Samuel Beckett: Endgame

♞ PERSONAGES

Hamm: meelijwekkend figuur die in een rolstoel zit en blind is
Clov: zijn dienaar
Nagg: Hamms vader
Nell: Hamms moeder

༄ OPENINGSZIN

CLOV: (Fixed gaze, tonelessly.) Finished, it’s finished, nearly finished, it must be nearly finished.

Van het begin af staat het doodsthema centraal. Alle dingen lopen op hun einde; de titel geeft ook al aan dat de personages hun laatste spelletje voor de boeg hebben. Beckett is meedogenloos in zijn economie: het stuk bestaat maar uit één bedrijf en er gebeurt eigenlijk niets in, maar het komt aan als een hamerslag.

▼ INHOUD

Hamm is een oudere man, blind en aan een rolstoel gekluisterd; hij zit in een troosteloze kamer te mijmeren over de ijdelheid van alle dingen en voelt dat het einde nabij is. Hij wordt bijgestaan door Clov, die zijn persoonlijke dienaar lijkt te zijn, maar zijn taak moe is. Er staan twee bakken in de ruimte; na een poosje blijken hier twee personen in te zitten, Nagg en Nell, Hamms ouders, die als wormen hun kop uit de bak steken nadat ze het deksel hebben opgetild. Hamm probeert een verhaal te vertellen maar hij krijgt het niet over zijn hart het af te maken. Hij vraagt zich af of het allemaal zin heeft. Allusies op de buitenwereld geven aan dat de wereld aan het vergaan is (of al vergaan is): er is niets of niemand meer over, alsof er een zondvloed of een pest is geweest, er is buiten enkel een al even troosteloos, leeg landschap te zien. Gehandicapt, eenzaam, melancholiek en hulpeloos telt Hamm af naar het grote einde.

▲ WAAROM IS HET GOED

Endgame is één van Becketts drie grote theaterstukken, samen met Waiting for Godot en Krapp’s last tape. Het is zijn donkerste en meest vernietigende stuk: bij Godot wordt het nihilisme in evenwicht gehouden door de absurdistische humor, die van de vaudevilletraditie afstamt en vooral vertegenwoordigd wordt door de clowneske figuren Pozzo en Lucky, wat het stuk een zekere lichtvoetigheid geeft, maar in Endgame biedt niets of niemand enige vorm van verlossing. Het is van begin tot eind hopeloos, er is (letterlijk) niet één zonnestraal die de tristesse kan verlichten, – vanaf de eerste zin is het duidelijk waar het stuk en de personages naartoe gaan. Een beroemde regel van Georg Trakl, de getormenteerde Duitse dichter, had als opschrift kunnen dienen: ‘Een zwart hol is ons zwijgen.’ Op een gegeven moment zegt Hamm: ‘here we’re down in a hole.’ Maar zwijgen kunnen de personages niet, ze proberen het zwarte hol zo lang mogelijk uit te stellen door steeds opnieuw dezelfde vragen te stellen, dezelfde verhalen te vertellen, dezelfde observaties te doen. Hamm en Clov lijken soms wel in één van Dante’s hellekringen te zitten, veroordeeld tot het stellen van steeds dezelfde daden, zoals ook Bloom opmerkt: ‘Although Beckett’s protagonists manifest surprising variety, nearly all of them share one feature: repetition (…)’. In Endgame is die herhaling misschien wel het hoofdthema: de weinige handelingen die gesteld worden zijn herhalingen, de woorden die gewisseld worden, de verhalen die verteld worden, zijn al vele malen eerder gewisseld en verteld. En toch is het einde nakende: de paradox van het stuk bestaat erin dat de eeuwige herhaling uiteindelijk uitmondt in het grote niets. Duizenden korrels zand, elk identiek aan elkaar, vormen een grote hoop, die op het einde wordt weggeblazen, – dat is de metafoor die Clov zelf gebruikt, in de tweede zin van zijn eerste vertoog:

CLOV: Grain upon grain, one by one, and one day, suddenly, there’s a heap, a little heap, the impossible heap.

