
♞ PERSONAGES
De reiziger: de protagonist die een gruwelijke executie nogal laconiek bijwoont
De officier: de beul van dienst, die het executieapparaat grenzeloos bewondert
De veroordeelde: een nogal simpel sujet, dat zijn lot met kinderlijke eenvoud tegemoet gaat
༄ OPENINGSZIN
‘Het is een eigenaardig apparaat,’ zei de officier tegen de ontdekkingsreiziger en bekeek met een onmiskenbaar bewonderende blik het apparaat dat hem toch welbekend was.
Misschien schreef er wel niemand betere openingszinnen dan Kafka (of het moet Gabriel García Márquez zijn), die de speciale gave bezat grote essenties samen te ballen in kort bestek, soms binnen de lengte van één pagina, – denk aan verhalen als De waarheid over Sancho Panza of De nieuwe advocaat, beiden een halve pagina lang, beide ondoorgrondelijke dieptes bevattend.
De hoofdintrige van het verhaal, die bestaat uit de uitleg van de officier over het apparaat en de op handen zijnde executie, ten overstaan van de luisterende reiziger, is met deze eerste zin onmiddellijk gegeven, net als de griezelige bewondering van de officier voor het marteltuig. De kafkaëske vreemdheid is al aanwezig.
▼ INHOUD
Een reiziger woont op uitnodiging van de commandant van een buitenlandse strafkolonie een executie bij; de officier die hiervoor instaat legt hem omstandig uit hoe het apparaat functioneert en hoe de jurisprudentie van de kolonie in elkaar zit. Boven alles blijkt zijn bewondering voor de vorige commandant, een mysterieus figuur die dit alles zo bepaald had, en voor het apparaat. De veroordeelde (een soldaat die zijn meerdere beledigd had) staat er zwijgend bij, hij verstaat het gesprek tussen de officier en de reiziger niet, maar toont soms wel enige belangstelling. De reiziger verbergt zijn afschuw voor het procedé niet maar kan zijn nieuwsgierigheid toch niet helemaal bedwingen en blijft naar de uitleg luisteren (het apparaat blijk op gruwelijke wijze erg traag te werk te gaan zodat het een lange doodstrijd is; deel van de executie is het graveren van het vonnis in de huid van het slachtoffer met de stalen naalden van een eg); maar als hij op het einde te kennen geeft dat hij het niet eens is met zo’n manier van werken, is de officier teleurgesteld dat hij hem niet heeft kunnen overtuigen en neemt hij de schuld op zich: hij pleit de veroordeelde vrij en installeert zichzelf in de machine, die hem op verschrikkelijke wijze ter dood brengt. Hierna verlaat de reiziger de kolonie.
▲ WAAROM IS HET GOED

Het verhaal van In de strafkolonie is betrekkelijk eenvoudig, maar tussendoor vallen opmerkingen en observaties die het tot iets groter maken dan de beklemmende atmosfeer en het gruwelijke einde, dat tegelijk onverwachts en onvermijdelijk is. Voor Martin Buber maakte Kafka’s werken deel uit van de Midrasj, de traditionele rabbijnse exegese van de Thora; Gershom Sholem, de grote kenner van de joodse mystiek, zag er dan weer een vorm van kabbala in, en vertrouwde Walter Benjamin toe dat de sleutel tot Kafka’s werk in het boek Job besloten lag. Ook Max Brod verbond Kafka’s verhalen, waaronder In de strafkolonie, aan joodse en religieuze thema’s. We moeten ons hoeden voor een één-op-één relatie tussen Kafka’s verhalen en de werkelijkheid buiten de tekst, alsof het simpele allegorieën zijn; zijn verhalen zijn altijd meerduidig, ze roepen vragen op waar geen antwoord op bestaat.
En toch grijpen ze ons bij ons nekvel: dat komt in de eerste plaats om de pure kwaliteit van het verhaal zelf, los van enige mogelijke interpretatie of verborgen diepzinnigheid: Kafka’s bijna onmenselijk chirurgische precisie, zijn groteske ironie, zijn sardonische humor, de alles overkoepelende vreemdheid die door de bijna terloopse ‘accumulation of detail’ zo realistisch wordt gepresenteerd dat je hem onmiddellijk als iets vertrouwds accepteert; exegetische uitleggingen komen daarna.
