Gedicht van de week: Guillaume van der Graft – Brief van het eiland

Brief van het eiland

Liefste, je armen om mij heen als water,
warm water uit de bronnen van de tijd;
je stroomt voorbij, je zult mij nooit verlaten,
mij nooit verlaten, maar je stroomt voorbij.

Je ogen zijn de oevers van je wezen,
je mond is een dorp aan de overkant;
ik lig languit, ik lig vogels te lezen,
geliefkoosd door de golfslag van je hand.

Kuitschieten, wortelschieten, vissen schrijven,
nestelen in de bomen van de slaap;
liefste, het water moet mij onderwijzen
dat alles in de liefde overgaat;
want wij kunnen nooit de tijd verdrijven,
het is de tijd die ons gelukkig maakt.

Guillaume van der Graft (1920-2010) is waarschijnlijk de meest miskende schrijver van het Nederlandse taalgebied. Hoewel zijn poëzie van hetzelfde niveau is als die van Lucebert, Campert, Vinkenoog, Kouwenaar en anderen van de Vijftigers, heeft hij nooit hun roem en reputatie verworven, door de spijtige omstandigheid dat de sterk joods-christelijke inslag van zijn gedichten als een toondoof anachronisme werd beschouwd in de jaren ’60, waardoor hij tot een plekje in de marge van de letteren werd veroordeeld.

Ten onrechte, – ook als hij bijbelse thema’s aanroert, is het altijd met zijn singuliere stem, die wars is van dogma’s en gemoraliseer; van der Graft is eerder theoloog dan gelovige (een beroemde uitspraak van hem luidt: ‘Wis en waarachtig ben ik atheïst. Met God als eigennaam kan je geen kant uit.’), en als zodanig vormt hij een school van één. ‘Ik ben niet links of rechts, maar dwars’, was één van zijn andere boutades; hij klaagde aldoor dat hij tussen het schip en de wal gevangen zat, als een eenzame drenkeling: theologen vonden hem te vrijzinnig, literatoren vonden hem te religieus. Met een relatieve onbekendheid tot gevolg.

En toch is zijn poëzie niet in een vergeethoekje te duwen. Zijn beste gedichten zullen altijd opnieuw komen bovendrijven. Zowel in zijn beschouwend proza als in zijn poëzie lijkt het wel alsof van der Graft een nog juister taalgevoel heeft dan wie dan ook (zelfs dan andere grote stilisten als Bomans, Carmiggelt, Mulisch, Brouwers, Vestdijk, Komrij, …), alsof het hersengedeelte waarin ons taalvermogen ligt opgetast bij hem buitenproportioneel groot was. De schoonheid en helderheid van zijn taal, die bedrieglijk sober is, is tijdloos: altijd elegant en compact, in staat om grote emoties tot uitdrukking te brengen zonder hyperbolen of bombastische uitroepen.
Bovenstaand gedicht is één van zijn liefdesgedichten, – hij had namelijk ook veel gedichten die niet rechtstreeks met de bijbel verband hielden; zijn bloemlezing Praten tegen langzaam water, waar ‘Brief van het eiland’ ook instaat, bevat er veel.

‘Brief van het eiland’ is een sonnet vanuit het perspectief van een eiland, zoals de titel aanduidt, dat als lyrisch subject het woord richt tot de geliefde, die door water wordt gesymboliseerd, wat al kan tellen als beeld en metafoor.

Liefste, je armen om mij heen als water,
warm water uit de bronnen van de tijd;
je stroomt voorbij, je zult mij nooit verlaten,
mij nooit verlaten, maar je stroomt voorbij.