De onmogelijke hoop of stapel: een ambivalente uitdrukking, die kan slaan op de dood, waarvan we ons onmogelijk een voorstelling kunnen maken, of op de onmogelijkheid van ons leven iets absoluut te maken, iets voleindigd: het is per definitie onaf, want eindig, tijdelijk.
Het leven is dus eindig, en repetitief. Keer op keer vraagt Hamm aan Clov uit het raam te kijken om te vertellen wat er te zien is, wat er aan de hand is, maar er is buiten weinig te zien. Hamm en Clov bevinden zich in een post-apocalyptische wereld, zonder dat die omstandigheid ooit uitgelegd wordt, zomin als er iets anders uitgelegd wordt. Beckett doet niet aan elucidaties: hij schept uit korrels zand kastelen, met bijna niets wordt het Al gevat. Door Hamm als naam te kiezen zinspeelt Beckett niet alleen op Hamlet, maar ook op het thema van de zondvloed, want Hamm is in Genesis één van de zonen van Noah (die van de ark). Hamm en Clov zijn, samen met Nagg en Nell, de laatste overlevenden après le déluge (‘Nature has forgotten us’, zegt Clov), zodat het aantreffen van een vlooi op Clovs lichaam een grootse gebeurtenis is:

HAMM (Very perturbed.) But humanity might start from there all over again! Catch him, for the love of God!

Maar het blijkt moeilijk de vlooi te vinden. Als Clov op het einde van het stuk een kleine jongen waarneemt door het raam en hem enthousiast ‘a potential procreator’ noemt, drukt Hamm alle hoop de kop in; het fatalisme druipt van zijn zin af:

HAMM: If he exists he’ll die there or he’ll come here. And if he doesn’t…

Het zou slechts uitstel van executie zijn; zijn verhaal, hun verhaal, het verhaal, loopt op zijn laatste benen, en daar valt niks aan te doen. Dat legt Hamm ook aan Clov uit: ‘It’s the end, Clov, we’ve come to the end. I don’t need you any more.’ Doorheen heel het stuk klampt hij zich aan Clov vast, die hij bestookt met (steeds dezelfde) vragen: of er buiten iets te zien is, wat er aan de hand is, of hij hem zijn hond (een pluche beest) kan aanreiken, wat zijn ouders aan het doen zijn, en of hij zijn verhaal mag vertellen. Vol wantrouwen en verbittering vraagt Hamm de hele tijd aan Clov of hij hem in de steek gaat laten, hij voelt aan dat Clov zijn dienstplicht wil verzaken: Clov geeft dit ook toe, beweert meermaals te zullen vertrekken, maar blijft dan ter plaatse, nog iets langer, het moment van vertrek nog eventjes uitstellend… Een procedé dat in Godot ook een rode draad vormt, zoals in het beroemde einde:

VLADIMIR: Well? Shall we go?
ESTRAGON: Yes, let’s go.
(They do not move.)

Maar de hierboven geciteerde zin (‘I don’t need you any more’) maakt abrupt een einde aan dit uitstellen ad infinitum, er moet ooit een laatste korrel zijn: ze hebben het lang gerekt, zo lang mogelijk, maar uiteindelijk weet Hamm dat hij niet meer kan ontsnappen. Hij heeft zijn verhaal voor de laatste keer verteld en bereidt zich voor op zijn laatste monoloog, wat hij ook zo zegt tegen Clov:

HAMM: Then let it end! (Clov goes towards ladder.) With a bang! (Clov gets up on ladder, gets down again, looks for telescope, sees it, picks it up, gets up ladder, raises telescope.) Of darkness! And me? Did anyone ever have pity on me?
CLOV: (Lowering the telescope, turning towards HAMM.) What? (Pause.) Is it me you’re referring to?
HAMM: (Angrily.) An aside, ape! Did you never hear an aside before? (Pause.) I’m warming up for my last soliloquy.