Het duivelse apparaat en de bewondering ervoor van de officier staan door de openingszin centraal. Het apparaat wordt uitvoerig beschreven, maar afgezien daarvan is Kafka’s stijl zoals altijd kaal (Benno Barnard noemde het ooit een non-stijl): de bij bijna alle andere schrijvers aangeboren drang tot beschrijven is Kafka vreemd. Hij beperkt zich tot de essentie; in dit opzicht doet hij denken aan de Heilige Schrift, waar zaken van secundair belang nooit beschreven worden (wat niet wil zeggen dat hij nooit het interieur van een kamer of iemands kledij beschrijft, maar dat heeft bijna altijd een symbolische functie). Kafka weet met ongelooflijk weinig raak te schieten: de veroordeelde bijvoorbeeld wordt beschreven als een weerloos en stompzinnig wezen, wat Kafka met een magnifiek detail duidelijk maakt:
‘Overigens zag de veroordeelde er zo honds onderdanig uit, dat het leek alsof je hem vrij over de heuvels had kunnen laten lopen en je bij het begin van de executie maar had hoeven te fluiten om hem te laten komen.’
De lyrische bewondering van de officier voor de vorige commandant, die het apparaat ontwierp en de rechtsorde op de strafkolonie vestigde, verheft die mysterieuze figuur tot een grote en duistere aanwezigheid op de achtergrond: net als in het sublieme verhaal De nieuwe advocaat wordt een ‘Giant Form’ (vrij naar William Blake) uit het verleden aanwezig gesteld door de deterministische vaststelling dat het heden tekortschiet in vergelijking (in genoemd verhaal wordt het als volgt gezegd: ‘In onze tijd – en dat kan niemand tegenspreken – is er geen Alexander de Grote meer. (…) niemand, niemand kan de weg naar Indië vinden.’). Uit elk woord van de officier blijkt zijn grenzeloze verafgoding:
‘(…) de verdienste van de uitvinding komt alleen hem toe. Hebt u wel eens van de vroegere commandant gehoord? Niet? Nu, ik zeg niet veel als ik zeg, dat de inrichting van de hele kolonie zijn werk is. Wij, zijn vrienden, wisten al bij zijn dood dat de organisatie van de kolonie zo’n afgerond geheel is, dat zijn opvolger, al heeft hij ook duizend plannen in zijn hoofd, zeker vier jaar lang niets aan de oude veranderen kan.’
De reiziger blijft nogal onverschillig bij het verhaal van het apparaat en de wetten die gelden op de kolonie; hij is het er niet mee eens, maar zijn gemoed lijkt wel afgestompt, hij toont niet de afschuw en verbazing die een normaal mens zou voelen. Dit maakt deel uit van de kafkaëske atmosfeer: de gruwel en krankzinnigheid zijn vaste bestanddelen van de realiteit en worden zo tot iets normaals.
Uit de gesprekken tussen de officier en de reiziger, die net als het gesprek tussen de priester en Jozef K. in Het proces iets weghebben van talmoedische dialogen, blijkt het hoofdthema van het verhaal: de schuld, misschien wel het belangrijkste en meest voorkomende thema van Kafka’s oeuvre en gedachtewereld. Als de reiziger hoort dat de veroordeelde nooit beroep heeft kunnen aantekenen tegen het vonnis, zegt de officier, die in navolging van de vorige commandant ook als rechter functioneert: ‘Het principe dat mijn uitspraken bepaalt is: “De schuld staat altijd vast.”’ En hij gaat verder:
‘Andere gerechtshoven kunnen niet aan dit principe vasthouden, want zij bestaan uit verschillende leden en hebben ook weer hogere gerechtshoven boven zich. Dat is hier niet het geval, dat was het althans niet bij de vorige commandant.’
