
♞ PERSONAGES
Alceste: chagrijnige en geestige protagonist, die de hypocrisie van de hogere kringen verwerpt, maar zich in de nesten werkt met zijn eerlijkheid, en dingt naar de hand van Célimène
Philinte: Alceste’s vaste compagnon, die zich tot hem verhoudt zoals Horatio tot Hamlet
Oronte: liefdesrivaal van Alceste, die middelmatige poëzie plengt en zonder problemen meedraait in de mondaine hypocrisie
Célimène: de grande dame in wier salon de handeling zich afspeelt en in het centrum van de belangstelling staat
༄ OPENINGSZIN
Philinte: Qu’est-ce donc? Qu’avez-vous ?
Alceste : Laissez-moi, je vous prie.
Philinte : Mais encor dites-moi quelle bizarrerie…
Alceste : Laissez-moi là, vous dis-je, et courez-vous cacher.
Philinte : Mais on entend les gens, au moins, sans se fâcher.
Alceste : Moi, je veux me fâcher, et ne veux point entendre.
De geestige opening toont dat Alceste met kabouter Wesley het op zichzelf bestaande chagrijn gemeen heeft: als een onbewogen beweger heeft hij geen oorzaak of aanleiding nodig om jongensachtig mokkend voor de dag te treden, theatraal, vurig en gesloten. Het is altijd Alceste tegen de wereld, alles of niks: er is voor Alceste geen grijze zone tussen woede en rust (wat niet wegneemt dat zijn lagen moeilijk te pellen zijn, dat het niet eenvoudig is hem te beoordelen). Zijn goede vriend Philinte wil hem spreken, maar Alceste moet niks van hem weten, – zoals hij later zegt omdat hij Philinte zich zag uitsloven in strijkages voor personen die hij niet werkelijk hoogacht. Hetgeen voor Alceste de grote erfzonde is: hypocrisie.
▼ INHOUD
Alceste blieft de mondaine wereld niet, maar kan zijn liefde voor de speelse en geestige Célimène niet onderdrukken, ook al verwerpt hij haar (achterbakse) manieren. Tegelijk wordt hij ondanks zijn norse en stugge karakter aanbeden door Arsinoé en Eliante, vrouwen die redelijk gezien interessanter zijn dan Célimène maar haar sensualiteit ontberen; hij wijst ze dan ook af. Als de gewichtig doende Oronte zijn sonnet voordraagt en Alceste het afbreekt, spant Oronte hem een rechtszaak aan (dat was toen een geplogenheid in de hogere kringen, elkaar aanklagen vanwege onvriendelijke woorden). Alceste houdt voet bij stuk en wordt uiteindelijk in het ongelijk gesteld; hij ziet dit als bewijs van de corruptie van het systeem en kiest voor een ballingschap, ver weg van de mondaine wereld. Hij probeert Célimène mee te nemen maar dit loopt niet goed af.
▲ WAAROM IS HET GOED
Molière was als theaterauteur zo vermetel dat geen enkel obstakel zijn genie in de weg stond. Hij moest rekening houden met de keizerlijke censuur en de smaak van de adellijke kringen en zag zich in het classicistische Frankrijk verplicht tot rijmende verzen; maar zijn spottende commentaren op toentijdse zeden en gewoontes hebben zijn tijdperk moeiteloos overleefd, omdat ze over de menselijke natuur handelen (en die verandert niet, hoogstens evolueren de secundaire uiterlijke omstandigheden), en zijn taal is ondanks de rijmdwang soepel en natuurlijk, – het valt na een poosje niet meer op dat zijn personages in verzen tegen elkaar aan het praten zijn.
Le misanthrope is volgens de meeste kenners zijn magnum opus (gevolgd door Tartuffe, Dom Juan en L’avare). Het is een stuk met een verschroeiend tempo, dat daarin zijn protagonist weerspiegelt: van het begin af drijft Alceste de zaak op de spits en laat hij zijn ongenoegen over de hypocrisie blijken; geduld en tolerantie zijn hem vreemd. Molière gaf zijn comedy-of-manners tragische dimensies en veelgelaagde personages, wat ongebruikelijk was in die tijd. Het is bijna onvoorstelbaar hoe lichtvoetig hij in zijn doel slaagt, wat hij op zo’n kort bestek weet te verwezenlijken. Net als Hamlet, aan wie hij sterk doet denken, is Alceste een mysterie, een personage dat je nooit kan neerpinnen omdat je bij elk oordeel weer door twijfels wordt overvallen: moeten we medelijden voor hem voelen of heeft hij zijn trieste lot aan zichzelf te danken? Heeft hij gelijk met zijn brute eerlijkheid of gaat hij daarin te ver? En in hoeverre meent hij alles wat hij zegt? Alceste loopt gracieus van de lezer weg, wanneer die hem wil vastgrijpen. Hij is van alle personages met voorsprong het intelligentste en geestigste, maar evengoed deelt hij met Lambik een kinderlijke koppigheid, het onvermogen zijn persoonlijke feilen in de ogen te zien. Zijn zelfverklaarde misantropie strekt zich tot het hele mensdom uit, maar stopt wanneer het zijn eigen persoon betreft, wat hem op ironische wijze hypocriet maakt. Een grote schepping, het soort droompersonage dat van zijn maker (en van zijn stuk) wegloopt en zichzelf verwerkelijkt tot iets nieuws.
