Franz Kafka: De gedaanteverwisseling

♞ PERSONAGES

Gregor Samsa: het hoofdpersonage, een handelsreiziger die op een nacht in ‘een monsterachtig ongedierte’ is veranderd en voortaan in zijn kamer is opgesloten
Grete: Gregors zus, een begenadigd violiste die de zorg van Gregor op zich neemt
Meneer Samsa: Gregors vader, die zijn zoon voornamelijk als kostwinner zag en na zijn transformatie slechts met weerstand en haat naar het ongedierte kijkt
Mevrouw Samsa: Gregors moeder, een onderdanige en zwakke vrouw die bang is van haar zoon maar hem tegelijkertijd wil blijven onderhouden
De procuratiehouder: vertegenwoordiger van de onderneming die komt informeren naar Gregors toestand
De huishoudsters: de eerste smeekt om ontslag na de gedaanteverwisseling, de tweede lijkt niet bang te zijn van Gregor

༄ OPENINGSZIN

Toen Gregor Samsa op een morgen uit onrustige dromen ontwaakte, ontdekte hij dat hij in zijn bed in een monsterachtig ongedierte was veranderd.

Zo opent de waarschijnlijk bekendste novelle aller tijden. Bij Kafka geen brave opbouwparagraaf waarin we een ‘veelzeggende’ passage uit Gregors leven te zien krijgen voor de noodlottige metamorfose, geen langzaam inzicht in de nieuwe situatie; Gregor Samsa wordt wakker en ziet dat hij in ongedierte is veranderd. Het is de zin waarvan Gabriel García Márquez zal schrijven dat hij hem haast van zijn bed sloeg toen hij hem voor het eerst las: ‘Toen ik die regel las, zei ik bij mezelf dat ik niet wist dat je zo mocht schrijven. Als ik dat had geweten, was ik al lang geleden beginnen schrijven. En dus begon ik onmiddellijk met het schrijven van kortverhalen.’

▼ INHOUD

Het verhaal is te kort om wendingen achterwege te laten in de bespreking, maar wie dit meesterwerk van de wereldliteratuur nog nooit geproefd heeft, zij aangeraden om die luttele zestig pagina’s met de vreugde van de eerste lezing aan te vatten, en pas daarna hierheen terug te keren. Voor de anderen en koppige verderlezers volgt hier de korte inhoud. Gregor Samsa, een handelsreiziger, stopt in zijn ouderlijk huis, maar wordt op een ochtend wakker als ongedierte. ‘Hij lag op zijn hardgepantserde rug, en zag, als hij zijn hoofd enigszins optilde, zijn gewelfde bruine, door boogvormige geledingen verdeelde buik’. Terwijl Gregor zich afvraagt wat de toestand te betekenen heeft en terwijl hij zich moeizaam probeert te verplaatsen, komt de hoofdklerk van zijn bedrijf inspecteren waarom Gregor afwezig is. Gregor probeert met hem te praten, maar hij kan niet meer spreken in menselijke taal. Wanneer hij de deur opent, deinst iedereen achteruit en verlaat de procuratiehouder het appartement. Omdat Gregor de kostwinner was, moet zijn familie op zoek naar nieuwe banen. Gregor wordt zijn nieuwe toestand steeds meer gewoon en vult zijn dagen met het kruipen over de vloer, muren en het plafond. Zijn zus Grete is de enige die zijn kamer binnenkomt en hem van het hoogstnodige voorziet, al moet ze daar haar eigen weerzin voor overwinnen. Aan het begin verzorgt ze hem goed, maar naarmate de tijd vordert, laat ze na moeite voor hem te doen en kwijnt Gregor steeds meer weg. In een woedeaanval gooit zijn vader een appel naar hem die vast komt te zitten in zijn lijf. Ze verwaarlozen hem steeds meer, en wanneer Gregor uiteindelijk de huurders wegjaagt die waren ingetrokken, stelt zijn zus vast dat het niet langer zo kan. Gregor hoort alles en sterft afgetakeld en vereenzaamd. In een bizarre laatste paragraaf, herademt zijn familie en is er een wrang hoopvol einde waarin de ouders liefdevol naar hun volwassen dochter kijken.

