Gedicht van de week: Carlos Drummond de Andrade – Aimer

(vertaald naar het Frans uit het Portugees door Didier Lamaison)

Aimer

Que peut une créature sinon,
entre créatures, aimer ?
aimer et oublier,
aimer et malaimer
aimer, désaimer, aimer ?
aimer, et le regard fixe même, aimer ?


Que peut, demandé-je, l’être amoureux,
tout seul, en rotation universelle, sinon
tourner aussi, et aimer ?
aimer ce que la mer apporte à la plage,
ce qu’elle ensevelit, en ce qui, dans la brise marine,
est sel, ou besoin d’amour, ou simple tourment ?


Aimer solennellement les palmiers du désert,
ce qui est abandon ou attente adoratrice,
et aimer l’inhospitalier, l’âpre,
une vase sans fleur, un parterre de fer,
et la poitrine inerte, et la rue vu en rêve, et un oiseau de
proie.


Tel est notre destin : amour sans compter,
distribué parmi les choses perfides ou nulles,
donation illimitée à une complète ingratitude,
et dans la conque vide de l’amour la quête apeurée,
patiente, de plus en plus d’amour.


Aimer notre manque même d’amour, en dans notre sécheresse
aimer l’eau implicite, et le baiser tacite, et la soif infinie.

Carlos Drummond de Andrade (1902-1987) is de Neruda of Whitman van Brazilië, de stem van een natie, in wiens verzen een volk gestalte krijgt. Zijn gedichten zijn meditatief en cerebraal, maar ook vaak speels, als iemand die met een monkellachje metafysische vragen oproept. Net als Jorge Amado en Machado de Assis, de twee grote prozaïsten van de Braziliaanse letteren, ademt zijn werk een sympathieke en warmbloedige charme uit, die misschien wel fundamenteel Braziliaans is.

Het gedicht Aimer nu is een prachtige ode aan de liefde, een oproep, een bezwering: tegenover het kwaad en het lijden, de leegte en de absurditeit, de loutere materialiteit van het leven, stelt Drummond de Andrade de liefde, en dan vooral de act van het liefhebben. Maar het gaat niet om romantische liefde, de liefde van of voor een persoon, – er is iets groters in het geding. Wat kan een schepsel, te midden van de andere schepselen, tenzij liefhebben? In die eerste vraag-met-antwoord ligt de kern van het gedicht besloten. Er zijn verschillende houdingen mogelijk als reactie op het raadsel van de schepping, maar Drummond de Andrade bezweert ons dat we alles wat ons toegeworpen wordt met open armen en liefhebbend moeten ontvangen. Noem me sentimenteel of naïef, maar stiekem verkies ik boven alle anderen de kunstenaars die de schoonheid van de schepping weten te bezingen, die het glas halfvol zien, die er nog iets van proberen te maken, – Goscinny, Fellini, García Márquez… In ernstige kringen beaam ik al zwaarmoedige sigarenrook uitwasemend dat Schopenhauer, Cioran en Beckett het bij het rechte eind hebben, maar niet zodra bevind ik me veilig thuis of ik zoek mijn vertier bij Pepe het Spaanse jongetje dat zijn adem inhoudt en la Saraghina.
Drummond de Andrade is ook zo’n kunstenaar, – en dan zeker in dit gedicht. Hij bezingt het liefhebben, en doet dat met een ritme dat in zichzelf het liefhebben bevat en uitdraagt, het ritme dat perfect loopt en verliefd is op zichzelf: vooral in de eerste strofe is dat ritmische aspect opvallend.

Que peut une créature sinon,
entre créatures, aimer ?
aimer et oublier,
aimer et malaimer
aimer, désaimer, aimer ?
aimer, et le regard fixe même, aimer ?


De Franse vertaling van Lamaison volgt het origineel op de voet: omdat Frans en Portugees zo nauw aan elkaar verwant zijn, is het mogelijk zonder kleerscheuren uit een vrij letterlijke vertaling te komen. Dat wil zeggen: vertalen wat er staat en daarbij zonder moeite ritme en metrum (goeddeels) behouden. Inhoudelijk is die eerste strofe interessant omdat het liefhebben, waartoe we worden aangespoord door middel van die vraag, in verband wordt gebracht met werkwoorden (en dus handelingen) die het liefhebben lijken tegen te spreken, – liefhebben en vergeten, liefhebben en niet-liefhebben, liefhebben en stoppen met liefhebben. Maar dat laatste, die ‘désaimer’, staat magistraal ingeklemd tussen een dubbele ‘aimer’: het stoppen met liefhebben is maar een tijdelijke aberratie, tussen het liefhebben door. Ook cruciaal: de tussen komma’s geplaatste specificatie ‘entre créatures’, die redengevend werkt. We zijn niet alleen op aarde, maar omringd door anderen: wat zou je anders doen, dan hen liefhebben? (de mens heeft die vraag in de geschiedenis helaas iets te enthousiast als een open vraag met alle mogelijke antwoorden voorzien)
Te midden van de andere schepselen liefhebben dus, maar de tweede strofe presenteert ons de mens alleen, als een stipje dat mee ronddraait met de aarde.

Que peut, demandé-je, l’être amoureux,
tout seul, en rotation universelle, sinon
tourner aussi, et aimer ?
aimer ce que la mer apporte à la plage,
ce qu’elle ensevelit, en ce qui, dans la brise marine,
est sel, ou besoin d’amour, ou simple tourment ?


Of we het nu willen of niet, we draaien in het midden van de oneindige kosmos met de aarde mee, op het vooraf bepaalde tempo. Hoe stellen we ons daartegenover op? Meedraaien en liefhebben, zegt Drummond de Andrade. Je zou hierbij kunnen denken aan de beroemde metafoor van de oude Griekse stoïcijnen, die het menselijk lot vergeleken met dat van een hond die door een kar wordt voortgetrokken: tegenstribbelen heeft toch geen zin, dus kun je best je geluk gaan zoeken in het voortgetrokken worden. Alleen vult Drummond de Andrade het nog positiever in, gelukkig.