De commandant was de allerhoogste instantie, niemand kon aan zijn bevelen tornen; in Het proces en Het slot komen de protagonisten nooit in de buurt van de hogere instanties, hier is de hogere instantie iets uit het verleden en treft de protagonist zijn representant aan. De kern blijft hetzelfde: er gaapt een onoverbrugbare afstand tussen de protagonist en de hogere instantie. Daarom ook dat de schuld vaststaat en dat er geen verdediging mogelijk is: er is geen dialoog mogelijk met de vorige commandant en zijn rechtsregels, hij transcendeert het begrip van andere mensen. Zo komt de reiziger erachter dat het vonnis niet aan de veroordeelde werd meegedeeld, in één van de grootste en diepzinnigste passages uit de wereldliteratuur:
‘Is hij op de hoogte van zijn vonnis?’ ‘Nee,’ zei de officier en wilde meteen met zijn uitleg verder gaan, maar de reiziger viel hem in de rede: ‘Weet hij zijn eigen vonnis niet eens?’ ‘Nee,’ zei de officier weer en zweeg toen een ogenblik alsof hij van de reiziger een nadere motivering van zijn vraag verwachtte, en zei toen: ‘Het zou geen enkel nut hebben, het hem mee te delen, hij ondervindt het immers aan den lijve.’
De fundamentele onzegbaarheid en onbegrijpelijkheid van de menselijke ervaring en van het lijden wordt hier aan de orde gesteld: we lijden, maar het wordt ons niet uitgelegd waarom, omdat we het zelf al ondervinden, – is er een waarom mogelijk? Maakt het nog uit waarom? Met dat laatste zinnetje van de officier wordt koudweg een einde gemaakt aan alle menselijke aspiraties om tot metafysische antwoorden te komen. Het dasein is het enige dat er is; alle rest valt buiten onze vermogens.
De reiziger schept er een duivels behagen in de werking van het apparaat in geuren en kleuren te vertellen; de duivelse humor van Kafka komt naar voren wanneer de officier het detail meegeeft over het elektrisch verwarmde bakje met rijstebrij aan het hoofdeinde van het apparaat, waaruit slachtoffers kunnen eten als de executie al uren bezig is (de executies worden over een zestal uur uitgespreid, als een foltering die tot de dood leidt). Typische kafkaëske vreemdheid in de vorm van een plastisch detail vindt u in het volgende moment, tijdens de uitleg: ‘De officier was klaarblijkelijk vergeten tegen wie hij sprak, hij had de reiziger omhelsd en zijn hoofd op zijn schouder gelegd.’ Het groteske van Kafka’s narratieve wereld komt op tegelijk geestige en wrange wijze tot uitdrukking als de officier over de eertijdse aanwezigheid van kinderen vertelt:
‘Dikwijls zat ik daar gehurkt met twee kinderen, rechts en links, in mijn armen. Hoe namen wij allemaal de verheerlijkte uitdrukking op het gemartelde gezicht waar, hoe glansden onze wangen in het licht van deze gerechtigheid, eindelijk bereikt en alweer bijna voorbij!’
De ironie van Kafka wil het dat de officier zelf niets van die bij andere slachtoffers waargenomen verlossing vindt bij zijn marteldood, die hij persoonlijk in gang zet. Als hij na zijn omstandige uitleg aan de reiziger vraagt of de manier van werken op de strafkolonie volgens hem deugt, antwoordt de reiziger naar waarheid: ‘Neen’; hierna trekt de officier zijn conclusies:
‘Dan is het ogenblik gekomen,’ zei hij eindelijk en keek plotseling met schitterende ogen, waarin een soort verzoek, een soort oproep tot medewerking lag, de reiziger aan.’
Hij gebiedt de veroordeelde vrij te laten, kleedt zich volledig naakt uit en installeert zichzelf in de machine, waarna hij de machine in werking brengt. Maar in plaats van een gruwelijk uitgerekte foltering is het een snel proces; de stalen staven dringen onmiddellijk door de huid. De reiziger is lichtjes gealarmeerd bij wat hij ziet en wil uiteindelijk ingrijpen, maar is te laat; en dan ziet hij dat de officier ondanks zijn rotsvaste geloof in de commandant en diens apparaat niet datgene heeft gevonden wat hij verwacht had:
‘Toen keek hij bijna tegen zijn zin, naar het gezicht van het lijk. Het was precies zoals het bij zijn leven was geweest; er was geen spoor van de beloofde verlossing te ontdekken: wat alle anderen ook in de machine gevondenen hadden, de officier vond het niet.’
Het is bekend dat Kafka luidop lachte bij het voorlezen van zijn nochtans overwegend gruwelijke en deprimerende verhalen; op een bepaalde manier is de dramatische en overdreven reactie van de officier op de afwijzing van de reiziger dan ook geestig te noemen (dat hij zich helemaal uitkleedt zorgt ook voor een karikaturaal effect). Voor de reiziger is het in elk geval welletjes geweest; hij verlaat de kolonie, waarbij hij als laatste daad er nog voor zorgt dat de veroordeelde en de soldaat niet op het schip geraken (weer een kafkaëske toets).
