
♞ PERSONAGES
- De wandering falcon of Tor Baz: een jongen die in het eerste verhaal wees wordt en die langzaamaan opgroeit, terugkomt in elk verhaal, maar zonder ooit zijn gezicht te laten zien
- De mullah: ‘heerlijk ongelovig’, een korangeleerde zonder God die draait waar de wind hem brengt, spioneert voor vijanden maar ondanks alles trouw blijft aan vrienden in zijn dwalingen
- Vele personages die voorbij komen; de ouders van Tor Baz, de nomadentroepen waar hij mee meereist, overvallers, kamelenherders, krijgsheren, slavenhandelaars, een meisje dat wegloopt van haar huwelijk met een berentemmer…
༄ OPENINGSZIN
In the tangle of crumbling, weather-beaten and broken hills, where the borders of Iran, Pakistan and Afghanistan meet, is a military outpost manned by about two score soldiers.
Ahmad trekt zijn lezer zonder omwegen binnen in de onherbergzame wereld waar zijn verhalen zich afspelen. Zijn harde krachtige taal leent zich perfect voor de beschrijvingen van het barre landschap en het wrede leven van de stammen en soldaten die er hun dagen slijten. Ahmad is een verhalenverteller in de sterkste zin van het woord en dat is een cliché dat andere clichés oproept; zijn verhalen grijpen je bij je nekvel, trekken je genadeloos mee binnen in een wereld zo onbekend voor het literaire publiek.
▼ INHOUD
Het verhaal speelt zich af in Baluchistan, beginnend in de vroege jaren 1950. Het is de streek op de grens van Pakistan en Afganistan van de ‘tribal areas’, die tot op vandaag officieel onder het Pakistaanse gezag vallen, maar waar de Pashtunstammen die er wonen enkel het woord van hun traditionele krijgsheren erkennen. Weggelopen wegens een verboden huwelijk krijgt een koppel van zo’n stam onderdak in een geïsoleerd fort.
Tor Baz, of de ‘wandering falcon’ is hun zoon. Hij wordt geboren in de eenzame woestenij en wordt na de wraakmoord op zijn ouders meegenomen door Baluchen om zijn verdere leven lang tussen stammen en oorden te zwerven. Via zijn omzwervingen maken we kennis met kameelherders, een krijgsheer en zijn zoon, een korangeleerde, een stervende zoon van een geïmmigreerde Pakistaanse Baluch en een bedelende familie in een bergdorp. Tor Baz rijgt alle verhalen en personages aan elkaar, maar blijft zelf zonder gezicht.
▲ WAAROM IS HET GOED
De vele verhalen worden samengehouden door de achtergrond, het woeste Baluchistan, en vinden daarin hun eerste en meest direct rakende kracht. Ahmad is geen schilder in zijn taal; hij schrijft korte zinnen en gebruikt niet meer adjectieven dan nodig (herinner u de bekende uitspraak van de grote uitgever Geert van Oorschot: “Slechte schrijvers gebruiken veel bijvoeglijke naamwoorden.” ), maar net daardoor – en een zuinig gebruik van een melancholische toon – zijn zijn beschrijvingen van de afgelegen rotsige hoogtes, de woestenij en zandstormen zo duizelingwekkend. In zijn beschrijvingen voel je Ahmads ogen, gehard door zijn eigen jarenlange legerervaring in de woestenij, die alle natuurfenomenen samenbrengen tot één aanblik en essentie.
Verhalen, of verhaal, want één van de minder direct opvallende, maar bijzondere eigenschappen aan het boek is zijn spel met structuur en genre. The Wandering Falcon is evenveel verhaal als verhalenbundel. Erg lang kun je lezen met de blik van een romanlezer, waar veranderingen in vertelperspectief tussen hoofdstukken niet ongewoon zijn; maar Ahmad breekt het open. Pas in het midden begin je je af te vragen waarom Tor Baz blijft opgroeien zonder dat we hem zien opgroeien, waarom we blijven meegaan in het gaan, zonder dat het koepelverhaal ontwikkelt.
