
♞ PERSONAGES
Bouwmeester Halvard Solness: bouwmeester die zijn herfst ziet naderen maar zich krampachtig staande houdt
Aline Solness: zijn vrouw, die hem bezorgd en met enig wantrouwen bijstaat
Dokter Herdal: hun huisarts en vriend
Knut Brovik & Ragnar Brovik: vader en zoon architect die bij Solness werkzaam zijn; vader Brovik is oud en zal weldra sterven; Ragnar hoopt zelf te mogen beginnen bouwen en wil trouwen met Kaja
Kaja Fosli: jong meisje dat als boekhoudster werkt voor Solness en met wie hij een liaison heeft
Hilde Wangel: vrouw aan wie Solness toen ze een klein meisje was een belofte deed die ze nooit vergeten is
༄ OPENINGSZIN
KNUT BROVIK (staat plotseling op van de tekentafel alsof hij ergens van schrikt, ademt zwaar en moeilijk, blijft in de deuropening staan.) Nee, dit houd ik niet lang meer vol.
Bouwmeester Solness opent met de twee personages die lijden onder het egoïsme van Solness, vader en zoon Brovik: de vader voelt aan dat hem niet veel tijd meer overblijft en hoopt dat Solness zijn zegen uitspreekt over de kwaliteiten van Ragnar, zijn zoon, eer hij het hoekje omgaat, maar Solness weigert koppig zijn wens in te willigen, zogezegd omdat hij Ragnar niet goed genoeg vindt, in werkelijkheid omdat hij schrik heeft voor de aanstormende jeugd.
▼ INHOUD
Harvard Solness is een succesvol bouwmeester maar heeft schrik voor de nakende ouderdom; hij probeert de opgang van de getalenteerde Ragnar te verhinderen, heeft een relatie met zijn jonge boekhoudster Kaja (die verloofd is met Ragnar) en is vervreemd van zijn vrouw Aline, die hem meermaals gek noemt. De avond waarmee het stuk begint krijgen Solness en Aline onverwachts bezoek van Hilde, een jonge vrouw die hun woonkamer betreedt met opgerolde deken, rugzak en lange bergstok en hen om onderdak vraagt. Hilde is een vage kennis van Aline, die instemt met het verzoek, maar doet in een tête-à-tête uitschijnen vooral voor Solness gekomen te zijn – blijkt uiteindelijk dat Solness tien jaar eerder, toen Hilde dertien jaar was, een torenspits had gebouwd bij haar ouders en dat hij haar toen beloofde over tien jaar een koninkrijk voor haar te bouwen zodat ze zijn prinses kon worden. Solness pruttelt eerst wat tegen maar herinnert het zich uiteindelijk; hij weet niet zeker of hij Hildes verzoek ernstig moet nemen, maar is wel door haar gefascineerd.
In de gesprekken met Hilde en met de bevriende huisdokter blijkt Solness op neurotische wijze schrik te hebben voor de jeugd, die zijn plaats zal komen innemen; hij wil zich hier zo lang mogelijk tegen verzetten. Ook wordt het drama opgerakeld dat tot de bevroren relatie met zijn vrouw heeft geleid: jaren geleden ging Alines ouderlijk huis, dat ze geërfd hadden, in vlammen op, en hun twee zoontjes overleden aan de gevolgen. Sindsdien lopen ze allebei rond met een niet weg te branden schuldgevoel; ze hebben nog kinderkamers, maar die staan leeg.
De hoofdgebeurtenis van het stuk, waar alle verwikkelingen naartoe lopen, bestaat uit de inhuldiging van een nieuwe toren die Solness gebouwd heeft; de traditie wil dat er dan iemand naar de top klimt en daar een krans hangt. Solness delegeert die taak al jaren aan één van zijn rechterhanden, omdat hij lijdt aan hoogtevrees, maar besluit het nu toch zelf te doen, vooral op instigatie van Hilde. Zijn vrouw en de dokter proberen hem te overtuigen het niet te doen; bijna niemand gelooft dat hij het zal aandurven.
