Philip Roth: Operation Shylock

♞ PERSONAGES

Philip Roth: de protagonist heet hier niet Zuckerman, Portnoy, Sabbath of Kepesh, maar gewoon Philip Roth, aangezien het verhaal als waargebeurd wordt gepresenteerd
Philip Roth of Moishe Pipik: de grote antagonist noemt zichzelf ook Philip Roth en doet zich als zodanig voor, maar wordt door de echte Philip Roth Moishe Pipik genoemd, een in joodse kringen gebruikelijke naam voor kleine sukkelaars
Jinx: de welgevormde eega en verpleegster van Moishe Pipik, die hem bijstaat en volgt
Aharon Appelfeld: joodse schrijver die door Roth wordt geïnterviewd in Israël
Smilesburger: mysterieuze Israëliet die uiteindelijk bij de Mossad blijkt te horen
George: oud-studiegenoot van Roth en Palestijn die virulent antizionistisch is.

༄ OPENINGSZIN

‘I learned about the other Philip Roth in January 1988, a few days after the New Year, when my cousin Apter telephoned me in New York to say that Israeli radio had reported that I was in Jerusalem attending the trial of John Demjanjuk, the man alleged to be Ivan the Terrible of Treblinka.’

Een kloeke openingszin, waarin onmiddellijk de heerlijke en kenmerkende rothiaanse dynamiek besloten ligt: het leukste aan romans van Philip Roth is de ritmiek van zijn zinnen, de stuwende kracht van de gedachtestromen, tirades en monologen, de lichtvoetigheid die hij op de een of andere manier zelfs bij de zwaarste onderwerpen weet te bewaren. Van alle werkelijk grote schrijvers is hij misschien wel de meest vermakelijke. Hij vat de koe ook onmiddellijk bij de horens: het beroemde Demjanjuk-proces is de spil waarrond het verhaal draait, samen met het bizarre plot met de doppelgänger.

▼ INHOUD

Philip Roth staat op het punt naar Israël af te reizen, enerzijds om de grote Israëlische schrijver Aharon Appelfeld te interviewen, anderzijds om het Demjanjuk-proces bij te kunnen wonen, als hij hoort dat iemand zich als hem voordoet in Israël en in die hoedanigheid het Diasporism predikt als oplossing voor het ‘nieuwe joodse probleem’ dat het zionisme met zich heeft meegebracht: alle joden moeten per direct terugkeren naar Europa, waar ze eigenlijk thuishoren; het zionisme was een poosje nodig om te bekomen van de holocaust, maar nu is zijn functie uitgewerkt en moeten de joden – voor hun eigen bestwil – terug naar waar ze vandaan komen. Enigszins verbaasd (aanvankelijk wijt hij het verhaal zelfs aan een illusie ten gevolge van zijn medicatie, die sterke neveneffecten veroorzaakt) besluit Roth de kat uit de boom te kijken en de bedrieger nog niet aan te geven: hij is te nieuwsgierig en wil eerst meer over zijn dubbelganger te weten komen. Tegen het advies van zijn vrouw in, die het als een geschifte onderneming beschouwt (de spanningen tussen Israël en Palestina lopen hoog op), maakt hij de reis.

In Israël wordt hij al snel door de andere Philip Roth op de schouder getikt. Hij blijkt fysiek zowat identiek aan de echte Philip Roth te zijn, alleen net iets knapper (zoals Roth lichtjes geërgerd opmerkt), en een groot kenner en liefhebber van zijn werk; zijn enige kritiek is dat Roth zijn roem en invloed nooit ten gunste van het joodse volk aangewend heeft, zodat hij van dat identieke uiterlijk gebruik maakte om dat verzuim te herstellen. Zijn pleidooi voor een terugkeer naar Europa is dus oprecht; hij vreest dat Israël vernietigd zal worden door de Arabieren als de joden er nog langer blijven. Roth doet hem geïrriteerd af als een gestoorde en zielige bloedzuiger, maar raakt toch door hem geïntrigeerd, en slaagt er nog steeds niet in zijn advocaten te bellen om de zaak door hen te laten afhandelen: de schrijver in hem vermoedt dat er nog meer in het verhaal zit en dwingt hem het hoofd koel te houden. Sterker nog: hij weerspiegelt het theater van zijn dubbelganger door tegenover anderen te doen alsof hij werkelijk achter zijn uitspraken over Diasporism staat, en gaat in zijn rol op tijdens vurige monologen (zonder precies te begrijpen waarom).