▲ WAAROM IS HET GOED

Kafka is een unicum en De gedaanteverwisseling is dat zeker; weinig andere schrijvers zijn erin geslaagd zoveel inkt te doen vloeien over zo weinig pagina’s. Kafka schreef het verhaal in de herfst van 1912, naar eigen zeggen na het idee gekregen te hebben terwijl hij ellendig in bed lag. Robert Musil wilde het publiceren in Die Neue Rundschau, maar mocht het van de grote baas niet in zijn volle lengte plaatsen, en Kafka wilde er (gelukkig) niet van weten het in te korten. Uiteindelijk zou het met de hulp van Max Brod in 1915 verschijnen in het avant-garde blad Die Weissen Blätter.

Karakteristiek voor Kafka’s verhalen gebeurt er iets noodlottigs in het leven van het hoofdpersonage, zonder dat er ooit een verklaring voor komt. Er is geen reden waarom Gregor in een kever verandert, net zoals er nergens een eigenlijk proces komt in Het proces. De absurditeit wordt nog versterkt door de reactie van de personages. Berustend is een te groot woord, maar Gregor mist toch alles van de ontzetting die normaal zou moeten volgen op een zo weerzinwekkende ontdekking als de verandering van zijn lichaam in een insect. Zijn familie kan moeilijk met de aanblik om, maar blijft de kever wel in huis houden, onderhoudt hem en lijkt schaamte te voelen, eerder dan wanhoop. In plaats van te reageren met verbijstering of een snel plan te beramen om de situatie te keren, panikeert Gregor over hoe hij alsnog op het werk zal geraken.

Die spreidstand zorgt voor een hilarische ondertoon, die niet altijd genoeg wordt aangestipt in besprekingen. Kafka zou zelf steeds hardop hebben gelachen bij het voorlezen van zijn verhalen. Terwijl Gregor als een kever in bed ligt, maakt hij zich zorgen om hoe hij de trein gaat halen van zeven uur met een heerlijk understatement: ‘om die te halen zou hij zich waanzinnig moeten haasten, en de collectie was nog niet ingepakt, en hij voelde zich helemaal niet zoo buitengewoon fris en beweeglijk.’ (alle eer aangedaan in de prachtige vertaling van Nini Brunt). Even later stelt hij zijn vreemde pijn voor als een eenvoudige ‘beroepskwaal van reizigers.’

Die humor is des te sterker omdat hij niet de dieptragische ondertoon ontkracht, maar het horrorelement nog bevreemdender maakt (de mengeling van humor en existentieel drama deelt Kafka misschien met Beckett). Nabokov stipt aan hoe de metamorfose alles van een droom heeft; de typische stressdroom dat de baas direct langskomt om te controleren, wordt werkelijkheid, net als het vervolg waarin Gregor te horen krijgt dat hij eigenlijk helemaal niet deugt op dat werk. Die droomdimensie wordt ook gethematiseerd, aan het begin al (waarin hij wakker wordt uit onrustige dromen), maar wordt expliciet doorbroken: ‘Het was geen droom. Zijn kamer, een echt, alleen wat te klein mensenkamertje, lag rustig tussen de vier welbekende muren.’ Bij Kafka zitten we noch in de echte wereld noch in fantasie, maar in een soort nachtmerrieachtig vagevuur.

