
♞ PERSONAGES
Futaki, de Schmidts, de Halics en de Kráners: de centrale figuren van de kolonie, uitgeleefd en zonder de fut om hun uitzichtloze levens te veranderen. Futaki is de slimste, Schmidt een norse kerel, mevrouw Schmidt een wulpse maar inhoudsloze dame waar alle mannen van de kolonie een oogje op hebben, maar die zelf alleen van Irimias houdt, mevrouw Halics een overtuigd katholiek die de goddeloze drankzucht en wellust van de anderen met afgrijzen bekijkt, niet begrijpt dat God hen nog niet heeft gestraft en op Irimiás hoopt om de harmonie te herstellen
De dokter: een in zichzelf gekeerde brompot, die zichzelf heeft opgesloten in zijn huis, niet meer van zijn stoel komt, de hele dag door palinka (een Hongaarse sterkedrank) drinkt en alle banale dingen van het dorp in zijn dagboek neerschrijft
De familie Horgas: een marginale familie met een zoon die geld aftroggelt van zijn zwakzinnige zus en twee andere zussen die zich prostitueren in de oude molen
Estike: de mentaal beperkte dochter van mevrouw Horgas
Irimiás: de geheimzinnige verlosser met profetische trekken die opstaat uit de dood
Petrina: diens helper
༄ OPENINGSZIN
Op een ochtend tegen eind oktober, vlak voordat de eerste druppels van de onbarmhartig lange herfstregens op de gebarsten grond van het verdorde land ten westen van de kolonie zouden neerdalen (waarna door de stinkende modderzee de landwegen tot het invallen van de vorst onbegaanbaar zouden zijn, zodat ook de stad niet meer te bereiken was), werd Futaki wakker van het gebeier van klokken.
Krasznahorkai schetst al in de eerste zin het uitzichtloze landschap, met zijn gebroken aarde, eeuwige regens, de onbegaanbare wegen, en zal er voortdurend naar terug verwijzen. In die leegte is het dorp ingedommeld, maar het verhaal brengt de schijnbare verlossing: Futaki wordt uit zijn slaap gewekt door klokken die luiden. De klokken krijgen een symbolische waarde als blijkt dat er helemaal geen kerk of kapel in de buurt is waar nog werkende klokken zouden kunnen hangen. Het luiden in de eerste zin is als het inzetten van het verhaal als een symfonie of als de tango die het wil zijn; de klokken gelden als een aankondiging van de komst van Irimiás, met de belofte de mensen aan de leegte te onttrekken. In een cyclische structuur komen de klokken op de laatste bladzijdes terug, wanneer het de bewegingsloze dokter is die ze hoort, en die voor de klokken zijn huis verlaat en op zoek gaat naar hun herkomst.
▼ INHOUD
De niet bij naam genoemde kolonie is een vervallen gehucht waar de tijd en de mensen in cirkels draaien; het regent onophoudelijk, landbouw of andere nijverheid is niet meer mogelijk en de inwoners verdoen hun tijd met bedrog, overspel en alcohol. De Schmidts, de Halics en de Kráners hebben wat geld verzameld en willen het dorp verlaten, maar het is alsof ze tegengehouden worden door een onzichtbare kracht. Wanneer het duidelijk wordt dat de dood gewaande Irimiás in aantocht is, begeven ze zich naar de kroeg om op zijn aankomst te wachten. Dat wachten neemt het grootste deel van het boek in beslag; sommigen geloven niet dat Irimiás komt, ze vieren feest, slapen en praten de tijd vol met onzinnige gesprekken.
Ondertussen verandert het perspectief naar de dokter, die niet meer uit zijn stoel komt en de spullen rond hem heen optimaal heeft gerangschikt om nauwelijks te hoeven bewegen voor het volbrengen van zijn dagelijkse beslommeringen – palinka drinken, door het venster de bewegingen van het dorp in de gaten houden (van elke beweging raakt hij ontzettend geërgerd) en elke indruk in zijn dagboek opschrijven. Daarna volgen we Estike, een zwakzinnig meisje dat zich op de zolder terugtrekt om niet door haar familie te worden uitgescholden en daar zelfmoordplannen beraamt. Wanneer Irimiás aankomt, verklaart hij het dorp schuldig aan haar dood omdat men de uitzichtloosheid onderging zonder er iets aan te doen, en belooft – op voorwaarde dat ze al hun munten aan hem geven – met hen een nieuw leven op te bouwen in een vervallen kasteel waar ze een autonome boerderij van maken. Maar het kasteel is in verschrikkelijke staat, Irimiás neemt hem mee naar de stad; de belofte blijkt een luchtkasteel. In de kolonie blijft de dokter achter in de waan dat iedereen plots rustig is geworden.