De andere kant van het debat wordt vertegenwoordigd door George Ziad, een Palestijnse vriend van Roth, die hij ook tegen het lijf loopt en hem ervan probeert te overtuigen dat de Israëlieten de duivel op aarde zijn. Roth is noch voor Moishe Pipik, zoals hij zijn dubbelganger structureel noemt, noch voor George Ziad ingewonnen. Intussen interviewt hij Aharon Appelfeld over zijn werk en de holocaust en volgt hij van nabij het proces-Demjanjuk.

Via Jinx, de bevallige verpleegster van Moishe Pipik (hij is herstellende van kanker), komt Roth meer over Pipik te weten (hij blijkt bijvoorbeeld een Anti-semites Anonymous therapiegroep te hebben opgericht), maar hij ontwikkelt nu vooral een obsessie met Jinx zelf.
Het laatste deel van het verhaal bestaat uit de zogenaamde Operatie Shylock: de Mossad wil Roth inhuren om te speuren naar bemiddelde joden die donaties doen aan pro-Palestijnse en dus anti-israëlitische groeperingen, maar Roth legt het voorstel naast zich neer. In de epiloog van het boek volgt nog een gesprek tussen Roth en een ex-agent van de Mossad, die hem aanmaant bepaalde elementen uit zijn boek over zijn ervaringen in Israël weg te laten ten behoeve van zijn eigen gezondheid.

▲ WAAROM IS HET GOED

Zoals vaak bij een Philip Roth in goeie doen is het plot krankzinnig. Het concept van de doppelgänger gebruiken voor een diepgaande en scherpe analyse van het conflict tussen Israël en Palestina, tegen de achtergrond van meer algemene beschouwingen over het jodendom en de joodse identiteit, gekoppeld aan het beruchte proces van Demjanjuk, is een krachttoer die gemakkelijk verkeerd had kunnen aflopen: het had te ingewikkeld, te langdradig, te predikend kunnen zijn, of op irritante wijze solipsistisch, of volstrekt ongeloofwaardig. Roth komt er – op de een of andere wijze – mee weg. Het klopt allemaal in zijn hoofd, het verhaal heeft nooit een artificieel of gezocht karakter. Vooral als het over de joodse identiteit gaat is hij regelmatig lekker op dreef; zijn beroemde gevoel voor humor is altijd en overal aanwezig, scherp, bijtend, ironisch, sardonisch, absurdistisch, joods.

Shylock

Misschien is de centrale kwaliteit van Operation Shylock wel de ambivalentie, de manier waarop Roth zichzelf tegelijk belachelijk maakt en ernstig neemt, de manier waarop in de debatten elk punt een contrapunt krijgt, de manier waarop de kluchtige aspecten van de roman in evenwicht worden gehouden door mijmeringen over de holocaust en theologische vraagstukken. De exuberantie van het verhaal en de taal is niet te stuiten, hier en daar overrompelend: lange, imposante monologen van personages worden afgewisseld door soms erg geestige avontuurlijke episodes, de hier en daar ingevoegde delen van het interview dat Roth van de grote Israëlische schrijver Aharon Appelfeld afnam geven de roman zijn postmodern karakter en werpen, samen met het proces van Demjanjuk, de schaduw van de holocaust over het verhaal, het doppelgänger-thema is door de accumulation of detail en door Roths stijgende verbazing en verwarring overtuigend, in plaats van afgezaagd.