De horror in De gedaanteverwisseling is akeliger en tastbaarder dan in Het proces of Het slot, maar het is nog steeds een horror met minimale middelen; één verandering bepaalt een volledige sfeer, en net door die niet in de diepte te thematiseren (tegenover een gothic traditie die veel dieper zou ingaan op de afstotelijke verschijning) wordt de horror naakt, en komt hij dichter omdat de gedachten van Gregor Samsa menselijk blijven. De antoniemen ruhig/unruhig komen voortdurend terug in het verhaal en wijzen op een roerloze dreiging. Kafka’s onderkoelde stijl brengt de dreiging en fantasie tot hun volle omvang, zoals Nabokov schrijft: ‘The transparency of his style underlines the dark richness of his fantasy world. Contrast and uniformity, style and the depicted, portrayal and fable are seamlessly intertwined.’

De gedaanteverwisseling is vaak existentialistisch gelezen; het verhaal spiegelt de structuur van depressie, waarin Gregor Samsa zich vervreemd voelt van zijn omgeving, en enkel medeleven wil, maar elk signaal omgekeerd wordt onthaald. Gregors spreken is eenrichtingsverkeer; hij hoort zijn gezinsleden, maar zij horen hem niet. Zijn lichaam en geest zijn niet op elkaar afgestemd. In veel beschrijvingen wordt een fysieke moeheid benadrukt; hij heeft lichamelijke ongemakken als jeuk, kan nauwelijks uit bed en blijft zich slechts heel moeizaam voortbewegen – die fysieke sleur neemt een grotere plaats in dan het mentale lijden. Tegenover die lijdende maar al bij al lijdzame omgang met zijn metamorfose staat zijn vroegere zelf, trots gehuld in uniform zoals te zien op een portret aan de muur, dat hij ziet net op het moment dat hij als beest de kamer uitkomt: ‘Juist aan de tegenoverliggenden muur hing een foto van Gregor uit zijn diensttijd, als luitenant, waarop hij, met de hand aan zijn degen, onbezorgd glimlachte en eerbied voor zijn houding en uniform afdwong.’ In een depressieve lezing is de dood op het einde onvermijdelijk zelfmoord; Gregor lust niets meer van de voeding (en parallel daarmee van het leven) en sterft als hongerkunstenaar.

Gregors aftakeling loopt gelijk met een heropleving van zijn familie; hij offert zich op, en zijn oude  vader loopt plots recht in uniform. Het hoopvolle einde wordt daarmee het perfecte en meest tragische einde dat Kafka had kunnen schrijven, omdat Gregors dood in hun gebrek aan rouw definitief wordt. Zijn eenzaamheid is zo radicaal dat hij de menselijkheid zelf verliest. Kafka schreef verschillende andere verhalen over dieren: “Onderzoekingen van een hond”, “Een verslag voor een academie” “Jozefine de zangeres, of het muizenvolk” en “Het hol”. De Tsjechische auteur Gustav Janouch herinnert zich in zijn Gesprekken met Kafka hoe Kafka vertelde dat dieren dichter bij ons liggen dan mensen: ‘That’s where our prison bars lie. We find relations with animals easier than with men.’ (de woorden zijn waarschijnlijk die van Janouch, die hij jaren na de gesprekken optekende, maar de schets van Kafka’s persoonlijkheid wordt als getrouw gezien).

Tegelijkertijd herkent zijn familie Gregor wel; de gedachte dat een vreemde kever in zijn plaats is gekomen, komt nooit bij hen op. Gregors essentie wordt die van ongedierte. Het enige menselijke in Gregors kamer is een vrouwenportret: ‘Zij stelde een rechtopzittende dame voor, van een bonten muts en een bonten boa voorzien, die een zware mof, waar haar heele onderarm in verdween, naar den toeschouwer omhooghief’ – een verwijzing naar het boek Venus im Pelz van de Oostenrijkse schrijver Leopold von Sacher-Masoch, waar het hoofdpersonage wil kruipen aan de voeten van een wrede vrouw in bontjas en van haar de naam ‘Gregor’ krijgt (Sacher-Masoch gaf zijn naam aan het masochisme).  