Als Philinte Alceste vroeg in het stuk na zijn uitbrander vraagt wat hij precies verwacht van de mensheid, vat Alceste zijn visie bondig samen:
Alceste: Je veux qu’on soit sincère, et qu’en homme d’honneur,
On ne lâche aucun mot qui ne parte du cœur.
Een grote eis, zowel van hemzelf als van alle anderen, waarmee je makkelijk in de problemen terechtkomt, iets waar de wijze en zachtmoedige Philinte hem voor waarschuwt:
Philinte: Il est bien des endroits où la pleinte franchise
Deviendrait ridicule et serait peu permise;
Et parfois, n’en déplaise à votre austère honneur,
Il est bon de cacher ce qu’on a dans le cœur.
Dat wil zeggen : ook al heb je gelijk, soms is het raadzaam bepaalde dingen voor jezelf te houden. Maar dat kan Alceste niet, waarmee hij de sympathie van de lezer wint, maar niet die van de mensen in zijn omgeving. We raken hier aan het probleem van Guido uit Fellini’s Otto e mezzo, wiens levensideaal het is mensen de waarheid te kunnen zeggen zonder hen te kwetsen. Alceste is minder vredelievend: de volle reikwijdte van zijn misantropie wordt duidelijk in een tirade ten overstaan van Philinte:
Alceste: Je ne trouve partout que lâche flatterie,
Qu’injustice, intérêt, trahison, fourberie;
Je n’y puis plus tenir, j’enrage, et mon dessein
Est de rompre en visière à tout le genre humain.
(Fourberie is leepheid, bedrog; dessein is plan, opzet; rompre en visière is agressief aanvallen)
Zo houdt Alceste vol dat hij er niks aan kan doen: ‘Mes yeux sont blessés’, zegt hij poëtisch; het theaterspel om hem heen doet hem fysiek pijn en lokt zijn reactie uit. Dat zijn eerlijkheid hem tot een sociale paria kan reduceren, doet hem niks: ‘Tous les hommes me sont à tel point odieux,/ Que je ne serais fâché d’être sage à leurs yeux.’ Op Philinte’s vraag of hij werkelijk iedereen haat, antwoordt hij bevestigend: hij haat de ene helft omdat ze hypocriet en laf zijn, en de andere helft omdat die Alcestes’ haat voor de hypocriete helft niet deelt. Een dichtgetimmerde redenering.
Op die manier treedt Alceste ons tegemoet als een martelaar, een heilige die alle schijn doorzag en zijn sociaal leven opofferde aan zijn strijd ertegen. Zo presenteert hij zichzelf althans. Als hij tijdens en na Orontes declamatie van zijn potsierlijk sonnet zijn afschuw kenbaar maakt, is hij niet alleen geestig, maar ook juist, hij die datgene zegt wat de rest denkt maar niet durft hardop te uiten. En toch is er een reden waarom een beschaafd persoon op zo’n moment zijn gedachtes beleefd voor zichzelf houdt. Gelijk hebben is niet alles: Alceste is bruut en roekeloos, een wild in het rond schietende kamikazepiloot. Het zwaartepunt van Philinte’s vermaning ligt besloten in de regels:
‘La parfaite raison fuit toute extrémité,
En veut que l’on soit sage avec sobriété.’
Een echo van Montaigne (‘Ne soyez pas plus sages qu’il ne faut, mais soyez sobrement sages’), die Paulus’ Brief aan de Romeinen parafraseert (‘Non plus sapere quam oportet sapere, sed sapere ad sobrietatem’). Tussen Molière en Frankrijks grootste denker bestond een innig verwantschap; door Philinte woorden van Montaigne in de mond te leggen, verheft hij niet alleen dat personage tot een wijze, maar toont hij ook Alceste’s onredelijkheid aan. Een geschikte kerel, maar zonder tact, zouden we Carmiggelt kunnen nazeggen.
Er is, behalve hemzelf, nog één andere persoon die zijn gratie geniet: Célimène. Ze is net als alle anderen behept met zonden en mankementen, maar ‘sa grâce est la plus forte.’ Ze ontspringt de dans met haar charmes, waarmee ze Alceste’s ratio uitschakelt (‘Ce n’est pas la raison qui règle l’amour’). Dat ze conform de etiquette haar vele andere aanbidders ook aandacht geeft zint Alceste niet, die niet overtuigd is van haar liefde. Alceste is niet vrij van jaloezie; het gaat zover dat hij liever zou hebben dat niemand anders haar bekoorlijk zou vinden:
Alceste: Ah! rien n’est comparable à mon amour extrême ;
Et dans l’ardeur qu’il a de se montrer à tous,
Il va jusqu’à former des souhaits contre vous.