Moishe Pipik is precies daarom een schitterend personage, omdat hij sterk afwijkt van het klassieke topos van de doppelgänger zoals je die bijvoorbeeld bij Dostojevski aantreft: hij lijkt eigenlijk gewoon toevallig op Roth, en gebruikt die gelijkenis om de joden van Israël te redden van een volgens hem onvermijdelijke dood, zoals Roth van hem verneemt bij hun eerste gesprek:

“In the immediate postwar era, when for obvious reasons Europe was uninhabitable for Jews, Zionism was the single greatest force contributing to the recovery of Jewish hope and morale. But having succeeded in restoring the Jews to health, Zionism has tragically ruined its own health and must now accede to vigorous Diasporism.”

Niet onmiddelijk wat Roth verwacht had: ‘The starchy rhetoric, the professional presentation, the historical perspective, the passionate commitment, the grave undertones… What sort of hoax is this hoax?’ Hij vermoedt eerst dat Pipik hem op de een of andere manier wil exploiteren dan wel belasteren, maar ondervindt dat Pipik wel degelijk achter zijn leer staat en er geen andere bedoelingen achter zijn daden verborgen liggen. Wat niet wegneemt dat hij een erg bizar sujet is, arrogant, hoogdravend en gedreven; Roth komt zijn verbazing over Pipik eigenlijk nooit te boven, en is er op geen enkel moment zeker van of het toch niet allemaal een grap is:

‘He gives off none of the aura of a real person, none of the coherence of a real person. Or even the incoherence of a real person. Oh, it’s all pretty incoherent, but incoherent in some wholly artificial way.’

De dialogen tussen Roth en Pipik zijn een hoogtepunt in de roman: Roth vindt hem vervelend en aanmatigend, maar kan zich er niet van weerhouden hem ook fascinerend en onderhoudend te vinden, en Pipik adoreert Roth maar ergert zich tegelijk blauw aan diens pesterijen (bijvoorbeeld dat hij de naam Moishe Pipik krijgt, ‘the little guy who wants to be a big shot, the kid who pisses in his pants, the someone who is a bit ridiculous, a bit funny, a bit childish, the comical shadow alongside whom we had all grown up’) en scepticisme. In elk geval laat Roth hem, en op die manier het verhaal, zijn gang gaan, omdat hij in de ban is van een betovering,

‘a force stronger than prudence, more compelling even than anxiety or fear, something that preferred this narrative to unfold according to his, and not my, specifications.’

In een latere passage wordt die fascinatie duidelijk: ‘He struck me instead as a great idea…yes, a great idea breathing with life!’ Dit is de romanschrijver die geen nee kan zeggen tegen meer leven, tegen iets nieuws en raars, iets memorabels, iets verhaalwaardigs.

De woorden die het vaakst vallen zijn Jew en goyim (de joodse term voor niet-joden); van begin tot eind wordt er door elk personage, inclusief Roth, commentaar gegeven op de joodse identiteit, op de relatie tussen joden en God, op het Israël-Palestina conflict, met al zijn complexiteiten en nuances, zijn valkuilen en aporieën

Operation Shylock is Roths meest (expliciet) joodse roman. De woorden die het vaakst vallen zijn Jew en goyim (de joodse term voor niet-joden); van begin tot eind wordt er door elk personage, inclusief Roth, commentaar gegeven op de joodse identiteit, op de relatie tussen joden en God, op het Israël-Palestina conflict, met al zijn complexiteiten en nuances, zijn valkuilen en aporieën, op de holocaust en de gevolgen daarvan op het joodse volk, op de relatie tussen joden en de goyim, op het conflict tussen de oude Hebreeuwse, sterk religieuze cultuur en de moderne, meer seculiere cultuur, et cetera. Om deze reden zei John Updike in zijn recensie dat alleen lezers met een fascinatie voor Roth en Israël het boek naar waarde zouden schatten, wat enigszins te begrijpen valt, maar de esthetische kracht, de inventio, de humor, de complexe (historische) analyses, de drijvende kracht van het proza, de allesdoordringende exuberantie tekortdoet.