De naam ‘Gregor Samsa’ lijkt op die van Gregor Samassa, een personage uit Die Geschichte der jungen Renate Fuchs, door de Duitse schrijver Jakob Wassermann. Gustav Janouch merkte de gelijkenis op tussen de namen Samsa en Kafka, en stelde zich de vraag of Kafka niet de onfortuinlijke kever is. Maar in zijn Gesprekken met Kafka herinnert hij zich hoe Kafka zich verzette tegen die lezing: ‘It is not a cryptogram. Samsa is not merely Kafka, and nothing else. The Metamorphosis is not a confession, although it is – in a certain sense – an indiscretion.’ Zonder een sleutelverhaal te zijn, is er alleszins een biografische laag; als ‘indiscretie’ verraadt Kafka er iets van zichzelf in; de moeilijke omgang met zijn vader, de freudiaanse werking tussen vader en zoon als communicerende vaten, waarbij de glorie van de één de ondergang van de ander betekent.

Boven op die biografische lezing volgden sinds de publicatie een karrenvracht aan interpretaties, waarbij de abstractheid van het verhaal zich perfect leent voor invalshoeken uit alle richtingen, maar daarmee helaas het verhaal zelf te vaak bedolven wordt zodat je de kever er terug moet gaan uitzoeken. In lijn met een freudiaanse lezing staan interpretaties die de moeilijke omgang met seksualiteit beklemtonen; het beest is dan een onaantrekkelijk wezen dat geen zorg krijgt en in eenzaamheid sterft. Als identiteitsverhaal is het gelezen als een verhaal over zelfvervreemding. Meer basaal hebben biografen er een spiegel van Kafka’s ongeluk met zijn job in gelezen, waarbij hij zijn werk zag als pure broodwinning en geen diepe banden kon aanknopen. Dat is verbreed in een sociologische lezing, die benadrukt hoe De gedaanteverwisseling de vervreemding van een functioneel en professioneel leven vat, waar de werknemer niets meer doet behalve overleven en rondkruipen. De armoede van het gezin en de schaamte worden daar sleutelelementen.

Nabokov leest het verhaal (altijd het probleem met schrijvers die tegelijkertijd over schrijvers schrijven) metapoëtisch, waarbij de metamorfose het beeld vormt van ‘the artist’s struggle for existence in a society replete with philistines that destroys him step by step’. In feministische theorie is gewezen op de emancipatie van de zuster, die vooral aan het einde van het verhaal een grote rol krijgt. De zus, die voorheen in de schaduw van haar werkende broer staat, neemt de verantwoordelijkheid op zich om voor Gregor te zorgen, en ontpopt zich op die manier zelf, waarbij zij op het einde haar vleugels uitslaat. De titel ‘Verwandlung’ (dat in het Duits breder dan metamorfose een soort transformatie kan betekenen op verschillende manieren) slaat zo ook op haar omwenteling. En de lijst met interpretaties kan eindeloos worden aangevuld; je hoeft op Google maar De metamorfose in te typen met om het even welk academisch onderwerp en je hebt meer kans dat er iets dan dat er niets verschijnt. Je moet de aimabele Max Brod gelijk geven wanneer hij voor zijn eigen dood terugkijkt op Kafka als de auteur van de twintigste eeuw, en tegelijkertijd stelt dat we hem zijn aan het begraven onder zoveel interpretaties. Het is tekenend dat zowel Max Brod als Janouch, die Kafka beide hebben gekend, wijzen op de van-zelf-sprekendheid van het verhaal, maar ook een ethische lezing naar voren schoven, waarbij de nadruk ligt op de thema’s van oprechtheid, strengheid, zuiverheid.