Hij doet het toch; hij geraakt helemaal boven, hangt de krans op, en tuimelt dan (na een misstap) naar beneden, een zekere dood tegemoet. Iedereen kijkt in horror toe, maar Hilde is triomfantelijk.
▲ WAAROM IS HET GOED
Het is van Ibsen bekend dat hij zijn personages meedogenloos veroordeelde; het probleem dat veel schrijvers hebben, om niet te hard met hun personages te sympathiseren, was hem vreemd. Hij voelde eerder een sterke afkeer van hen, – met uitzondering van Peer Gynt, die vrolijk van zijn schepper wegliep en een eigen leven ging leiden. Solness ontsnapt niet aan de regel: hij wordt gepresenteerd als een rancuneuze, chagrijnige, egoïstische vrek, die zichzelf als de enige legitieme bouwmeester ziet (hij doet in dat opzicht een beetje denken aan Willem Frederik Hermans, die er na verloop van tijd van overtuigd raakte dat hij niet gewoon de beste maar eenvoudigweg de enige schrijver in Nederland was, in de woorden van Jeroen Brouwers) en weinig oog heeft voor andermans lotgevallen; hij is een singulariteit, de enige die ertoe doet:
BROVIK (bekijkt hem met verstolen minachting en zegt hees) U wist ook niet veel van het vak anders, destijds. U was bij mij in dienst. Maar u begon toch voor uzelf, u wel. (moeizaam ademend) U voer er wel bij. U nam mij – en een heleboel anderen de wind uit de zeilen.
SOLNESS Tja – ziet u – zo verging het mij!
Hij probeert Ragnar er coute que coute van te weerhouden zelfstandig architect te worden en begint daartoe een relatie met diens verloofde, Kaja (de redenering is: als ik Kaja aan me bind, blijft Ragnar ook hangen, in plaats van te vertrekken en een eigen zaak te beginnen). Ook de smeekbedes van een oude, stervende vader legt hij koud naast zich neer, omdat hij beweert niet anders te kunnen: hij moet en zal weerstand bieden aan de alles vermalende kaken van de Tijd (‘Ik ga voor niemand opzij! Niet vrijwillig. Voor niets of niemand in de wereld!)’, die in zijn ogen door Ragnar gesymboliseerd worden.
Maar dat zijn maar de donkere kanten van zijn persoonlijkheid. Onderhuids gaan angsten, neuroses en schuldgevoelens schuil, die hij ten overstaan van dokter Herdal en vooral van Hilde uit (de indruk wordt gewekt dat de gesprekken met zijn vrouw volledig dichtgeslibd zijn en van openhartigheid gespeend). Er is de angst voor de jeugd:
SOLNESS Dat wordt anders. Ik voel het. Lang duurt het niet meer. Dan komt er iemand die van me eist dat ik opzij ga. En dan stormen alle anderen er achteraan en dringen en schreeuwen dat ik opzij moet gaan: opzij – opzij – opzij! Wacht maar dokter! Er komt een moment dat de jeugd hier aanklopt!
Ibsen begon zelf een dagje ouder te worden toen hij dit personage schiep; het ligt voor de hand een autobiografische dubbele laag te vermoeden in het verhaal, wat Ibsen nauwelijks heeft proberen te verhullen door de transpositie van schrijver naar bouwmeester. De angst om opzijgeschoven te worden klinkt door in alles wat bouwmeester Solness zegt; hij is een trotse grootheid, die weigert te buigen voor de cyclus van het leven. Do not go gentle into that good night/Rage, rage, against the dying of the light zei Dylan Thomas: die boodschap indachtig neemt Solness de stoutmoedige beslissing de toren zelf te beklimmen, ongeacht zijn monumentale hoogtevrees, en gaat hij in op de avances van Hilde, wat hij omschrijft als de jeugd met de jeugd bestrijden: door zich aan de jonge, knappe en vurige Hilde te binden krijgt hij zelf een nieuw levenselixir (hij wordt er poëtisch van en noemt haar ‘de dageraad, de zonsopgang’). Zij is de jeugd waar hij zo bang voor is en waar hij daarom zo naar verlangt.