Harold Bloom zei na het overlijden van Roth: ‘In one sense Philip Roth is the culmination of the unsolved riddle of Jewish literature in the twentieth and twenty-first centuries.’ Hij duidt Kafka en Freud aan als de twee voornaamste voedingsbronnen van Roth (in combinatie met ‘Jewish-American life’); ze worden beiden genoemd in Operation Shylock, maar zijn lang niet de enigen: het is alsof Roth elke Grote Jood uit de geschiedenis laat passeren, met verwijzingen naar Woody Allen, Groucho Marx, Shylock zelve, Jezus, Job, Bruno Schulz, Ben-Gurion, Amos Oz, A.B. Yehoshua, Theodor Herzl, Saul Bellow, Elie Wiesel, Shimon Peres, Bernard Malamud, Norman Mailer, Einstein, Marx, Appelfeld, Meyer Lansky en veel anderen. In de lange monologen van Roth, Pipik, George (de Palestijn), Jinx, Smilesburger (een bemiddelde Jood, die uiteindelijk een agent van de Mossad blijkt te zijn) en anderen laat Roth meningen van alle kanten van het spectrum los. Het Diasporism van Pipik maakt hij compleet belachelijk door te wijzen op de Jodenhaat die toen nog bestond in Europa (we schrijven 1988; het is maar de vraag in hoeverre dit inmiddels veranderd is):

Roth met een poster van Kafka op de achtergrond

“You speak about resettling Jews in Poland, Romania, Germany? In Slovakia, the Ukraine, Yugoslavia, the Baltic States? And you realize, do you (…) how much hatred for Jews still exists in most of these countries? (…) Poles weeping with joy at the feet of the Jews! And you tell me you are not writing fiction these days?”

In de monologen van Jinx legt Roth op akelige wijze het ontstaan en de aard van antisemitisme bloot. Ze is zelf een herstellende antisemiet, op het pad naar genezing gebracht door Pipik via zijn therapiegroep Anti-Semites Anonymous (één van de geestigste elementen van de roman; de therapiegroep blijkt over ‘ten tenets’ te beschikken, waarvan er eentje luidt als volgt: “We are not scholars, we do not care why we have this dreadful illness, we come together to admit that we have it and to help one another get rid of it.”); ze legt op Roths aandringen uit hoe ze de joden is beginnen te haten:

‘Their money. Their wives. Those women, those faces of theirs – those hideous Jewish faces. Their kids. Their clothes. Their voices. You name it. But mostly their look, the Jewish look.”

Ze beschrijft de joden die ze in Amerika kende als een op zichzelf bestaand groepje, dat zich bewust afscheidt en onderscheidt van de goyim; ze hebben impliciet iets hooghartigs in hun bewegingen, ze zijn iets te rijk, iets te slim, iets te eloquent, iets te arrogant, – alsof ze zich laten voorstaan op hun Andersheid, hun superioriteit.
De Palestijn George beschuldigt de Israëlitische joden ook van dat superioriteitsgevoel en van hypocrisie; zelfs vreedzame zielen als Amos Oz moeten voor de bijl:

“These victorious Jews are terrible people. I don’t just mean the Kahanes and the Sharons. I mean them all, the Yehoshuas and the Ozes included. The good ones who are against the occupation of the West Bank but not against the occupation of my father’s house, the ‘beautiful Israelis’ who want their Zionist thievery and their clean consciousness too.”

George valt de arrogantie van de Israëlieten aan, die zich beter wanen dan de joden in de diaspora: ‘As if this Jew who now speaks Hebrew isn’t just another kind of Jew’. Het doet denken aan een controversiële uitspraak van de grote Israëlische auteur A. B. Yehoshua, toen die zei dat het authentieke Jodendom alleen in Israël kan worden gevonden: in de diaspora wordt er maar een beetje ‘gespeeld’ met het jodendom, zonder ernst. 