▲ WAAROM IS HET GOED
De sfeer van het boek – de dystopische leegte – doordringt heel het verhaal via de modder en de regen, die Béla Tarr geweldig beeldend brengt in de film die wel zeven uur moest duren (de uitwisseling is een zeldzaam geval waarbij boek en verfilming elkaar wederzijds versterken). Het blijft het hele boek regenen. De inertie van de dorpsbewoners wordt belichaamd in de figuur van de dokter, die letterlijk niet meer van zijn plaats komt, en met hem in de cyclische structuur, wanneer de dokter aan het einde ziet dat hij geen blik meer nodig heeft: hij heeft de cirkels van de kolonie verinwendigd en kan ze opschrijven zonder iets daadwerkelijk te zien; de zinnen die hij in zijn dagboek schrijft zijn de beginzinnen van de roman. Het herinnert aan het einde van Honderd jaar eenzaamheid (Krasznahorkai heeft hem aandachtig gelezen), waarin Melquíades de kronieken van de familie Buendía al die tijd al bij zich blijkt te dragen. De dokter wordt zo de alwetende verteller, die geen blik nodig heeft om te kunnen zien, die de beweging in zich draagt, terwijl de mensen weg zijn: de personages zijn dubbel afwezig; terwijl de dokter dacht dat ze in het dorp waren, zijn ze al vertrokken; en de vertelling zelf is al een schim van hun bestaan. De verlossing die de profetische Irimiás belooft te brengen lijkt een luchtbel; ook die doorbreking van de cirkel is slechts een verderzetting op andere plaatsen.
Krasznahorkai koos als adagium van het boek een zin uit Kafka’s Het Slot: dann will ich ihn lieber beim warten verfehlen (dan mis ik hem liever tijdens het wachten); de vruchteloosheid van het wachten rijgt de tijd aan elkaar en geeft de enige zin, die zelf betekenisloos is.
De zwartheid krijgt zijn volle kracht in combinatie met een magische en humoristische ondertoon. Het verhaal bevindt zich vaak op de rand van het surreële: de spinnenwebben blijven zich weven bij de kastelein, zonder dat er ooit spinnen zijn; potten en pannen praten; in een scene tussen realiteit en koortsdroom stijgt het lijk van Estike op in de wolken (de Bijbelse metaforiek van de verrijzenis en de messiasfiguur versterkt de mythische zwaarte). Ook in Honderd jaar eenzaamheid stijgt een personage naar de wolken, Remedios de Schone; Satanstango is een Hongaars Macondo, maar met botte dialogen en meer uitzichtloosheid dan melancholie. In die dialogen en de theatrale scenes toont Krasznahorkai zijn humor; de kastelein die koortsachtig de webben verdrijft, de reikhalzende blikken naar de décolleté van mevrouw Schmidt (de kastelein zet de kachel langzaam telkens een graadje hoger zodat ze haar bovenste knoopjes moet losmaken); de directeur die nog directeur wil genoemd worden, ook al werkt hij in geen enkele school. De humor maakt het een paradoxaal boek, in zo’n desolaat verhaal en landschap.
De dubbelzinnigheid is er ook in de figuur van Irimiás. Net als de bijbelprofeet Jeremia (Jeremiás in het Hongaars) kaart hij de zonde van de mensen aan (hij verklaart hen schuldig aan Estikes dood) en wijst vooruit naar een andere wereld. Hij is tegelijkertijd zwerver, dief en begenadigd spreker, die de blik van mensen kan losbreken, maar de laatste forinten van de dorpsbewoners van hen afneemt. Enkel de dokter (als schrijver de alwetende) en aan het einde Futaki kijken voorbij zijn charisma.