Het zwaartepunt van het stuk ligt in de dialogen tussen Hilde en Solness. Hilde is speels, ironisch (in het begin weet Solness zich duidelijk geen raad met haar vragen en toespelingen) en op een vreemde wijze idolaat: het is duidelijk dat ze in de loop der jaren een obsessie voor Solness heeft ontwikkeld, dat hij een centrale plaats inneemt in haar gedachten en verlangens. Ze speelt in op zijn grootheidswaanzin en solipsisme door te zeggen: ‘Niemand anders dan u zou mogen bouwen. Alleen u’, waarop hij antwoordt: ‘Ik speel hier – voortdurend – in stilte en alleen – met dezelfde gedachte.’
Als kleine meisje, een blonde fee in een wit jurkje waar Solness geen weerstand aan kon bieden (vandaar de belofte), zag ze hem hoog op een toren staan, een beeld dat ze nooit vergeten is, evenals de fabelachtige belofte die ze letterlijk neemt. Voortdurend maakt ze toespelingen op zijn bouwkunde, wat soms tot freudiaanse passages leidt:
SOLNESS Nee. Ik bouw geen kerktorens meer. Ook geen kerken trouwens.
HILDE Wat bouwt u nu dan?
SOLNESS Huizen voor mensen.
HILDE Zou u niet – niet wat kerktorens op die huizen kunnen bouwen?
SOLNESS Wat bedoelt u daarmee?
HILDE Iets dat – recht omhoog – wijst. Met een windwijzer duizelingwekkend hoog erbovenop.
Ze wil de held van haar kleine-meisjes-jeugd opnieuw op een hoge toren zien; ondanks haar duidelijke erotische aantrekkingskracht heeft ze iets kinderlijks, wat culmineert in haar aanhoudend vragen om een kasteel van Solness’ hand, zodat ze zijn prinses kan worden, want bij een koninkrijk hoort natuurlijk een kasteel: ‘Ontzettend hoog moet het liggen. (…) zodat ik ver kan kijken’. Solness neemt haar eerst niet serieus, maar begint na verloop van tijd, nadat hij bij haar zijn hart heeft uitgestort en denkt dat ze zijn redding kan betekenen (als symbool van de jeugd), mee te gaan in haar plannen.
Hilde merkt de frigide omgangsvormen tussen Solness en zijn vrouw op (‘Je kunt bouwen zoveel je wilt, mij bouw je geen thuis meer,’ zegt Aline tegen Solness, omdat haar ouderlijk huis met de kinderen in de brand is verdwenen; de bijtende gesprekken tussen Solness en Aline wijzen vooruit naar de glorieus ruziënde koppels van Hemingway’s beste kortverhalen), waarop Solness het familiedrama ontvouwt, en zijn persoonlijke schuldgevoel uitlegt: hij had al lange tijd een barst in de schoorsteen van het ouderlijk huis gezien, maar zei er niets over, omdat hij wist dat zijn carrière gelanceerd zou zijn als het huis in rook zou opgaan: het zou hem de mogelijkheid geven een geheel nieuw huis te bouwen. Stilletjes koesterde hij dus het plan om het huis op een dag, als hij met vrouw en kinderen uithuizig was, indirect in de fik te laten vliegen; maar op gruwelijk ironische wijze vliegt het huis op een dag in brand om een andere reden, als ze wel thuis zijn. De twee zoontjes overlijden aan de gevolgen; daardoor is Aline de mogelijkheid kwijt haar roeping na te volgen, de roeping om kinderzielen tot volwassenen te laten ontplooien (op haar manier was ze dus ook een bouwer, aldus Solness).
