William Shakespeare: King Lear

♞ PERSONAGES

King Lear: monarch op leeftijd die zijn vertrouwen aan de verkeerde dochters schenkt en als een gewonde draak, alleen nog gevolgd door zijn Nar, aan een dwaaltocht door de natuur begint te midden van een grote storm
De Nar: hofnar die al lachend de waarheid zegt, zoals de gemeenplaats het wil
Kent: edelman die door zijn goeie hart en eerlijkheid uit de gunst van de koning raakt, maar hij blijft loyaal
Gloucester: edelman die net als King Lear het verkeerde kind wegstuurt
Edmund: zoon van Gloucester, de sluwe slechterik die met zijn machinaties zijn bastaardenstatus van zich wil afgooien
Edgar: andere zoon van Gloucester, rechtschapen jongeman die in de val wordt gelokt en ook in de storm terechtkomt
Goneril & Regan: de twee kwade dochters van de koning, die enkel met hun eigen hachje bezig zijn
Cordelia: de uit het juiste hout gesneden dochter, die wordt weggestuurd door haar eerlijkheid

༄ OPENINGSZIN

‘I thought the king had more affected the Duke of Albany than Cornwall.’
(‘Ik dacht dat de koning de Hertog van Albanië gunstiger gezind was dan die van Cornwall’, vertaling Willy Courteaux)

Dit zegt Kent tegen Gloucester; hij doelt op de verdeling van het koninkrijk die het conflict zal doen losbarsten (de twee Dukes in kwestie zijn de partners van Goneril en Regan). Even later praten ze over Edmund, de bastaardzoon van Gloucester, die op memorabele wijze vertelt over de verwekking:

‘there was good sport at his making, and the
whoreson must be acknowledged.’
(‘het ging er vrolijk aan toe, toen hij werd verwekt, en ik moet de schavuit dus wel erkennen’).

Zo is de bron van het tweede conflict – want King Lear heeft een dubbelplot – ook onmiddellijk genoemd: in een bijna terloops gesprek, dat plaatsvindt nog vóór er iets van tel is gebeurd, ligt de kiem van de tragedie besloten.

▼ INHOUD

De oud wordende koning Lear besluit een deel van zijn taken af te staan aan zijn dochters en in overeenstemming hiermee zijn rijk over hen te verdelen. Om te bepalen wie het grootste deel van de koek krijgt vraagt hij zijn drie dochters wie het meeste van hem houdt: Goneril en Regan paaien hem met zoete woorden en stemmen hem zo tevreden, maar Cordelia gelooft niet dat haar liefde voor Lear in woorden kan worden gevat (‘I cannot heave my heart/into my mouth’) en behoudt het stilzwijgen. De verontwaardigde Lear verstoot haar uit zijn koninkrijk en verdeelt zijn rijk over de andere twee; tussendoor verstoot hij ook Kent, die Cordelia probeerde te verdedigen. De koning van Frankrijk is onder de indruk van Cordelia’s eerlijkheid en besluit haar te trouwen en naar Frankrijk mee te nemen.
Van zodra de twee dochters en hun mannen (de Duke of Cornwall en de Duke of Albany) de macht krijgen, gedragen ze zich hooghartig en eigengereid, zonder nog oog te hebben voor hun vader; Lear wordt hier boos over, krijgt met hen allebei ruzie en besluit uiteindelijk, kokend van woede, de stormachtige natuur in te trekken, zonder gevolg meer: alleen de Nar blijft trouw aan zijn zijde. Op de heide wordt Lear langzamerhand gek, overmand door verdriet en frustraties, terwijl hij zijn kapitale inschattingsfout begint in te zien.
Het tweede plot behandelt de lotgevallen van Gloucester en zijn twee zonen. Edmund, die weet dat hij door zijn bastaardenstatus nooit zal kunnen aanspraak maken op de titel van zijn vader, bedenkt een list om zijn broer Edgar in ongenade te doen vallen; hij slaagt in zijn doel, Gloucester verkeert in de veronderstelling dat Edgar verraad wil plegen, als een geslagen hond verkleedt Edgar zich tot bedelaar en trekt ook hij de wildernis in. Daar treffen Lear en de Nar, bij wie zich intussen opnieuw Kent (maar vermomd, om zo toch Lear te kunnen bijstaan) heeft gevoegd, hem aan; zo komen de twee verwikkelingen samen. En de parallel wordt nog groter: Edmund gaat een duivelspact aan met Goneril en Regan en verstoot zijn eigen vader, Gloucester, wiens ogen worden uitgestoken; zo komt Gloucester ten slotte ook volledig gebroken in de storm terecht. Dan volgt de ontmoeting tussen Gloucester, blind van verdriet, en Lear, gek van verdriet, terwijl Edgar en Kent hen vermomd bijstaan.
Oorlog is in de tussentijd op handen; Frankrijk plant een invasie, met Cordelia aan het hoofd. Er vinden nog heel wat intriges plaats: zowel Goneril als Regan beseffen verliefd te zijn op Edmund, die hen allebei beloftes doet; Edgar redt zijn vader van zelfmoord en begint aan een wraakactie, culminerende in een duel met Edmund; Lear wordt door Kent naar Cordelia gebracht en vindt zijn rede terug; Engeland wint de veldslag, zodat de oude koning en Cordelia worden gevangengenomen; het loopt uiteindelijk slecht af voor Goneril, Regan en Edmund, maar ook van de ‘goeierikken’ worden er weinig gespaard.