Oui, je voudrais qu’aucun ne vous trouvât aimable,
Que vous fussiez réduite en un sort misérable,
Que le Ciel, en naissant, ne vous eût donné rien,
Que vous n’eussiez ni rang, ni naissance, ni bien,
Afin que de mi cœur l’éclatant sacrifice
Vous pût d’un pareil sort réparer l’injustice.
De momenten waarop hij door zijn jaloezie verteerd wordt, verliest hij zijn esprit en geestigheid; ook zijn scherpzinnigheid laat hem dan in de steek. Molière spaart niemand in zijn stukken: alle menselijke feilen en zwakheden komen messcherp aan bod.
Zijn komische vernuft uit zich naast Alceste vooral in zijn beschrijvingen van de gehuichelde beleefdheden en de vileine steken onder water; wie meisjes onder elkaar bezig ziet op de speelplaats in het middelbaar weet dat er op dat vlak nog niets veranderd is. Een hoogtepunt is de dialoog tussen de vereenzaamde en gevallen grande dame Arsinoé en Célimène: de duidelijk jaloerse Arsinoé komt Célimène onder het mom van vriendschap waarschuwen voor de achterklap die over haar de ronde doet, maar het is vrij duidelijk dat dit een omslachtige manier is om Célimène zelf in haar gezicht te kunnen uitschelden en dat de aantijgingen en beledigingen uit haar eigen hoed komen. Célimène begint vervolgens op haar beurt de lelijkste dingen naar Arsinoé’s hoofd te gooien, op haar beurt zogezegd uit bezorgdheid om haar reputatie. Een grootse, ordinaire scheldpartij, vilein en puberaal, vermomd als beleefdheid en vriendschap.
De typeringen van sommige personages zijn bijtend, geestig en verbazingwekkend modern van geest:
‘Depuis que dans la tête il s’est mis d’être habile,
Rien ne touche son goût, tant il est difficile ;
Il veut voir des défauts à tout ce qu’on écrit,
Et pense que louer n’est pas d’un bel esprit,
Que c’est être savant que trouver à redire,
Qu’il n’appartient qu’aux sots d’admirer et de rire,
Et qu’en n’approuvant rien des ouvrages du temps,
Il se met au-dessus de tous les autres gens’
Hebben we niet allemaal zo’n snob in onze vriendenkring? Het soort persoon dat stellig verklaart dat er sinds 1973 geen goeie films meer gemaakt zijn (waarbij we niet moeten vergeten zelf althans een klein beetje in de spiegel te kijken, al was het maar voor gedrag uit het verleden[1]).
Alceste’s weigering het gedicht van Oronte goed te vinden brengt hem uiteindelijk in de problemen, – één van zijn meest memorabele uitlatingen komt hieruit voort:
Alceste: Hors qu’un commandement exprès du roi me vienne
De trouver bons les vers dont on se met en peine,
Je soutiendrai toujours, morbleu ! qu’ils sont mauvais,
Et qu’un homme est pendable après les avoir faits.
Hij wordt in het ongelijk gesteld, ziet dit als bewijs van de corruptie van de rechtbank, accepteert zijn lot opdat het moge dienen als voorbeeld, en kiest voor een ballingschap ver weg van de zo gehate mensheid. Célimène, die nog jong is en de bewoonde wereld niet wil verlaten, probeert hem te overtuigen te blijven. Karakteristiek stampvoetend verlaat Alceste de scène, en daarmee ook de lezer: hij is de grote verliezer, maar heeft toch alle harten gewonnen. Eindeloos geraffineerd maar zonder enig mededogen toont Molière onze kleinste kantjes. Misschien wordt de lezer boven alles door twijfel overvallen tijdens het lezen van zijn werken: in hoeverre herkennen we onszelf in zijn personages? In hoeverre zouden we ons moeten herkennen? Dat is niet altijd even duidelijk. Gelukkig maar.
✎ DE SCHRIJVER
Een van de Grote Drie van het zeventiende-eeuwse Franse theater (samen met Corneille en Racine); wordt beschouwd als de grootste en meest tijdloze van de drie; was naast auteur ook artistiek en zakelijk leider en acteur; genoot de gunst van het koningshuis, maar moest opletten met wat hij schreef; vooral bekend als groot satiricus, die de draak steekt met de mondaine zeden.
► VERDICT
Onweerstaanbaar grappig. Onmogelijk geen sympathie te koesteren voor de misantropische Alceste. Tempo is verschroeiend.
door Arthur
[1] Remo