Hier aangekomen doet het troll-thema (ik hanteer de schrijfwijze met dubbele l in navolging van de vertaler, om consistent te zijn met de tekst) zijn intrede, hand in hand met het schuldthema. Solness bekent Hilde dat hij zich, ondanks dat de oorzaak van de brand niets met zijn snode plan te maken had, schuldig voelt voor het drama; hij wilde het zo hard dat het werkelijkheid werd:
SOLNESS (vertrouwelijk) Denk je ook niet, Hilde, dat er enkele heel bijzondere, uitverkoren mensen zijn die de macht en de mogelijkheid hebben gekregen iets te wensen, iets te begeren, iets te willen – zo hardnekkig en zo – zo meedogenloos – dat ze het tenslotte wel moeten krijgen. Of denk je van niet?
HILDE (met onbestemde uitdrukking in haar blik) Of dat zo is zullen we zien – of ik één van die uitverkorenen ben.
SOLNESS Zulke dingen bereik je nooit alleen. Nee – je hebt helpers en dienaren nodig als het ervan moet komen. Maar die krijg je niet zomaar vanzelf. Je zult ze hard moeten roepen. Van binnen, begrijp je.
Die duistere krachten die zich in hem verborgen houden, zijn de troll in hem, zoals hij zelf zegt:
SOLNESS Jij hebt ook een troll in je. Net als ik. Want het is de troll in je, begrijp je – die roept de machten buiten je. En daar moet je je aan overgeven – of je wilt of niet.
Het troll-thema is onlosmakelijk verbonden met Ibsens oeuvre (hij ontleende de thematiek aan de Scandinavische folklore): in Peer Gynt spelen nog letterlijk trollen mee, daarna kwamen ze uitsluitend als de demonische, duistere krachten voor die zich in elke mens (kunnen) ophouden, onder de oppervlakte: het hangt van persoon tot persoon en van situatie tot situatie af of onze ‘trollerigheid’ naar buiten komt. Aan Peer Gynt wordt het verschil tussen mensen en trollen door de trollenkoning als volgt uitgelegd: onder mensen zegt de grote wet ‘Wees jezelf’; onder trollen zegt de wet ‘wees voor jezelf’. De rest van het stuk komt Peer Gynt vooral voor zijn eigen belangen uit; de trollenkoning wijst er dan ook op dat het niet zoveel voeten in de aarde heeft een troll te worden. Maar de trollerigheid behelst meer dan het egoïsme dat in de spreuk wordt geïmpliceerd; er is ook een freudiaanse doodsdrift aan verbonden, het verlangen om de barbaar in je los te laten, het fanatisme om ten koste van alles en iedereen een bepaald doel na te streven, – zelfs ten koste van jezelf: de trollerigheid overstijgt het ego, maakt de persoon tot zijn slaaf, indien hij de troll in zichzelf al te zeer de overhand laat nemen. Het is een duister begrip, dat moeilijk is te definiëren of af te bakenen; maar in elk geval heeft het weinig of niets te maken met de creaturen die heden ten dage in kinderfilms en kinderliteratuur als de slechterik plegen op te duiken.
De meerduidigheid van het begrip wordt duidelijk als blijkt dat het de troll in Solness is die zich onweerstaanbaar aangetrokken voelt tot onmogelijke dingen:
SOLNESS Heb je nooit gemerkt Hilde dat wat onmogelijk is – je soms toch lokt en roept?
HILDE Maar dan bent u toch een beetje – een troll?
Wat bedoelt hij hier met het onmogelijke? Het valt moeilijk uit de tekst op te maken, maar het geeft de trollerigheid een faustiaanse laag die essentieel is voor een juist begrip van Ibsens stukken. De troll in Solness maakt hem tot wie hij is; hij kan er niet aan ontvluchten (‘ik kan niet anders, begrijpt u dat? Ik ben nu eenmaal wie ik ben! En ik kan toch geen ander mens maken van mezelf?’), ook al voelt hij een eeuwige spijt, omdat de relatie met zijn vrouw voorgoed verpest is:
SOLNESS Duivels ja! En de troll in me. Die hebben haar leeggezogen. (lacht vertwijfeld) En nu is ze dood – voor mij. Ik ben levend aan de dode vastgeketend. (in wilde angst) Ik – ik – die niet zonder vreugde leven kan.