Een groot aantal commentatoren hebben zich het hoofd gebroken over de betekenis van het verhaal. Harold Bloom zei dat elke interpretatie uiteindelijk zijn tanden stukbijt op Kafka’s teksten; ze overstijgen interpretatie, zijn er te ambigu voor. Precies daarom werd zijn naam een nieuw woord, omdat geen enkel bestaand woord de inhoud van zijn verhalen kon karakteriseren; er is iets unheimlich aanwezig in zijn fictie, dat onze denk- en begrippenkaders overstijgt, en toch voelen we de kracht van die aanwezigheid tot in ons diepste wezen; het komt tijdens de lezing van Kafka’s grootste verhalen veelvuldig voor dat je haren je te berge rijzen, zonder dat je rationeel zou kunnen uitleggen waarom. Kafka raakt iets aan dat ons boven het hoofd hangt maar dat we niet kunnen identificeren of definiëren; via zijn verhalen, parabels en fabels komt hij dichterbij dan wie dan ook.
Het moeilijke bij een interpretatie van een verhaal als In de strafkolonie is dat, zoals Harold Bloom het stelt, ‘in his kind of irony, every figure he gives us is and is not what it might seem to be.’ Staat de vorige commandant symbool voor God? Sommige aanwijzingen lijken in die richting te wijzen: de commandant blijkt een touche-à-tout te zijn geweest, een demiurg die de hele kolonie naar zijn hand zette:
‘Verenigde hij dan alles in één persoon? Was hij militair, rechter, ingenieur, chemicus, tekenaar?’ ‘Zeker,’ zei de officier knikkend met een starende, peinzende blik.’
Bovendien blijkt hij een hele schare aan aanhangers te hebben gehad, die nu door veranderde tijden noodgedwongen onder moeten duiken; maar er wordt gewag gemaakt van een soort van wederopstanding in de toekomst; dat staat gebeiteld op de grafsteen van de vorige commandant, die de reiziger bezoekt net voor hij vertrekt:
‘Hier rust de oude commandant. Zijn aanhangers die nu hun naam niet mogen noemen, hebben het graf voor hem gegraven en de steen erop gelegd. Er bestaat een profetie dat de commandant na een bepaald aantal jaren zal opstaan en zijn aanhangers uit dit huis tot de herovering van de kolonie zal aanvoeren. Gelooft en wacht!’
Voor Max Brod symboliseert het apparaat de goddelijke gerechtigheid; Kafka volgt met zijn verhaal in de voetsporen van Job:
‘De wil van God klinkt in onze oren onlogisch, dat wil zeggen is met onze menselijke logica in groteske tegenspraak, en komt ons zelfs wreed, erger nog, immoreel voor. Sinds het bijbelse Boek Job is nooit zo heftig met God geredetwist als in Der Prozess of in Das Schloss van Kafka, of in zijn Strafkolonie, waarin de gerechtigheid wordt voorgesteld als een met wreed raffinement uitgedachte, onmenselijke, bijna duivelse machine.’
Er zijn meerdere verbanden aan te brengen met het boek Job: op een gegeven moment denkt de reiziger bij zichzelf: ‘De onrechtvaardigheid van de procedure en de onmenselijkheid van de executie waren aan geen twijfel onderhevig.’ Net zo is het voor elk persoon duidelijk dat Job onschuldig is en dat hij zijn ongeluk niet verdiend heeft; maar God antwoordt dat onze blik te beperkt is; wij zullen de beweegredenen van de hogere instanties nooit begrijpen, wij weten niet hoe de wereld in elkaar zit (‘Where were you when I built the foundations of the Earth?’ vraagt God aan Job, in de vertaling van de King James Bible). Er is een incommensurabiliteit tussen de wereld van Gods gerechtigheid en de wereld van de menselijke ethiek, wat Max Brod als de grondervaring van Kafka beschouwt. In dit debat kiest Kafka duidelijk de kant van de mensen; maar tegelijk weet hij dat de mens verloren is en er hem geen verlossing wacht (één van zijn beroemdste aforismen is dat er voor de mens geen hoop meer is, maar voor God wel).
