Osamu Dazai: de ondergaande zon

♞ PERSONAGES

Kazuko: de ik-figuur, een gescheiden jonge vrouw
Naoji: de opium- en sakéverslaafde broer van Kazuko, een filosoof, nihilist, marxist
Moeder: de zwakke maar onberispelijke moeder van Kazuko en Naoji
Uehara: een bevriende schilder met een decadent leven
Oom Waka: een oom die soms opduikt en zorgt voor het gezin maar hen als een last beschouwt

༄ OPENINGSZIN

“O!” Moeder slaakte plotseling een lichte kreet tijdens het eten van haar soep, ’s morgens in de eetkamer.

Dazai opent groots: door de nadrukkelijke ‘O’-uitroep zonder kenbare betekenis te laten, wordt de lezer meteen het verhaal en de geest van Kazuko binnengetrokken. Het verdere hoofdstuk bestaat uit het doorvorsen van de reden waarom moeder tijdens het ontbijt een kreet slaakt. Startend van de onschuldige gedachte dat de soep misschien te hartig is komt Kazuko uit bij traumatische herinneringen, aan kronkelende slangen bij de dood van haar vader. De uitwisseling tussen het huiselijke leven van een moeder en een dochter enerzijds en een sluimerende wanhoop anderzijds (waar niet precies de vinger op is te leggen) wordt zo van bij de eerste regels van het boek opgeroepen.

▼ INHOUD

Kamuko, een 28-jarige vrouw, woont alleen met haar moeder, in een huis op het platteland in Izu, nadat haar vader is gestorven en ze afscheid hebben genomen van het ouderlijk huis in Tokio – omdat oom Waka niet meer in hun levensonderhoud kon voorzien. Moeder en dochter wachten op Naoji, de broer die is gaan vechten in het leger maar waar ze niets meer van hebben gehoord en waarvan het niet duidelijk is of hij levend terugkomt. Er is geen vooruitzicht op een toekomst. Kamuko’s moeder kwijnt binnen weg zonder veel woorden, Kamuko werkt op het land, maar ze wordt gek van het gebrek aan een perspectief, van het wachten op iets dat niet komt: ‘In een mensenleven heb je allerlei emoties: blijdschap, woede, verdriet, wrok, maar dat zijn emoties die slechts één procent van het leven innemen. De overige negentig procent is toch alleen maar leven in afwachting van…?’

Dan blijkt dat Naoji nog leeft, al is hij opiumverslaafd en brengt zijn terugkeer meer onheil dan geruststelling: ‘Daarna kwam Naoji uit de Stille Zuidzee terug en begon voor ons een ware hel.’ Het grootste deel van de tijd verbrast hij het geld dat hij van Kamuko leent in Tokio, waar hij met de bevriende oudere schilder Uehara de tijd wegdrinkt en met te veel vrouwen slaapt. Voor Naoji naar de oorlog vertrok, was Kamuko hem op één van zijn escapades gaan zoeken en ontmoette ze Uehara, op wie ze na een enkele kus verliefd werd. Ze vult haar tijd met het schrijven van liefdesbrieven en ziet hem als haar toekomst.

Hun moeder, die gelukkiger is door de komst van Naoji, wordt fysiek zwakker, terwijl Kamuko langzaam gek wordt van het wegkwijnen. Haar brieven naar Uehara blijven onbeantwoord, diepe gesprekken zijn er niet en verdere evoluties brengen geen beterschap.

▲ WAAROM IS HET GOED

Het is iets met Japanners, de kracht om een slepende eenzaamheid en existentiële leegte even kaal af te beelden. Dazai is er meester in: op 125 pagina’s schetst hij een volledig innerlijk leven van een jonge vrouw, met alle lagen radeloosheid, zonder een reële actie in haar eigen leven nodig te hebben.