De centrale rol van plaatsen en de afwisseling tussen scenes geven het werk een theatraal karakter. Bepaalde scenes zijn in het bijzonder onvergetelijk. Er is de strijd van Estike, het zwakzinnige meisje. Ze verstopt zich bij de duiven onder het dak om rust te vinden, mishandelt haar kat om zelf de controle te hebben. Haar broer Sanye maakt Estike wijs dat ze een geldboom kan laten groeien als ze haar munten begraaft in het bos. De ontzetting van Estike als ze ziet dat het geld is opgegraven en een gapende kuil achterblijft, en de stille machteloosheid als ze het drama aan Sanye vertelt maar die haar voor idioot uitmaakt dat ze het niet van bij het begin begreep dat hij geld nodig had, grijpen naar de keel (later wordt het aftroggelen gespiegeld in Irimiás die de niet-zwakzinnige dorpelingen een rad voor de ogen draait en ook de hemel belooft – Estikes verscheurdheid is daardoor niet langer die van een meisje dat de beschaving ontbeert, maar die van de mens zelf). Ook de scene van het feest in de kroeg vindt precies de juiste toon: Kerekes die de accordeon vastneemt, de wiegende heupen van de vrouwen – ze dansen Satans tango, ziet mevrouw Kráner die verschrikt weesgegroetjes prevelt om de goddeloosheid uit te bannen; het samen in slaap vallen. Dat alles in een meeslepende stijl; zoals wanneer iedereen zijn roes uitslaapt en de spinnen van de kroeg tevoorschijn kruipen: ‘En bij die fluwelen tonen van de accordeon zetten de spinnen van de kroeg de laatste aanval in. Ze lieten hun losse netten neer op de flessen, de glazen, de kopjes en de asbakken, omsponnen de poten van de tafels en de stoelen, en verbonden die met een geheime, dunne draad alsof het van groot belang was dat ze in hun onvindbare, verborgen holen onmiddellijk van elke beweging, elke trilling op de hoogte waren, zolang dat perfecte, merkwaardige, bijna onzichtbare net intact bleef. Ze omweefden de gezichten van de slapenden, hun armen en benen, en liepen razendsnel weer terug naar hun schuilplaats om na het trillen van een ragfijn draadje opnieuw te beginnen.’ Kerekes blijft als laatste half wakker en speelt droeve tonen op zijn accordeon, en ziet de aankomst van de profeet niet, die het grootse einde van het eerste deel markeert: ‘Kerekes zat bijna in halfslaap verder te spelen, in zijn wegzakkende hoofd volgden beelden van bommenkraters en neerstortende vliegtuigen, vluchtende soldaten en brandende steden elkaar met een duizelingwekkende snelheid op, en zij traden zo geruisloos binnen, verbluft door de aanblik die zich aan hun ogen ontrolde, dat hij niet wist, maar slechts kon vermoeden, dat Irimiás en Petrina waren aangekomen.’
Groots is ook de tekening van de mengeling van angst, hoop en desillusie in het vertrek van de dorpsbewoners: ze treuzelen, men verwacht dat iemand een afscheidsrede geeft, maar als Futaki de woorden vindt heeft Halics er al genoeg vindt en zet met ‘Zo’ de tocht in; ook de onttovering als de dorpsbewoners ’s ochtends wakker worden in de overwoekerde kasteelruïne van het kasteel van Weinckheim, zonder Irimiás, met het weinige leven dat ze nog hadden tot niets teruggebracht. De magie heeft trekken van theatrale horror in de aanblik van de onmogelijke verrijzenis, ondoordringbare mistbanken, het gebeier van klokken zonder dat er klokken zijn.
Krasznahorkai is even veelzijdig in zijn stijl als in de vertelstructuur: het boek springt tussen verschillende perspectieven naar een alwetende verteller, van gesprekken tot de uitgeschreven speech van Irimiás. In de grote cafescene zien we de paren dansen om dan in te zoomen op een intiem moment tussen twee personages. De stijl is barok, met poëtische beschrijvingen tegenover de botte toon van de gesprekken tussen de dorpsgenoten.
Satanstango heeft de tijdloosheid van grote literatuur; Hongarije wordt wel vernoemd maar het dorp bevindt zich aan gene zijde van de echte wereld; Krasznahorkai benadrukt dat het niet als politieke kritiek op het communisme mag gelezen worden: ‘Ik wilde schrijven over de wereld, niet over het communisme in Hongarije, niet over dit landschap met zijn straatarme mensen en hun omstandigheden, maar over een diepere laag van de wereld’. De vertaling door Mari Alföldy slaagt erin Krasznahorkais dansende verhaal in het Nederlands neer te zetten – ze ontving er de Filter Vertaalprijs 2014 voor.
Konrád is krachtig, maar deze landgenoot is universeler en verhalender; het is me een raadsel waarom Krasznahorkais naam niet nog luider klinkt (misschien ligt het aan de naam zelf). Satanstango is het soort boek waar een bespreking tekortschiet omdat niet diepe filosofische inzichten centraal staan, maar wel een sfeer, vertelkracht en stijl die moeilijk opgeroepen worden in parafrases. Het boek is zelf een dans, een tango, die heen en terug beweegt, waarin Irimiás komt, vertrekt, verleidt en verder drijft.
✎ DE SCHRIJVER
Joodse Hongaar (het is iets met joden en Hongaren) die opgroeide in armoede en zowel de desolaatheid als de romantisering van de armoede door zijn werken weeft (in zijn woorden, ‘het vermogen om prachtige liederen te zingen als we arm zijn’). Hij heeft een fascinatie voor Azië, won in 2015 de Man Booker International Prize en is goed bevriend met de grote regisseur Béla Tarr, die veel van zijn werk verfilmde. Sontag en Sebald vergeleken hem met Gogol – met hem deelt hij de leegte en de humor. In dit werk een soort combinatie van Márquez en Beckett.
► VERDICT
Meesterwerkje. Misschien iets te veel Márquez, maar toch een eigen wereld geschapen.
door Ana