‘Uit de bronnen van de tijd’: water als symbool van de tijd, als het eeuwig veranderende panta rhei van Heraclitos, dat voorbij stroomt, een vergelijking die ook door Appolinaire wordt gebruikt in zijn bekende ‘Le Pont Mirabeau’:

L’amour s’en va comme cette eau courante
L’amour s’en va


Maar bij van der Graft treedt daar een paradox tevoorschijn: ‘Je zult mij nooit verlaten, nooit verlaten’ staat ingeklemd tussen het herhaalde ‘je stroomt voorbij’. Het leven is eindig maar de liefde niet; zijn gnosis van haar liefde voor hem en omgekeerd heeft eeuwigheidswaarde, zoals die van Dante voor Beatrice. Noodzakelijk een paradox, want een gevoel, dat in de tijd en in de ruimte bestaat, in de eindigheid dus, wordt met eindige middelen, te weten woorden, tot oneindigheid verheven. Het water stroomt voorbij maar de omarming van het eiland blijft (maar waar, en hoe?).

Je ogen zijn de oevers van je wezen,
je mond is een dorp aan de overkant;
ik lig languit, ik lig vogels te lezen,
geliefkoosd door de golfslag van je hand.


Beeldenpracht van van der Graft, die vernuftig speelt met de letterlijke en figuurlijke betekenissen van zijn metaforen. ‘Ik lig languit, ik lig vogels te lezen’ wint aan kracht door zijn ambivalentie, je ziet tegelijk een eiland voor je, liggend op de zeespiegel, en een man op het strand van het eiland, die op zijn rug liggend naar boven kijkt.

Kuitschieten, wortelschieten, vissen schrijven,
nestelen in de bomen van de slaap;
liefste, het water moet mij onderwijzen
dat alles in de liefde overgaat;
want wij kunnen nooit de tijd verdrijven,
het is de tijd die ons gelukkig maakt.


‘Nestelen in de bomen van de slaap’ is weer een superieur beeld, dat weinig elucidatie behoeft. In de laatste vier regels komt van der Graft terug op het voorbijgaande karakter van de liefde, en lijkt dan toch een knieval te doen voor de eindigheid: het water onderwijst hem ‘dat alles in de liefde overgaat’. De mens kan nooit de tijd verdrijven, het leven wordt hem door de tijd geschonken, wij kunnen daar niet tegen optornen, kunnen het niet verlengen of verbreden. Maar het gedicht besluit dan toch met een hoopvolle regel: ‘het is de tijd die ons gelukkig maakt.’
Het is tenminste een regel die hoopvol stemt en waarachtig klinkt, wat niet wil zeggen dat er niets cynisch of rationeel tegenin kan worden gebracht (wat zou Beckett al grommend mompelen als hij de regels zou lezen? Of Kafka).
Maar poëzie moet soms zijn eigen gnosis naar voren schuiven en mogelijke interrupties wegwuiven; poëzie moet soms bezweren, of hopen, of hoop aan de orde stellen. In hun eigen volmaakt compacte orde kloppen deze regels. Ritmisch, muzikaal, en qua betekenis. Het gedicht komt op perfecte wijze aan zijn einde.

Dat muzikale is overigens opvallend aan heel het gedicht: structureel is zijn gedicht een klassiek sonnet, met twee kwatrijnen gevolgd door een sextet, maar van der Graft speelt met het rijm door eerder assonantie te gebruiken (‘water’ en ‘verlaten’ bijvoorbeeld). Misschien om te bewijzen dat ‘echt’ rijmen onbelangrijk is (denk aan Pessoa’s regels: ‘Ik geef niet om rijm’). De assonanties zorgen voor genoeg muziek; en dan is daar het onuitwisbare ritme, dat hypnotiserend werkt, als een golfslag (om één van zijn beelden te gebruiken): kijk naar hoe de tweede en derde regels van de kwatrijnen elkaar weerspiegelen, eerst een lange regel, dan een regel die door een komma wordt opgebroken voor variatie:

warm water uit de bronnen van de tijd;
je stroomt voorbij, je zult mij nooit verlaten,


en

je mond is een dorp aan de overkant;
ik lig languit, ik lig vogels te lezen,


Proeve van ritmisch meesterschap.

Van der Grafts bloemlezing ‘Praten tegen langzaam water – Gedichten 1942-2007, een keuze’, door hemzelf samengesteld en verschenen bij uitgeverij de Prom, is een juweel, dat ooit zijn verdiende erkenning zal krijgen; aarzel niet als u het aantreft in een tweedehands boekwinkel (of online).

door Arthur

Plaats een reactie