Houden van wat de zee op het strand doet aanspoelen, en van wat de zee bedekt, en van wat in de zeebries besloten ligt – zij het zout, of de nood aan liefde, of de beproeving. Wat een beeld! Drummond de Andrade bevindt zich hier (hoogstwaarschijnlijk bewust) dicht in de buurt van Whitman, die de zee tot één van de oer-Amerikaanse metaforen maakte, bijvoorbeeld in zijn grootse As I Ebb’d with the Ocean of Life, waar hij op de kust staat te peinzen en de golven op het strand beuken en hij in de branding plotseling zijn eigen nietigheid ziet. Maar Andrade heeft het niet over het Zelf, maar over wat het Zelf te doen staat, bij alles wat de zee aandraagt, en dus in overdrachtelijke zin bij alles wat het leven aandraagt, en bij alles wat het leven bedekt, en bij alles wat in de wind verborgen ligt, zelfs als het de beproeving betreft. Dat alles, het Al, moeten we liefhebben. In de volgende strofe worden de beelden opgestapeld, de dingen wie we moeten liefhebben opgesomd:

Aimer solennellement les palmiers du désert,
ce qui est abandon ou attente adoratrice,
et aimer l’inhospitalier, l’âpre,
une vase sans fleur, un parterre de fer,
et la poitrine inerte, et la rue vu en rêve, et un oiseau de
proie.


Op plechtige wijze houden van de palmbomen, van hetgeen verlatenheid of verafgodend wachten is, van het onherbergzame en ongastvrije, het scherpe en grimmige; van de vaas zonder bloem, de ijzeren parterre, de borstkas zonder inhoud of beweging, de straat zoals in de droom waargenomen, de roofvogel (ik voeg een prozaïsche Nederlandse vertaling toe, ten behoeve van wie het Frans niet helemaal machtig is, en om de uitleg helder vorm te geven).
Een volstrekte willekeur regeert bij deze eclectische beelden, maar de grondtoon is sterk negatief. Ook het lelijke, het gevaarlijke, het akelige, het vreemde, en hetgeen dreigt onzichtbaar of nooit-gedacht te blijven (de palmboom), verdient onze liefde. Dat is namelijk onze taak, of nog, zoals het in de prachtige eindstrofes heet, ons lot:

Tel est notre destin : amour sans compter,
distribué parmi les choses perfides ou nulles,
donation illimitée à une complète ingratitude,
et dans la conque vide de l’amour la quête apeurée,
patiente, de plus en plus d’amour.


Aimer notre manque même d’amour, en dans notre sécheresse
aimer l’eau implicite, et le baiser tacite, et la soif infinie.


Liefde zonder te tellen, aangezien alles en iedereen onze liefde verdient en nodig heeft. Te midden van de perfide dingen en de nulliteiten bevindt zich de liefde (en dus wij); en dan volgen enkele superieure regels. Een ‘oneindige donatie aan een totale ondankbaarheid’: het universum gaat onze liefde nooit repliceren, zal zich er geen rekenschap van geven, daar moeten we niet op hopen, maar toch moeten wij dat grote lege Al plechtig en zonder te tellen blijven liefhebben en koesteren. Hier openbaart zich een religieuze onderlaag, want met God is het zo’n beetje hetzelfde liedje: we kunnen bidden en zingen zoveel we willen, sinds hij zich aan enkele oude Hebreeërs vertoonde in de hoedanigheid van brandende struik en vermanende wolk, heeft hij niets meer van zich laten weten. En toch is het de taak van elke gelovige om net als vader Abraham blind in God te geloven.

Volgen nog enkele schitterende beelden. Een ‘conque’ is (althans hier) een soort van schelp: binnenin de lege schelp van de liefde zet de mens de angstopwekkende queeste voort, met eindeloos geduld, op zoek naar meer liefde, telkens meer liefde. En zelfs de momenten dat we te weinig liefhebben moeten we liefhebben (denk aan de ‘oublier’ van de eerste strofe); in onze droogte moeten we het impliciete water liefhebben, de stille kus, de oneindige dorst.

Zo eindigt een gedicht dat de mens aanspoort tot kosmische en categorische liefde met het naargeestige beeld van oneindige dorst, vast te zitten in een schelp, ten onder te gaan aan droogte tijdens een onmogelijke queeste – daarin zit ‘m net de grote kunst van het leven, aldus Drummond de Andrade: om al die tegenslagen, alle ellende en moeilijkheden, te torsen en nog steeds gewoon te blijven liefhebben.

Een mooi gedicht, een streepje licht in deze donkere tijden. De bundel in kwestie is overigens over de hele lijn briljant: spoed u allen naar de boekwinkel en haal Drummond de Andrade in huis, want hij is een titaan van de twintigste eeuw, van het kaliber van Neruda, Auden, Stevens, Pessoa, Paz, Montale, Milosz, Brodsky, Celan, Cernuda, et cetera – de groten der aarde dus. Het mooiste gedicht over moeders ooit (Pour toujours) is ook van zijn hand, zoek het maar op (u vindt het online). De grote vertaler August Willemsen heeft blijkbaar ook gedichten van hem vertaald naar het Nederlands, maar die heb ik nog nergens aangetroffen.
Een voordracht van Aimer door de beroemde Braziliaanse actrice Marília Pêra vindt u hier.

door Arthur

Eén opmerking over 'Gedicht van de week: Carlos Drummond de Andrade – Aimer'

Plaats een reactie