▲ WAAROM IS HET GOED

De meeste grote Shakespeare-stukken worden door één personage gedomineerd (Hamlet, Falstaff, Macbeth, Iago, …), maar King Lear vertoont een opvallende rijkdom aan grote personages, zonder dat er één in het bijzonder uitspringt. Lear is het titelpersonage, de figuur die zich het meest plastisch aftekent in de verbeelding van de lezer (de oude, door de storm dolende monarch die zichzelf tooit met een krans van veldbloemen), maar hij zuigt niet alle aandacht en tekst naar zich toe: zijn aanwezigheid is er één van de velen, naast die van Kent, de Nar, Edgar, Edmund, Gloucester, en in principe ook Goneril, Regan en Cordelia. Ook het beroemde, zichzelf weerspiegelende dubbelplot is gevarieerder en veelomvattender dan de andere stukken. De fysieke omgeving speelt hier een grotere rol dan gewoonlijk: een donderende storm, die het geraas en getier van Lear versterkt en weerspiegelt, vormt het omineuze achterdoek van de tragedie; naarmate de waanzin van de oude koning verergert en zich voegt bij het trieste lot van Gloucester en Edgar en bij de invasie van de Engelsen, te midden van de storm, krijgt het stuk de allure van een Apocalyps: alles en iedereen lijkt af te stevenen op de vernietiging, het einde van alle dingen.

Er is geen grens aan het lijden in King Lear. Van alle tragedies is het de meest tragische: je krijgt het gevoel dat Shakespeare het universele lijden van de Mens heeft weten te vatten binnen het bestek van één stuk. Zoals altijd deed hij dit door mimesis radicaal te verzaken en zowel personages als verwikkelingen te kiezen die aan gene zijde van het normale leven liggen, om zo de beslommeringen die met tijd en ruimte verknoopt zijn te overstijgen. Of zoals Samuel Johnson het zei: Shakespeare imiteert de essentiële menselijke aard, wat een universeel en niet een sociaal fenomeen is. Daarom bijt elke voortschrijdende eeuw opnieuw zijn tanden stuk op zijn werken; daarom zal hij altijd het referentiepunt blijven.
Of nog: via een groteske vervorming van het leven zoals wij dat kennen legt Shakespeare waarheden bloot die anders onzichtbaar zouden blijven. Neem Lear: er heeft nooit een persoon bestaan zoals hij, die hetzelfde doormaakte (de koning die zijn rijk met één vraag verdeelt over zijn kroost is iets van een fabel of een sprookje), maar hij incarneert essenties van de menselijke natuur die hem tot een universeel figuur maken. Via Lear raakt Shakespeare verschillende thema’s aan: ouderdom, hoogmoed, liefde, de ouder-kind relatie, waanzin, de dood. Shakespeare’s personages zijn groter dan echte personen ooit kunnen zijn, maar zeggen net daarom meer over de mens dan je met een realistisch personage zou kunnen doen. Via het universele raakt Shakespeare ook het particuliere aan.

