Juan José Saer – De ooggetuige


Het totale heelal was aanvechtbaar; zij zagen zichzelf echter als net iets zekerder; maar ze wisten niet hoe het heelal over zichzelf dacht, en die bijkomende twijfel verkleinde hun overwicht.’

Juan José Saer is een Argentijn, maar van een ander pluimage dan de universeel bekende kopstukken: noch speels metafysisch en fantastisch zoals Borges en Cortázar, noch vervreemdend en surrealistisch als Roberto Arlt, noch existentialistisch als Sábato of Di Benedetto. In De ooggetuige lijkt hij zich vooral in het kielzog van Alejo Carpentier voort te bewegen, de grote Cubaan, en dan in het bijzonder diens werk Heimwee naar de jungle, dat handelt over een ontdekkingsreis in de Zuid-Amerikaanse jungle. Bij Saer trekt de expeditie naar het dan nog onontdekte Indische vasteland, waar de compagnie waartoe de jonge protagonist behoort verrast wordt door een stam menseneters. Alleen de protagonist wordt in leven gelaten; hij mag als een soort van eregast bij de inboorlingen blijven, terwijl zijn reisgezellen stuk voor stuk worden gedood en opgegeten. Hij blijft jarenlang, verleert geleidelijk aan zijn eigen taal, wordt de taal van de inboorlingen machtig, leert hun gebruiken kennen, maar blijft altijd een buitenstaander die hen vanop een afstandje observeert. Op een gegeven moment wordt hij weer weggestuurd; hij wordt door een nabije compagnie opgepikt en keert huiswaarts. Dan maken we een grote sprong in de tijd en blikt hij als oude man terug op zijn periode bij de Indiërs.

Bij Carpentier draait het verhaal om de oorsprong van muziek, waar de protagonist uiteindelijk achter komt door het aanschouwen van de rouwrituelen van een inheemse stam. De actie staat zo ten dienste van de overpeinzingen van de ik-verteller; bij Saer voltrekt zich hetzelfde procedé. Hij doet in dat opzicht ook denken aan schrijvers als Bernhard of Moravia, wier romans veredelde, breed uitgehakte gedachtespinsels zijn, met één centrale redenering die zich met de handelingen van de personages voedt en zo ten einde wordt uitgedacht. Wat begint als een exotische avonturenroman, wordt dus een grote overpeinzing.
Waaruit bestaat nu die overpeinzing? Van het begin tot het einde wierpen de Indiërs de protagonist dezelfde term toe (‘def-ghi, def-ghi’) en hij kwam er nooit precies achter wat die term nu precies behelsde, – hun taal is complex en uitzonderlijk meerduidig, omdat ze het met een beperkt vocabulaire moeten doen waarbij elk woord verschillende betekenissen draagt, afhankelijk van de context. Wat moet hij met die term aan? Waarom wilden ze hem zo’n lange periode bij zich houden? Op een gegeven moment, als hij al een oude man is (dit is het inzicht waar hij al redenerend en terugblikkend naartoe werkt), ziet hij het licht: hij moest de rol van ooggetuige spelen, de externe instantie die de Indiërs zag en daarmee het leven gaf, want pas wanneer iemand van de buitenwereld hen aanschouwde zou hun bestaan gestalte krijgen. Hij merkte bij de Indiërs een bodemloze angst op voor de vormeloze, chaotische wereld die voorbij hun horizon lag: binnen de grenzen van hun woonplaats voelden ze zich op hun plaats en voelden ze zich als het centrum van het universum, maar de amorfe en onbekende duisternis daarbuiten stond symbool voor de dood, de stilte van de kosmos die, bijvoorbeeld in de gedaante van het water bij vloed, beetje bij beetje hun terrein opvrat. Het ritme van het leven is uitzonderlijk gestructureerd, omdat ze door gelijkvormigheid en monotonie te scheppen het gevoel hebben aan de eeuwigheid te participeren. De veranderlijke buitenwereld boezemt hen angst in. Die angst ligt zo diep in hun kern besloten dat ze nauwelijks glimlachen of plezier maken, het zou hen maar kunnen afleiden van het vaste ritme van hun dagen. Vandaar de tot treurens toe herhaalde uitspraak ‘def-ghi’: kijk naar ons. Zie dat wij bestaan; onthoud ons. Vertel over ons.
In zijn analyse van de Indiërs bereikt Saer soms een volmaakte dialectiek, zoals in navolgend fenomenologisch stukje:

‘Zonder hen was er geen boom, maar zonder de boom waren zij niets. Ze waren zo sterk van elkaar afhankelijk dat elkaar vertrouwen onmogelijk werd. De Indiërs konden niet op het bestaan van de boom vertrouwen, omdat ze wisten dat de boom van hun eigen bestaan afhankelijk was. Maar omdat de boom er door zijn aanwezigheid ook weer aan bijdroeg hun bestaan te garanderen, konden de Indiërs zich nooit helemaal echt voelen, want ze wisten dat hun bestaan, als het van die boom afkomstig was, problematisch werd omdat de boom het zijne aan de instemming van de Indiërs leek te ontlenen.’

Een duizelingwekkende redenering, die in Sein und Zeit niet zou misstaan. Zo wordt de antropologische analyse van de Indiërs bij Saer poëzie, omdat hij uiteindelijk tragische personages van de Indiërs maakt, uitgedrukt in een wervelende taal. Het memoriaal van de oude ik-verteller is ook ontdaan van laatdunkendheid; integendeel, hij laat duidelijk blijken dat de Indiërs, hoewel ze hun angsten misschien niet konden articuleren of zich er niet bewust van waren, op meer directe wijze door de waarheid van het bestaan getroffen werden; hun praktische leefgewoontes volgen logisch uit de in-het-leven-geworpenheid van de mens. Het vormeloze en nameloze duister dat ons, wat we ook doen, uiteindelijk opvreet en tot as omtovert, wacht ons allemaal op aan de grenzen van onze wereld, of we ons nu aan die angst ontworsteld hebben of niet, of we het weten of niet; daarbij maakt het niet uit hoe ver je die grenzen trekt.

Een dun boek met een hoog soortelijk gewicht. Saer schrijft elegant en soepel, redeneringen die door het ritme en de mooie beelden volmaakt in elkaar overlopen en nooit gaan hinderen.

door Arthur

Plaats een reactie