Naarmate de dialoog vordert wordt Solness zo van een chagrijnig en egoïstisch mannetje tot een tragisch en meelijwekkend figuur, wat Ibsen uitvergroot met symboliek: hij blijkt enorm aan hoogtevrees te lijden, zodat hij de hoge gebouwen die hij zelf ontwerpt niet eens kan beklimmen. Hij wordt terneergedrukt door zijn schuldgevoel.
Ook God speelt in dit alles een rol, want Solness gelooft dat God zijn huis liet platbranden opdat hij zich zou wijden aan het bouwen van kerken. Solness gaf hier aanvankelijk gehoor aan, maar kwam op een gegeven moment in opstand en besloot enkel nog huizen te bouwen – maar ook dat was allemaal nergens goed voor, aldus Solness op droeve toon tegen Hilde; uiteindelijk heeft het allemaal geen zin. Hij alludeert duidelijk op wat zijn gezin overkomen is en wat zijn vrouw hem eerder gezegd had (‘mij zul je nooit meer een thuis bouwen’).
Hilde diagnosticeert hem met een ziekelijk geweten en slaagt erin hem terug moed in te praten; ze overtuigt hem de nieuwe torenspits tegen zijn gewoontes in toch te beklimmen en gebiedt hem erna een luchtkasteel te bouwen, voor hen twee: ‘Luchtkastelen – zijn makkelijk om je in te verbergen. En makkelijk om te bouwen. – (met een spottende blik) Vooral voor bouwmeesters met een – duizelig geweten.’ De blik en de laatste opmerking tonen haar spotzieke karakter aan; het begrip ‘luchtkasteel’ zelf duidt op een uiterst ambivalente houding, die moeilijk te begrijpen is: wat bedoelt ze er precies mee? Meent ze het überhaupt? Solness lijkt haar perfect te begrijpen en belooft haar een luchtkasteel te bouwen (‘Het enige dat menselijk geluk onderdak kan bieden – luchtkastelen. Mensen hebben niks aan hun huizen; alles voor niets!) – weten ze allebei dat het maar een fabeltje is, een luchtkasteel dus; of denken ze echt aan soort van ontsnapping?
Nadat Hilde hem ervan overtuigd heeft de torenspits op te gaan, reageert iedereen geschrokken en verbijsterd, maar Hilde vindt het geweldig:
Hilde (kijkt met halfgesloten ogen voor zich uit en fluistert wat, we verstaan alleen) – ontzettend spannend.
Ze doet in dit opzicht denken aan die andere magnifieke creatie van Ibsen, Hedda Gabler (zijn antwoord op de grote Shakespeare-slechteriken Iago en Edmund), die zich verlustigt in de tragedie die ze zelf veroorzaakt door de suïcidale Lövborg een revolver te geven; terwijl iedereen in horror het nieuws van zijn zelfmoord te horen krijgt, is Hedda dolgelukkig, – in zowel Hilde als Hedda zit dus een troll verborgen.
Dat maakt Hilde tot een mysterieus, donker personage: ze verlangt er zozeer naar hem opnieuw in de heldenrol te zien die ze in haar geheugen heeft gegrift (hem staande op een torenspits) dat ze hem verleidt het tegen zijn zin en ondanks de gevaren en de hoogtevrees te doen. Ze is het symbool van de jeugd waarvoor hij valt en die hem nieuw leven inblaast, maar tegelijk fungeert ze als een engel des doods, die hem met haar blonde lokken te dicht bij de vlam van de kaars laat komen (wat overigens niet wil zeggen dat ze wil dat hij naar beneden stort; maar het feit dat je als lezer dat vermoeden niet helemaal van je af kan slaan maakt haar tot zo’n groot personage).