Een (tragikomische) postmoderne toets van Beckett, om de vierde wand te doorbreken en Hamm in de hoedanigheid van personage te presenteren. Tegelijk wordt duidelijk welke groteske vormen Hamms solipsime aannemen, dat hij luidop zijn laatste monoloog aan de wereld verkondigt, alsof hij in het centrum van het universum staat, een narcistische gewichtigheid die wordt geïroniseerd door Clovs verwarde interrumperen.
Maar het thematiseren van de fictionaliteit is niet het enige anti-mimetische manoeuvre. De bizarre, wormachtige aanwezigheid van Hamms ouders in de vuilnisbakken, die maar af en toe hun kop naar buiten steken en infantiele (of zelfs dierlijke) aspecten verenigen met melancholie, is een even surrealistische als akelige vondst, die de aftakeling van de mens en de almaar groeiende afstand tussen ouders en kinderen symboliseert. Het valt sterk te betwijfelen, of een realistische setting, met een realistische ouder-kind relatie, even hard kan aankomen, dezelfde essenties kan aanraken en bevatten. We bevinden ons hier op een nieuw niveau van mimesis, zoals de literaire criticus A.D. Nuttal het ook van Shakespeares stukken zei: de natuur van de mens wordt op overtuigender wijze gepresenteerd dan met natuurgetrouwe mimesis zou gebeuren: in plaats van de buitenkant te registreren, is het alsof Shakespeare en Beckett de binnenkant, het hart van het leven en van de mens, weten te vatten, met hun verhalen en personages die buiten het leven staan, die anders zijn dan de verhalen en personen die we in het dagdagelijkse leven aantreffen. En toch komt het ons zo welbekende leven sterker en levendiger naar voren in hun werken dan in die van anderen. Dat is de paradox van dit soort van non-mimesis: het slaagt in het mimetische doel door mimesis te verzaken. Het is moeilijk zich een aangrijpender passage voor te stellen dan de volgende dialoog tussen Nagg en Nell, nadat ze uit hun bakken gekropen zijn:

NAGG: I’ve lost me tooth.
NELL: When?
NAGG: I had it yesterday.
NELL: (Elegiac.) Ah yesterday!
(They turn painfully towards each other.)
NAGG: Can you see me?
NELL: Hardly. And you?
NAGG: What?
NELL: Can you see me?
NAGG: Hardly.
NELL: So much the better, so much the better.

Iets later zegt Nell tegen Nagg: ‘have you anything else to say to me?’, maar het antwoord is negatief: het enige dat hij haar te bieden heeft is een anekdote die hij haar al duizenden keren verteld heeft. Ze berusten in de herhaling, maar worden er ook melancholiek van, net als Hamm en Clov:

HAMM: This is not much fun. (Pause.) But that’s always the way at the end of the day, isn’t it, Clov?
CLOV: Always.

Hamms relatie met zijn ouders is zowat onbestaande. Hij noemt zijn vader ‘accursed progenitor’ en voedt hem pap en koekjes, in ruil waarvoor hij naar zijn verhaal moet luisteren (maar dat wil hij niet). En toch is hij niet geheel onverschillig: om de zoveel tijd moet Clov de deksels oplichten, om te zien of ze nog leven; zo blijkt op een gegeven moment dat Nell overleden is en dat Nagg daar stilletjes om aan het huilen is. Hamm lijkt hier onverstoorbaar onder te blijven. Als Nagg later weer gestopt is met huilen, zegt hij bij zichzelf: ‘The dead go fast.’ Het lot dat ook Nagg en hem en uiteindelijk Clov te wachten staat.
Hamm is een eigenaardig personage: solipsistisch, gevoelloos, geobsedeerd met het einde en de leegte, maar toch is het moeilijk niet door hem geïntrigeerd te zijn en zelfs sympathie voor hem op te brengen, – niet om zijn meelijwekkende toestand, blind en in een rolstoel, maar om zijn mijmeringen, de streepjes poëzie die zijn mond verlaten te midden van de apocalyptische duisternis, en die het etiket hamletiaans verdienen. Bij Beckett heeft elke komma het gewicht van een kathedraal: hij had met Proust en Joyce, zijn twee grote leermeesters, de monomane obsessie met taal gemeen; de ritmiek van zijn zinnen is soms even belangrijk als de woorden zelf, zoals in navolgend stukje:

HAMM: (…) Old endgame lost of old, play and lose and have done with losing. (…) And now? (Pause.) Moments for nothing, now as always, time was never and time is over, reckoning closed and story ended.