Uiteindelijk moet elke bezielde lezer de non-interpretatie als de meest getrouwe verkiezen. In de geest van García Márquez, wanneer hij schrijft: ‘Als Kafka schrijft dat Gregor Samsa in een monsterachtig ongedierte is veranderd, dan geloof ik dat Gregor Samsa in een monsterachtig ongedierte is veranderd.’ Ook Brod verzet zich in zijn Kafka-biografie voortdurend tegen het symbolische lezen en de reductie van Kafka’s boeken tot belichaming van de absurde levensconditie, uitdrukking van de waanzin of reproductie van de freudiaanse verhouding tussen Kafka en zijn vader. Kafka is in de eerste plaats een uitstekende schrijver, zijn werk volgens Brod enkel uitdrukking daarvan en geen spreekbuis van om het even welke theorie. Kafka-biograaf Reiner Stach verdedigde dat het verhaal in zichzelf besloten en absoluut is, en dat het in de wereldcanon terecht was gekomen, al hadden we niets geweten van de auteur. Zolang de symbolische interpretaties niet gekoppeld worden aan de sprekende kracht van het verhaal zelf, zeggen ze niets. Als het slot enkel als representatie van een onbereikbare bureaucratie wordt gelezen en niet als het dreigend uitziend kasteel dat K. op een winteravond aan de horizon ziet opdoemen, valt heel Kafka’s meesterwerk in duigen.

In Kafka, Pour une Littérature Mineure maken Deleuze en Guattari komaf met alle metaforische lezingen van Kafka: “Kafka tue délibérément toute métaphore, tout symbolisme, toute signification.” Daartegenover stellen ze de metamorfose als leeswijze (wat die zelf alweer in een symbool verandert voor niet-symbolisatie, maar een uitwerking van die kritiek zou ons te ver leiden). In de metamorfose is het lezen zelf voortdurend aan het verspringen, maar wordt nooit het woord op papier vergeten. Daarbij zegt Kafka ook expliciet niet ‘kever’; een te letterlijke lezing is evenmin op zijn plaats (al is de hilarisch exacte lezing van Nabokov, die uit de afstand tot de deurklink de afmetingen van het insect afleidt, zeer de moeite) – de vele interpretaties wijzen daarom, wanneer ze tenminste niet rechtstreeks symbolisch gevormd worden, wel naar de vele lagen en de rijkdom van het verhaal.

Ongedierte (Ungeziefer) is onbepaalder en suggestiever  dan kever– de Engelse vertaler schrijft in zijn voorwoord: “I think Kafka wanted us to see Gregor’s new body and condition with the same hazy focus with which Gregor himself discovers them.” De kever is ‘noch mens, noch dier’, zoals Deleuze en Guattari schrijven. Toen Kafka zijn Gedaanteverwisseling opstuurde naar een uitgever, sloot hij er een brief bij. Hoewel hij de kunstenaar die de voorkaft zou ontwerpen de volledige artistieke vrijheid gunde, was er één ding dat niet kon: een afbeelding van de kever: “Das nicht, bitte das nicht!”. Die zou immers alle detail en onbestemdheid in een tel tenietdoen. Uiteindelijk kan Die Verwandlung enkel vol treffen wanneer alle ballast van hineininterpretierungen overboord wordt gegooid, om het verhaal te laten werken zoals Kafka in een brief had voorgeschreven over de werking van goede literatuur – als “de bijl voor een bevroren zee in ons binnenste”.

✎ DE SCHRIJVER

Praagse jood, die zijn hele leven werkte bij een verzekeringsmaatschappij en ’s avonds verhalen schreef die de geschiedenis zouden ingaan als de meest bevreemdende, uitgepuurde en unieke van de geschiedenis. Zijn leven lang ongelukkig, met zichzelf, met vrouwen en zelfs met zijn eigen werk (hij gaf zijn vriend Max Brod het bekende gebod om zijn boeken bij zijn dood te verbranden). Een blik zo indringend dat je wel moet geloven dat genie soms is af te lezen van een gezicht.

► VERDICT

Briljant.

door Ana

Plaats een reactie