Roth verwerpt het rabiate antisemitisme en antizionisme van George via een korte innerlijke observatie: ‘The shaming nationalism that the fathers throw on the backs of their sons, each generation, I thought, imposing its struggle on the next’, maar neemt zelf nooit een expliciet zionistisch standpunt in; hij beperkt zich ertoe de waanzin en ongenuanceerdheid aan beide kanten te veroordelen. In de woorden van Anna, de vrouw van George, ligt de onmogelijkheid om het conflict op te lossen besloten: “The hatred on both sides is too enormous, it envelops everything. There is no trust and there will not be for another thousand years.” In een gesprek met een taxichauffeur komt Roth het dichtste bij een standpunt: “If you mean Meir Kahane, then I am not a Zionist. If you mean Shimon Peres…” maar het niet afmaken van de zin is op dubbelzinnige wijze significant (Meir Kahane was overigens een extreemsrechtse Israëlisch nationalist).
Wat de verschillende stemmen boven alles duidelijk maken is dat de geschiedenis een grote rotzooi is en God een ondoorgrondelijke chaoot. Het sleutelstukje is een opmerking van Roth tegen Pipik:

“Know what Heine liked to say? There is a God, and his name is Aristophanes. You prove it. It’s Aristophanes they should be worshipping at the Wailing Wall – if he were the God of Israel I’d be in shul three times a day!”

God is een gestoorde, geïrriteerde vader, zegt Smilesburger tegen Roth; vanaf het moment dat hij de mens schiep ergerde hij zich over ons, zonder duidelijke oorzaak

Aristophanes, de befaamde Griekse toneelschrijver die bekendstaat als de ‘father of comedy’, als de schepper van het Al, – hoe kan je anders de geschiedenis verklaren? God is een gestoorde, geïrriteerde vader, zegt Smilesburger tegen Roth; vanaf het moment dat hij de mens schiep ergerde hij zich over ons, zonder duidelijke oorzaak, of nog: God zond Hitler op de joden af omdat hij gek is. We bevinden ons hier op het terrein van Job en van Kafka, de onmogelijkheid Gods handelen te begrijpen, het zwijgen van God, die als rechtbank fungeert zonder dat hij zijn beslissingen ooit rechtvaardigt:

“Where was God between 1939 and 1945? I’m sure He was the the Creation. I’m sure he was at Mount Sinai with Moses. My problem is where He was between 1939 and 1945. That was a derelection of duty for which even He, especially He, cannot ever be forgiven.”

Maar Roth zou Roth niet zijn zonder seksuele spanning. Te midden van alle gepraat over de holocaust en antisemitisme ontwikkelt Roth een sterke begeerte naar de bevallige Jinx, nota bene een herstellende antisemiet (over de obsessie van joden met shiksas, dat wil zeggen niet joodse-vrouwen, heeft Roth elders al veel geschreven), wat leidt tot zinnetjes als “My lips around your stiff stiff cock –” (aan de telefoon) en de onvermijdelijke seksscène. En te midden van al het gehaat op Joden slaagt Roth erin (bij monde van Pipik) zelf een hilarische gefrustreerde observatie te doen:

“The Jew always whines, he always brings up anti-Semitism. I’ve never seen an article about a Jew, a Hollywood star, a politician, or anyone, for Christ’s sake, he sell hot dogs, where he doesn’t talk about how, in high school, when he was going for his violin lesson, the gangs laid in wait to beat him up.”

De kleine jood die op weg naar de vioolles door de lompe kwajongens in elkaar wordt getimmerd: iets dat je inderdaad in pakweg de autobiografie van Harpo Marx zal aantreffen, of in de films van Woody Allen, een hilarisch stereotype dat maar al te waar is.
De verwijzing naar Shylock in de titel wordt uitgelegd door een zionistisch prediker, waar Roth een poosje naar luistert: Shylock is zoals u weet het beruchtste joodse personage uit de wereldliteratuur, een snaakse lener die in Shakespeare’s The merchant of Venice de protagonist Antonio te gronde drijft en nogal gehecht is aan geld; de eerste drie woorden die hij in het stuk zegt zijn ‘Three thousand ducats’, ‘three words that determine the Jewish fate until this very day.’ De jood heeft de reputatie van Shylock nooit van zich kunnen afwerpen:

“To the audiences of the world Shylock is the embodiment of the Jew in the way that Uncle Sam embodies for them the spirit of the United States.”