Tor Baz’ zwervende leven wordt het zwerven van de verhalen zelf. Hij is nomade onder de nomaden; zwerft tussen de stammen, spioneert voor iedereen. Het beeld van de valk die het verbindt, als eenzame vogel die de wereld overziet, doet denken aan Taviani wanneer die in de verfilming Pirandello’s kortverhalen aan elkaar bindt door een vogel van scène naar scène te laten vliegen. Niet enkel het personage, maar het verhaal zelf zwerft: je gaat mee met iemand die iemand tegenkomt en dan loopt het verhaal plots mee weg met een personage, alsof de camera draait en niet meer terugkomt (zoals in Buñuels geflipt-geniale Le fantôme de la liberté).
Maar Tor Baz leren we niet kennen. Hij wordt door zijn groeiende mysterie in het verhaal een groots personage; als lezer voel je iets tussen angst en herkenning in wanneer hij opduikt. Misschien weten we op het einde van het verhaal slechts dat hij in de voetsporen treedt van de magische mullah, zijn leermeester, die zelf overal vreemd en thuis was. Als lezer kijken we slechts naar de werelden waarin Tor Baz zich bevindt of waar hij even opduikt. Dat zijn allen werelden van wreedheid en armoede, maar ook van menselijkheid. Ahmad schetst de stammen met een ongelooflijke kracht en empathie. Pakistan als land is al onbekend; het land van de Baluchen is het helemaal.
De zeldzame keren dat Baluchistan in de media vermeld wordt, gaat het over complotten en conflicten. Ahmad gaat niet voorbij aan die wreedheden, maar hij vult ze aan met een rijker mensbeeld. Uit zijn verhalen spreekt evenzeer een liefde voor de eer, de loyauteit van de stammen, een uitgekleed menszijn in een wereld waarin overleven tot grootste deugd wordt verheven. Daarin lijkt Ahmad op Achebe, die hetzelfde voor de Nigeriaanse stammen doet. Hier spreekt een auteur die niet met zijn geest de eigenheid van de Baluchen schetst vanuit hun verschil met onze ‘beschaafde’ levens, maar die erin slaagt de veelzijdigheid en diepte van zijn eigen beschouwing te bewaren. Dat is wat het boek zo krachtig maakt; het is geen exotische of aangedikte blik op een andere manier van leven, maar een diep doorleefd en beheerst relaas van individuele verhalen.
In een interview zegt Ahmad over de stammen: “I’ve always felt that’s the basic building block of human civilization, the tribe”. De Baluchen kunnen lezen noch schrijven, maar Ahmad laat zien hoe sluitend hun logica kan zijn. Eén van de meest ontroerende scènes in dat opzicht is de confrontatie van de Pakistaanse politie met een stam op de rand van de tribal areas met de gebieden waar de regering heerst. Wanneer een andere stam de regels heeft gebroken door over het grondgebied van de eerste stam te trekken, weerlegt een dorpsoudste de argumenten van de politie met een uitgewerkte metafoor. Een fabel die zelf zonder argumenten is, blijkt het perfecte argument om de eigen onschuld te bewijzen.
Uit Ahmads boek spreekt een relativisme dat niet het betekenisloze relativisme is van mensen die niet begrijpen; maar dat wel de andere kant laat zien van een eenvoudige reductie van de stammenmoraal tot primitieve wreedheid. Terwijl een vrouw voor geld uithuwelijken voor ons een symbool kan zijn van een vrouw als object, is weglopen met een vrouw zonder geld te geven, bij hen net geen respect voor de vrouw en de familie, alsof haar leven niets waard is; alsof je niet het mooiste mee zou geven voor de mooiste parel van een dochter.