Solness negeert ieders waarschuwingen en klimt de toren op. Een ogenblik staart iedereen bewonderend naar hem terwijl hij de krans ophangt, maar dan valt hij naar beneden. Aline valt flauw; bij de rest overheerst ongeloof en horror; maar Hilde kan haar gevoel van triomf niet onderdrukken:
HILDE (als het ware in stille vertwijfelde triomf) Maar hij haalde de top. En ik hoorde harpen in de lucht. (zwaait met shawl en schreeuwt in wilde tederheid) Mijn – mijn bouwmeester!
‘Mijn bouwmeester’ zegt ze, nadat hij ter dood is gestort. De trollerigheid die spreekt: in plaats van te rouwen is ze blij dat hij zijn taak en haar verlangen heeft vervuld. Op die akelige noot eindigt Bouwmeester Solness, één van Ibsens hoofdwerken, misschien wel het beste van de familiedrama’s (waaronder o.a. Het poppenhuis, De vrouw van de zee en Rosmersholm) samen met Hedda Gabler. De latere Ibsen was ‘a realist outside, a vast phantasmagoria within’, volgens Eric Bentley. De realistische contouren worden overstegen door de troll-eigenschappen van de personages en de symboliek achter hun obsessies en angsten. De dialogen zijn scherp en doen nog steeds modern aan (mede dankzij de soepele vertaling van Karst Woudstra); de economie en het dramatisch vernuft van Ibsen zorgden ervoor dat Joyce heel zijn leven staande hield dat Ibsen ‘as a dramatist’ groter was dan Shakespeare, vanwege Ibsens vermogen het plot op logisch geordende wijze van punt A naar punt B te laten lopen zonder vervelend oponthoud of goedkope kneepjes: er staat geen woord teveel (toch zeker niet bij de familiedrama’s; Brand, Peer Gynt en Keizer en Galileeër zijn iets lijviger) en Ibsen heeft geen toevallige afluisterpartijen of kluchtige vermommingen nodig om het verhaal de juiste richting uit te sturen. ‘Plot’ in die zin was voor Shakespeare dan ook geen grote bekommernis, het ging hem uitsluitend om de personages en hun gedragingen (en de taalrijkdom om dat uit te drukken). Joyce’ kwalificatie was overigens niet absoluut: op de vraag welk boek hij naar een onbewoond eiland zou meenemen, als hij er eentje moest kiezen, antwoordde Joyce, schipperend tussen Dante en Shakespeare (Ibsen is dus niet eens mededinger): ‘I should hesitate between Dante and Shakespeare, but not for long. The Englishman is richer and would get my vote.’
Hoe dan ook is de invloed van Ibsen op Joyce en op de hele westerse literatuur die na hem kwam groot: Ibsen zette de toon door zich eenzijdig te richten op gezinsdrama’s en epische verhaallijnen en nobele personages af te zweren (de zogenaamde democratisering die Flaubert met Madame Bovary ook in gang zette); in zijn kielzog putte Joyce zich heel zijn leven uit om aan te tonen dat in het dagdagelijkse en banale het grootse schuilt, met als hoogtepunt de beschrijving van een normale dag uit het leven van een normale middenstander (Leopold Bloom) als premisse voor een dikke roman. En net als Joyce, zijn volgeling, slaagde Ibsen erin het sublieme en het universele aan te raken met personages en verhaallijnen die uit het dagelijkse leven gegrepen zijn.
✎ DE SCHRIJVER
De grootste toneelschrijver na Shakespeare, één van de grote wegbereiders van het modernisme, zijn focus op realistische bourgeois gezinsdrama’s betekende een cesuur in de literatuurgeschiedenis, bezat een formidabel paar bakkebaarden, was misschien wel de lievelingsschrijver van James Joyce.
► VERDICT
Sterker dan de meesten toont Ibsen aan hoe onze innerlijke demonen (half tegen onze zin, half met onze medewerking) de macht kunnen grijpen en ons onomkeerbare handelingen laten stellen; tastbaarder dan de meesten legt hij de angst van de ouderdom voor de jeugd bloot.
door Arthur