Maar Smilesburger gaat, in de hoedanigheid van lid van de Mossad, nog verder: het is niet alleen in de perceptie van anderen en door Shakespeares toedoen dat de jood een kwalijke reputatie heeft en al heel de geschiedenis lang onder vuur staat, het komt ook door de joden zelf: “The Jew’s lack of love for his fellow Jew is the cause of much suffering among our people.” Smilesburger wijst erop hoe joden elkaar en zichzelf sinds de schepping onophoudelijk bekritiseren en becommentariëren, de zogenaamde lashon hara, de Hebreeuwse term die het kwaadspreken over andere personen aanduidt, met dien verstande dat het niet om laster gaat: laster bestaat uit leugens, maar lashon hara betreft de waarheid. Er bestaat daarom een traditie binnen het Jodendom die het zwijgen predikt, de beheersing om negatieve dingen voor jezelf te houden: “’For each and every moment that a person remains silent, he earns a reward too great to be conceived of by any created being.’ This is the Vilna Gaon quoting from the Midrash.”
Niemand zwijgt, iedereen geeft zijn mening: denk aan Amos Oz die zei dat het Jodendom geen paus heeft en dus geen hoogste autoriteit, zodat iedereen voor profeet kan spelen en zich aan talmoedische uitleggingen van de oudste teksten kan wagen. En in zijn grote roman Volmaakte rust klaagt hij ook de haat van de joden voor elkaar aan en hun oeverloze geneuzel:

‘We worden (…) gek van onszelf, we haten onszelf, we praten over elkaar en over onszelf zoals Hitler het deed, en intussen blijven we maar medelijden met onszelf hebben. (…) Waar het op aankomt, is dat we leren leven zonder zoveel te praten, en als we praten, dan op de manier van Oedi, die simpelweg zegt dat het een perfecte dag is.’

Roth doelt in de preek van Smilesburger overduidelijk op zijn moeizame relatie met het jodendom, dat hem zijn boeken nooit in dank heeft afgenomen, – het ging zelfs zover dat de grote Gershom Scholem een artikel schreef om een banvloek over Roth uit te spreken na de publicatie van de joodse masturbatieroman Portnoy’s complaint. Wat natuurlijk ridicuul is; het strekt Roth in elk geval tot eer dat hij erin slaagde uit een omhulsel van eeuwen te breken en alle religieuze preutsheid en enggeestigheid van zijn omgeving weg te bezemen met zijn romans.

Wat tenslotte het Israël-Palestina conflict betreft, dat op dit ogenblik opnieuw zo relevant is, laat Roth over de schuld van Israël geen twijfel bestaan, opnieuw bij monde van Smilesburger:

“The Jewish state, from the day of its inception, has been dedicated to eliminating a Palestinian presence in historical Palestine and expropriating the land of an indigenous people. (…) To make a Jewish state we have betrayed our history – we have done unto the Palestinians what the Christians have done unto us: systematically transformed them into the despised and subjugated Other.”

Een sterke toets, helemaal op het einde van de roman, temeer omdat die observatie niet uitmondt in een simplistisch en op de keper beschouwd antisemitisch pleidooi voor het opheffen van de staat Israël. Roth weet dat de geschiedenis uiteindelijk in de handen ligt van Aristophanes.

Het is niet eenvoudig een eenduidig eindoordeel te vellen over deze roman, net zomin als over het hele oeuvre van Philip Roth. Roth is een groot schrijver, dat is boven alle twijfel verheven, maar hoe groot precies? De twee voornaamste Amerikaanse reuzen van de negentiende eeuw en de eerste helft van de twintigste eeuw, Melville en Faulkner, lijken een maatje te groot voor hem, als we ze zouden vergelijken…, – waarin schuilen Roths mankementen, zijn beperkingen? Navolgend stukje uit Operation Shylock werpt licht op deze vraagstelling:

“You know what’s at the heart of the misery of a breakdown? Me-it is. Microcosmosis. Drowning in the tiny tube of yourself. Coming here I had it all figured out: desubjectified in Jerusalem, subsumed in Appelfeld, swimming in the sea of the other self – the other self being yours. Instead there is this me to plague and preoccupy me, a me who is not even me to obsess me day and night.”