Tegelijkertijd wordt onze eigen ‘rationaliteit’ in vraag gesteld. De grenzen die voor ons de wereld en ons denken tekenen, zijn voor de nomadische stammen letterlijk dodelijk. De Baluchen die met hun kuddes de zomer in Pakistan en de winter in Afghanistan doorbrengen, staan voor een onmogelijk dilemma wanneer Pakistan in een herfst beslist de grenzen te sluiten; ze behoren tot twee naties, tot geen natie; ofwel gaan ze terug, maar sterven de kamelen door de kou, ofwel gaan ze verder, maar riskeren ze hun eigen levens door tegen de orders van het leger in te gaan. De leider die zijn mannen toespreekt, weet dat de eerste optie geen optie is, voor herders die hun hele leven lang niets anders hebben gedaan dan de grens over te steken. Maar hij wil ze waarschuwen:
‘To them I will only say that we must think carefully. Our journey from now on will not be carefree and easy, like a farmer wandering in his fields or like an eagle wheeling in the sky. From now on, all eyes will be on us and we shall be like a thief running in a city street with a mob after us. He cannot hide himself because on either side of him are brick walls or closed doors. In such a case, friends, if the poor thief finds a brick wall standing in front of him, he dies. The mob kills him. This is the situation. Between us and the plains are two forts. They shall be waiting for us.’
Wanneer ze toch soldaten tegenkomen die hen gebieden terug te keren, treedt een vrouw met een koran op haar hoofd naar voren in het geloof dat dat haar zal vrijwaren, maar ze sterft met één schot. Toch slaagt Ahmad erin om hun ijdele poging niet als zinloos voor te stellen. Er is een trots in de nomadische logica; het zwervende leven opgeven, zou gelijkstaan aan het leven zelf opgeven.
Impliciet is er een kritiek op de laffe omgang van de overheid met de stammen. Ze worden uitgenodigd voor een gesprek in de stad, maar wanneer ze verschijnen, worden ze opgesloten en ter dood veroordeeld voor hun roven. ‘There was complete and total silence about the Baluchis, their cause, their lives and their deaths’.
Binnen het korte bestek van elk verhaal slaagt Ahmad er toch in krachtige personages neer te zetten. De oude krijgsheer kan als voorbeeld gelden: ‘He called himself Sardar Karim Khan Kharot. By men of his tribe and all others, he was adressed as ‘the General’. No man knew his age. If asked, he would grow reflective and say, ‘I know not. I can only say that I am in my third span. Two generations of men who roamed the earth with me have returned to their Maker and I alone am left.’
Dit boek geeft een inkijk in een wereld die zo onbekend is dat het object alleen al de blik moet openen. Maar dat doen in een prachtig gestructureerde verhalenbundel/novelle verheft het tot een boek met het potentieel een klassieker te worden. De bedrieglijk eenvoudige taal – uitgepuurd, zo krachtig en beeldend – brandt de schilderingen van het landschap in al zijn hardheid voor altijd op het netvlies.
✎ DE SCHRIJVER
Pakistaanse schrijver die geboren werd in Lahore, vandaag Pakistan, toen nog Brits India, en later in Islamabad zou wonen. Schreef The wandering falcon in het Engels, op basis van zijn eigen ervaringen als soldaat in de afgelegen streken. Als een van de enige van de troepen sprak hij Pashto, de taal van de meeste stammen, en op basis van zijn notities schreef hij – op aanraden van zijn echtgenote – jaren later dit boek. Zocht veertig jaar tevergeefs naar een uitgever in Europa, maar kreeg het toen in zijn thuisland gepubliceerd, vijf jaar voor zijn dood. Het boek stond op de shortlist voor de Man Asian Literary Prize (Aziës belangrijkste literaire prijs) (die hij had moeten krijgen).
► VERDICT
Betoverend mooi. Je begint te lezen vanuit een exotisme, benieuwd naar de gebruiken en verhalen van een vergeten streek. Je eindigt overgenomen door elk individueel personage en de uitgepuurde taal.
door Ana