Naoji is een filosoof, een jongen die wilde ontsnappen aan zijn adellijke afkomst door zich onder het volk te begeven, ruw taalgebruik te hanteren, sake te drinken en opium te nemen, zodat alles bleef draaien, om de wereld maar niet te moeten zien. Als hij merkt dat hij toch nooit wordt geaccepteerd omdat mensen de arrogantie bespeuren die met de adel samenhangt (zo laat hij zich nooit trakteren), is het te laat om terug te gaan naar de schone façade van de deftige lieden. Zijn uiterlijk vertoon van harde onverschilligheid contrasteert met zijn gevoeligheid, maar is er ultiem het resultaat van. Wanneer hij zijn zuster terugziet is het eerste dat hij opmerkt dat ze ‘vulgairder’ is geworden: ‘Je ziet eruit alsof je twee of drie mannen hebt. Is er sake? Vanavond wil ik zuipen.’

Kamuko’s moeder is een in zichzelf gekeerde vrouw, die tijdens haar zwakte niet over zichzelf spreekt. Haar verknochtheid aan Naoji blijft onbeantwoord, maar geeft het laatste licht in haar leven. Ze lijkt zich neer te leggen bij haar naderende einde; wie van zomerbloemen houdt, moet sterven in de zomer.

Geniaal beklemmend is het beeld van de slangen. Beginnend met de kleine zwarte slangen, die bij hun vaders dood rond de bomen waren gewikkeld als teken van onheil. Later de grotere slang van wie Kamuko op een dag de eieren wilde verbranden, maar uiteindelijk begroef. De moederslang die terugkomt, als een wraak voor haar gestorven kinderen. Kazuko’s moeder die de slang in haar dromen ziet op de stoep, en Kamuko die constateert dat de droom werkelijkheid is: op dat moment staat de aanblik van de slang gelijk aan de ontmoeting met het noodlot, wat haar wanhoop om een stervende moeder paradoxaal genoeg beperkt: de gruwel van de onafwendbaarheid brengt ook rust.

De onafwendbaarheid wordt geëchood in de vertelstijl, waarin Kazuko als reflecterende ik-verteller er geen geheim van maakt dat alles slecht zal aflopen: aan het einde van een hoofdstuk is er vaak een gebalde aankondiging van de komende ellende. De zinnen zijn kort, hortend in de dagboekfragmenten van Naoji, vaak in dialoogvorm, hoewel een echte ontmoeting niet lijkt te slagen. Personages handelen tegenovergesteld van wat hun gevoeligheid hen dicteert. Uitgesproken liefde wordt gedwarsboomd door de banaliteit van de werkelijkheid: ‘Ik wilde me verontschuldigen en me in haar armen storten, maar het hinderde me een beetje dat mijn handen vuil waren van het landwerk.’

Emoties wegen op die manier zwaarder omdat ze vaak op zand zijn gebaseerd. De grote liefde in het verhaal, van Kazuko voor Uehara, gaat terug tot één dwaze kus in een trappenhuis en verdwijnt meteen als Kazuko na jaren de afgeleefde oude man ziet. Liefde en revolutie zijn verre idealen, die voor broer en zus de bron van het leven zijn, maar die in de kleine levens van deze verarmde Japanse adel niet alleen onbereikbaar, maar niet eens omlijnd zijn.

Er zitten nogal wat autobiografische elementen in De ondergaande zon: een moeder die chronisch ziek is, het zelfmoordthema, de marxistische overtuigingen, tuberculoze, de figuur Naoji als een alcoholicus met talloze liefdes. Mede daardoor slaagt Dazai erin elke romantisering uit te bannen. Zoals Jeroen Brouwers schrijft (zelfs in zijn lof blijft hij heerlijk bijtend): ‘bij Dazai geen poëtisch maanlicht in de goudkarpervijver neerdwarrelende kersebloemblaadjes en andere eeuwenlang voorgekauwde Japanse klompendansfolklore’. De ondergaande zon gaat over echte mensen, over het laatste levenslicht, de laatste houvast, met een leegte die zich als zodanig aandient.

✎ DE SCHRIJVER

Japanse gigant van de twintigste eeuw die even bekend is voor zijn werken als voor zijn talloze zelfmoordpogingen. Pessimistisch autobiografisch getint werk is zijn handelsmerk. Uiteindelijk zou hij zich met zijn vriendin verdrinken.

► VERDICT

Intelligent werk dat allesbehalve vakantielectuur is. Het verontrustende wordt zo beheerst geschapen dat Dazai tot de top van de pessimistische literatuur moet worden gerekend.

door Ana

Plaats een reactie