Een belangrijke observatie binnen het oeuvre van Philip Roth, bij nadere beschouwing misschien wel de centrale ontboezeming van zijn schrijverschap, de sleutel tot zijn persoon en poëtica. Er zit de ironie van zelfkennis in: Roth lacht met zijn obsessie met zichzelf, die hij vanaf het begin van zijn schrijverschap had, maar geeft tegelijk de onmogelijkheid aan zich aan zijn eigen schaduw te ontworstelen; zelfs in een verhaal dat over Demjanjuk, het Israël-Palestina conflict en Aharon Appelfeld zou moeten gaan, onderwerpen genoeg om zich in te verdiepen en aan een analyse te onderwerpen buiten het ‘zelf’, kan hij het niet laten zichzelf toch weer in het centrum van de aandacht te plaatsen, op geestige en meeslepende wijze, – en daarin ligt de paradox besloten: Roths grote kracht is ook zijn grote zwakte. In zijn analyses en beschrijvingen van zichzelf, van zijn omgeving, zijn cultuur, zijn joodse identiteit en alles wat daarbij komt kijken, als zelf aangesteld freudiaans interpretator van de conflicten tussen id, ego en superego die zich in zijn binnenste afspelen, kent Roth weinig gelijken: niemand is even geestig, speels, consequent, scherp, beeldend, onstuitbaar; het beeld dat hij schetst van zichzelf en van het (joods) Amerika waarin hij leefde is even dynamisch als blijvend.

Maar het probleem (om het zo te noemen) is dat al Roths meest memorabele personages afscheidingen zijn van zichzelf: de sprong die Joyce maakt van Stephen Dedalus naar Leopold Bloom, van het Zelf naar radicale Andersheid, die Ulysses uittilt boven het eerdere werk van Joyce, heeft Roth nooit kunnen maken, – en dat geeft hij hier zelf toe, op de hem kenmerkende wijze, nooit gespeend van wrange humor. Hij weet dat hij geen demiurg is, zoals Shakespeare, Chaucer, Ibsen, Tolstoj, Dostojevski, Flaubert, Dickens, Carroll, Joyce, Proust en Faulkner; hij is niet in staat geweest de wereld te bevolken met nieuwe, op zichzelf staande personages als Falstaff, the Mad Hatter, Hedda Gabler, Hadji Moerat, mr. Swann, Leopold Bloom en mr. Pickwick.
Nu is dat geen schande: de opsomming van de demiurgen toont aan dat het een select en uitzonderlijk gezelschap is. En dat Roths grootste personages klonen zijn van hemzelf belet hen niet memorabel te zijn – zijn Alexander Portnoy en Mickey Sabbath niet bijna even beroemd als Huckleberry Finn? Op zichzelf beschouwd zijn het grote personages; de dieptes die in onze psyche en ons libido, in onze dromen, angsten en obsessies verborgen liggen, peilt Roth even nauwkeurig als wie dan ook, in heerlijk zwierig proza. Hij kan het niet laten zijn reis naar Israël (want grote delen van de roman, zoals het proces en het interview met Appelfeld, zijn waargebeurd) tot een spannend en geschift verhaal om te toveren, met een dubbelganger, een femme fatale, de Mossad en jodenhaat die in evenwicht wordt gehouden door jodenliefde. En daar moeten we hem dankbaar voor zijn.

✎ DE SCHRIJVER

Joods-Amerikaanse schrijver die zich in de tweede helft van de twintigste eeuw tot één van de meest toonaangevende auteurs ter wereld ontwikkelde; schreef meestal over het joodse leven in de Verenigde Staten, en dan in het bijzonder in zijn geboortestad Newark, over seks en over de Amerikaanse geschiedenis. Paarde een groot gevoel voor humor aan een zwierige stijl. Het verzuim van het Nobelprijscomité (ze lieten hem al die jaren links liggen) is onbegrijpelijk.

► VERDICT

Het eerste grote werk in Roths glorieuze marathon van rond de eeuwwisseling, bestaande uit American pastoral, Sabbaths theater, The human stain en The plot against America. Hier en daar is een zijsprong er wat te veel aan; maar als commentaar op wat het betekent een jood te zijn is het ongeëvenaard.

door Arthur