn aanwezigheid wordt met een zekere berusting geaccepteerd door de familie (Yehuda ontfermt zich met medelijden over hem, Kedmi verlustigt zich volop in de ongemakkelijke situatie).

De structuur en architectuur van de roman is daarom ook geniaal, omdat een personage als Kedmi, die op basis van zijn eigen vertelling geestig en ad rem is, door de ogen van de anderen plotseling als een vooral arrogante en vermoeiende pedanterik naar voren komt, iemand die het nooit kan laten bijdehand te doen, ook als het daar niet het moment voor is. Zo krijgen we in de loop van het verhaal alle facetten van de personages te zien. Tsvi wordt door de anderen gezien als een in zichzelf gekeerde zonderling, maar blijkt uit zijn dialoog met zijn psycholoog intelligent en beredeneerd te zijn, en allesbehalve labiel. Asi lijkt zijn leven op orde te hebben, maar is eigenlijk fundamenteel ongelukkig, zodat hij zelfs tot hoerenlopen overgaat. En altijd is daar de sardonische joodse humor, die zich uit in de cassante dialogen en de ergernis die zowat elk personage voelt in de confrontatie met zijn of haar familieleden. Er zitten ook schitterende narratieve vondsten in, zoals een hoofdstuk met dialogen tussen Calderon en Tsvi respectievelijk Calderon en Yehuda, maar waarbij enkel Calderons deel van de dialoog gepresenteerd wordt. Ook het hoofdstuk met de dialoog tussen Tsvi en zijn psycholoog is sterk, met als hoogtepunt Tsvi’s kroniek van de ramp die zijn vaders bezoek tot dan toe geweest is, eigenlijk een komische samenvatting van alles wat eerder in de roman gebeurd is:

‘so far there’s been nothing but disasters. They’ve been going about it in the most assbackwards, roundabout way, making every possible mistake. To begin with, instead of going straight to her by himself, even on that first night, throwing himself at her feet and declaring ‘Here I am, you summoned me… forgive me… I’m unworthy of you… It’s I who have been the true madman…’, he went and fell into a gargantuan slumber in my sister’s house. For a whole day. After which he sent that comical lawyerman to get her to sign the agreement. I told them on the phone not to let that joker go alone because he would screw up everything, but he insisted on it, and came back that evening totally befuddled. She had made a complete fool of him… Then on Tuesday, still instead of seeing her by himself (…) he made a pilgrimage to the Holy City  in order to solicit moral support from my younger brother and his new wife – a romantic type with literary delusions whom father had never met, since he never bothered to come to their wedding.(…) So he slept over with them and finally, on Wednesday, organized a whole delegation to visit my mother  (…) My brother had an attack of hysteria and began screaming at my mother and hitting himself.’

Aldus de enigmatische Tsvi. Zo bouwt de roman op naar Pesach, en naar de hoofdstukken waarin we de gedachten van moeder en vader volgen (moeder de voorlaatste dag, vader de laatste), met op het einde een nogal onverwachte en groteske wending (waar weliswaar op voorhand in een eerder hoofdstuk, dat later in de tijd plaatsvindt, erg laconiek naar verwezen wordt, en die ik kies voor mezelf zal houden). Als uiteindelijk Yehuda aan het woord komt, voelt hij als een vertrouwde vriend (je ziet zijn rijzige gestalte voor je), en toch is hij zo ambivalent dat je niet zeker bent hoe je hem nu exact moet beoordelen, – is hij een solipsistische egoïst, of een zachtmoedige en vitalistische intellectueel, of allebei tegelijk? Hij mijmert over het verwijt van zijn (ex)vrouw, dat hij haar teleurgesteld zou hebben, en vraagt zich af hoe het komt dat Israël nooit als een vaderland aanvoelde: ‘If only it could at least be a homeland when will it settle down to be one.’ Misschien ooit in de toekomst, dus, – maar nu is Yehoshua dood, en lijkt het erop dat Israël nog lang niet uit haar impasse zal geraken. In elk geval heeft Yehoshua met deze roman een monument opgericht voor Israël en zijn problematieken en het joodse volk, zonder politieke of culturele analyses of opmerkingen, maar via de tragikomedie van een familiedrama.

door Arthur

Plaats een reactie