De schuld van de veroordeelde staat vast; als de officier beseft dat hij de reiziger niet heeft kunnen overtuigen, verklaart hij zichzelf schuldig en moet hij daarvoor boeten. Net als voor Jozef K., K. de landmeter en Gregor Samsa is het verhaal doordrenkt met het schuldthema: George Steiner zei dat Kafka meer dan wie dan ook het schuldbesef dat met de zondeval gepaard gaat incarneerde; voor Bloom was zijn schuldgevoel dan weer eerder shakespeareaans dan christelijk:
‘Hamlet suffers guilt only for the murder he has not yet performed. Shrewder in this regard than Goethe, Kafka seems to have understood that guilt, in Shakespeare, is not to be doubted and precedes all actual crimes. Not Christian original sin but the Shakespearean-Freudian unconscious sense of guilt is the law of Kafka’s cosmos also.’

In elk geval werd Kafka heel zijn leven door een enorm schuldgevoel neergedrukt, wat zich vertaalde in zijn dagboeken, brieven en fictie. De grote commentator Saul Friedländer stelt in zijn monografie Kafka: schrijver van schuld en schaamte (als u behalve Brods biografie en de gesprekken met Gustav Janouch iets over Kafka zou lezen, dan dit) dat de joods-christelijke symboliek in veel van zijn verhalen exegeten verwart en zand in de ogen strooit, want ‘dergelijke toespelingen zijn doorgaans omkleed met ironie en duiden niet op de aanwezigheid van een religieus geloof. Kafka was boven alles de auteur van zijn eigen desoriëntatie.’ Zo ook hier: de commandant staat volgens Friedländer niet symbool voor God, maar voor de vaderfiguur; Kafka schreef geen als verhaal vermomde aanklacht tegen Gods onrechtvaardigheid, maar bracht zijn verkrampte relatie met zijn vader tot uiting:
‘We mogen er gevoeglijk van uitgaan dat de oude commandant in het verhaal In de strafkolonie de officier als zijn leerling beschouwt, als de man die zijn beginselen volgt en zijn decreten in ere houdt. Wanneer de officier inziet dat hij daar niet langer toe in staat zal zijn, verklaart hij zichzelf schuldig door zich op te offeren.’
Discipel of zoon: het komt op hetzelfde neer. Hij kan niet in de voetsporen treden van de illustere voorganger; Kafka leed heel zijn leven onder de schaduw van zijn vader, die hij tegelijk bewonderde en verafschuwde.
Meerdere lezingen zijn mogelijk; uiteindelijk is de enige lezing die er werkelijk toedoet die van het verhaal zelf, dat van de eerste tot de laatste zin ijzingwekkend is. Kafka schept een universum dat door de onderkoelde stijl en de opvallende details op geen enkel moment op een allegorie lijkt (hoewel het allegorische interpretaties uitnodigt): het is een werkelijkheid zoals de onze. En het zegt meer over de onze dan je met een mimetisch verhaal zou kunnen doen; één van Kafka’s beroemde uitspraken is dat hij alleen gelukkig was als hij erin geslaagd was de werkelijkheid naar het zuivere, ware en onveranderlijke te transponeren. Dit verhaal beschouwde hij zelf als één van zijn zeldzame geslaagde pogingen.
✎ DE SCHRIJVER
Tsjechische jood die opgroeide in een Duitstalig gezin in Praag, waar hij heel zijn leven bleef wonen. Worstelde met zijn seksualiteit, zijn schuldgevoel, zijn joodse identiteit en zijn vader; was erg kritisch voor zijn eigen schrijfsels, zodat het duurde tot na zijn dood voor zijn beroemde romans gepubliceerd werden door zijn goede vriend Max Brod; is waarschijnlijk de meest becommentarieerde en tot de verbeelding sprekende schrijver van de twintigste eeuw, omdat zijn veelgelaagde en ambigue teksten zich tot elke interpretatie lenen en elke stroming en filosoof hem dus als patroonheilige inlijfde.
► VERDICT
Kafka is op de korte baan misschien wel beter dan in zijn romans; dit is één van zijn grootste verhalen. Wat wil zeggen: één van de grootste verhalen uit de literatuurgeschiedenis.
door Arthur