Pure poëzie, de taal danst, volgt een onzichtbare cadans, net als Eliots The love song of J. Alfred Prufrock kun je er louter als ritmische woordmuziek van genieten. Een kwaliteit die Becketts proza ook bezit in zijn romans, – de korte zinnen, haperingen, pauzes, mijmeringen, herhalingen gaan golvend in elkaar over, kabbelend als de zee.
‘Time was never and time is over’, zegt Hamm, wat een echo lijkt te zijn van Eliots beroemde beginregels uit The four quartets: ‘Time present and time past/Are both perhaps present in time future,/And time future contained in time past./If all time is eternally present/All time is unredeemable.’ Maar het laatste woord bij Eliot plaatst zijn gedicht duidelijk in een christelijk perspectief; bij Beckett is er van een religieuze signatuur geen sprake, hoewel sommige passages theologische en metafysische dieptes herbergen (zelf zei hij als atheïst gebruik te maken van de katholieke mythologie, omdat hij er van huize uit zo goed mee bekend was).
Soms is een regel even duister en verontrustend als komisch:

HAMM: (Anguished.) What’s happening, what’s happening?
CLOV: Something is taking its course.

De geest van Kafka hangt boven deze regels: we hebben schrik omdat er iets aan het gebeuren is, maar we zouden niet precies kunnen aanduiden wat dit ‘iets’ is. Maar Monty Python is ook niet ver weg: ‘Do you know what happened?’ vraagt Hamm continu aan de verwarde Clov, zonder ooit te specificeren waarop de what betrekking heeft, vooruitwijzend naar de Monty Python sketch ‘Spectrum’ waar de presentator, gespeeld door Michael Palin, opent met de regel: ‘Good evening. Tonight ‘Spectrum’ looks at one of the major problems in the world today – the whole vexed question of what is going on.’ (De intonatie van Palin is essentieel voor een juist begrip van het komische genie).
Hamm telt af naar het einde, is er eigenlijk van het begin af mee bezig geweest (‘The end is in the beginning and yet you go on’, mompelt hij bij zichzelf; hier zie je Becketts invloed op Charlie Kaufman, van wiens film Synecdoche, New York de sleutelzin luidt: ‘The ending is built into the beginning.’), maar aarzelt om de laatste, beslissende stap te nemen: hij is er nog niet klaar voor. Er zit nog levensdrift in hem, zoals in Ibsens Peer Gynt, die er in het laatste bedrijf van zijn toneelstuk alles aan doet om de man met de zeis nog wat langer te ontlopen:

HAMM: (…) Enough, it’s time it ended, in the refuge too. (Pause.) And yet I hesitate, I hesitate to… to end. Yes, there it is, it’s time it ended and yet I hesitate to – (he yawns) – to end.

Daarom ook vertelt hij steeds opnieuw hetzelfde verhaal, zonder er een definitief einde aan te breien, maar het wordt steeds lastiger dat einde uit te stellen: ‘: (…) I’ll soon have finished with this story. (Pause.) Unless I bring in other characters. (Pause.) But where would I find them? (Pause.) Where would I look for them?’.
Ze zitten in een lege wereld waar elke dag op elkaar lijkt: het is onmogelijk hun verhalen nog met nieuwe elementen te bevolken. Zo voegt zich bij zijn motorische handicap en zijn blindheid nog een lege verbeelding, de fantasie heeft niks meer om zich aan vast te grijpen. Anders dan Hamm verlangt Clov naar de leegte en de stilte, alsof hij door de doodsdrift overspoeld wordt; hij droomt van ‘a world where all would be silent and still and each thing in its last place, under the last dust.’ Bijbelse, apocalyptische taal. Hij is Hamms dienaar, zijn laatste steun en toeverlaat, maar lijkt weinig hoop te hebben in het leven, of zelfs niet te verlangen naar het leven. Hamm wankelt tussen hoop en vrees – ‘To think perhaps it won’t all have been for nothing!’ schreeuwt hij op een gegeven moment uit, om uiteindelijk in berusting te eindigen; maar Clov is een nihilistisch sujet, iemand die zijn taak uitvoert en voor de rest niets. Hij bevindt zich aan gene zijde van de hoop. Hamm probeert zich vast te klampen, aan wat dan ook; Clov verwerpt welke mogelijkheid op redding of uitstel dan ook. Hij blijft Hamm dienen maar komt hem niet tegemoet:

HAMM: Before you go… (CLOV halts near door) …say something.
CLOV: There is nothing to say.
HAMM: A few words…to ponder…in my heart.

Maar Clov heeft hem niets te zeggen. Er valt niets meer te zeggen. ‘I can’t leave you’, zegt Hamm in wanhoop, en Clov antwoordt koud: ‘I know. And you can’t follow me.’ Als Clov voor de laatste keer de keuken in zal verdwijnen, zal Hamm alleen achterblijven, – dan zal hij een werkelijke solipsist zijn, alleen in het universum, en langzaam maar zeker opgaan in het luchtledige. Die akelige stilte, die ons allemaal wacht, is op huiveringwekkende aanwezig in Endgame, misschien meer dan in welk ander werk dan ook. Duizend korrels zand bij elkaar opgeteld worden uiteindelijk weggeblazen, en wat heeft het uiteindelijk voor zin gehad? ‘All those I could have helped’, zucht Hamm bij zichzelf in zijn laatste monoloog: de solipsist die op zijn sterfbed spijt krijgt (hypocriet of niet). Weinig opwekkend allemaal (het wordt wie makkelijk vatbaar is voor depressieve of zwartgallige gedachten niet aangeraden het te lezen), maar zo subliem gebracht. Beckett gaat geserreerd te werk, de kale vorm weerspiegelt de kale setting, hij sorteert effect uit kleine momenten en stil gemompel en bereikt zo ontzaglijke pathos zonder de pathos ooit op te zoeken, zonder hoogdravend of barok te zijn. Het stuk is kort, er gebeurt eigenlijk niets in, de personages herhalen elkaar en zichzelf, maar er valt aan de verpletterende kracht van hun weinige woorden niet te ontsnappen. Endgame lezen is als je eigen eindspel te spelen. Het meesterwerk van de grootste theaterauteur van de twintigste eeuw.

✎ DE SCHRIJVER

Ierse dramaturg en romancier, die in zijn jeugd vele jaren trouw om de planeet Joyce cirkelde, maar later (na Joyce’ overlijden en het overstappen op het Frans) zelf een planeet van de eerste orde werd, om wie talloze manen (op vaak epigonistische wijze) begonnen te cirkelen. Beckett wordt door velen gezien als het laatste hoofdstuk van het modernisme, door Harold Bloom zelfs als het voorlopig laatste hoofdstuk van de westerse canon tout court. Het project dat begon bij Homerus en definitief gestalte kreeg in Shakespeare (de zon waar alle navolgende schrijvers zich als Icarus aan branden) vond zijn eindnoot in Beckett. Of dit soort van apocalyptisch denken met de werkelijkheid strookt, en of het nuttig is, laten we aan de oordeelkunde van de lezer over; maar het zegt iets over Becketts talent en verwezenlijkingen dat er zo gedacht wordt.
Hij werd het beroemdste met zijn toneelstukken, die hij eerst in het Frans schreef en dan zelf vertaalde naar zijn moedertaal (de uitzonderlijke affiniteit met het Frans verwierf hij door jarenlang in Parijs te wonen en met de clique van de nouveau roman rond te hangen), maar hij schreef ook grote romans, zoals Murphy, Watt en de trilogie bestaande uit Molloy, Malone dies en The unnamable.

► VERDICT

De eindigheid en ijdelheid van het bestaan is nergens anders zo subliem en vernietigend blootgelegd. Of het moet bij Shakespeare zijn.

door Arthur

Plaats een reactie