Edwin Austin Abbey

Essentieel voor een juiste lezing van Lear is het maken van een gevolgtrekking op basis van wat we te weten komen in de tekst, een procedé dat Harold Bloom verdedigt in zijn Shakespeare-studie (ik leun hier op de schouders van de grote rabbi van de wereldliteratuur). Dat wil zeggen dat we moeten inzien dat Lear in werkelijkheid een groot en nobel man was vóór zijn jammerlijke neergang die we te zien krijgen in het stuk: Shakespeare toont ons Lear enkel als een hoogmoedige, koppige en weinig scherpzinnige oude man, maar Lear bestond natuurlijk al vóór de feiten van het stuk. Het lijden van een arrogante man die het allemaal aan zichzelf te danken heeft zou ons niet tot medelijden kunnen bewegen en zou een veel minder interessant stuk opleveren, omdat het een minder interessant personage zou presenteren. Lear is een groots personage omdat hij een gevallen grootheid is, een persoon van gewicht en wijsheid die we net aantreffen wanneer hij door de herfst wordt overvallen en in een vlaag van bewustzijnsvernauwing en opgewaaide eigenwaan een enorme blunder begaat. Maar de oneindig subtiele en gewiekste Shakespeare laat het aan de lezer of toeschouwer over om tot die gevolgtrekking te komen.
Het sleutelargument voor Lears groot- en wijsheid is dat alle personages met een nobel hart (Kent, Gloucester, Cordelia, de Nar) hem hoogachten en trouw blijven, hoezeer hij ook vervalt tot waanzin. Daarom is zijn val zo monumentaal en zijn waanzin van zo’n gewicht.
Kent speelt hier de voornaamste rol: hij is de edelman die het als enige voor Cordelia opneemt en de gebrekkige oordeelkunde van de koning in vraag stelt (‘Come not between the dragon and his wrath’, wordt hij eerst nog door Lear gewaarschuwd):

‘be Kent unmannerly,
When Lear is mad. What wilt thou do, old man?
Think’st thou that duty shall have dread to speak,
When power to flattery bows? To plainness honour’s bound,
When majesty stoops to folly’

‘Laat Kent onhoflijk zijn
Als Lear dol is. Wat doet gij, oude man?
Denkt ge dat plicht niet spreken durft, als macht
Neerbuigt voor vleierij? Een man van eer blijft eerlijk,
Al raaskalt het gezag.’

Maar in plaats van na zijn verstoting rancuneus te worden en Lear de rug toe te keren, vermomt Kent zich en biedt hij Lear onmiddellijk terug zijn diensten aan. Samen met Edgar en Cordelia vertegenwoordigt Kent het absoluut goede; zijn liefde voor Lear is onvoorwaardelijk:

‘Now, banish’d Kent,
If thou canst serve where thou dost stand condemn’d,
So may it come, thy master, whom thou lovest,
Shall find thee full of labours’

‘Verbannen Kent,
Kun je de man die je vervloekt heeft dienen,
Dan zal de heer van wie je houdt – God geve ‘t –
Je onvermoeibaar vinden.’

Die liefde is niet dogmatisch: Kent is geen slippendrager zonder ruggengraat, maar iemand die Lear respecteerde en liefhad vóór hij zijn blunder beging en hem trouw blijft, proberend hem voor onheil te behoeden, als iemand die zijn schipbreuk lijdende dronkenmansvriend ondanks alles blijft volgen en overeind houdt. Kent weet welke persoon achter het dwaze gedrag schuilgaat, en volgt hem tot het einde, – letterlijk, zoals zijn laatste woorden in het stuk duidelijk maken, nadat Lear gestorven is:

‘I have a journey, sir, shortly to go;
My master calls me, I must not say no.’

‘Mij wacht een verre reis, heer; ik moet heen.
Mijn meester roept me, ik mag niet zeggen: neen.’

Net vóór Lears dood vindt er een aangrijpende reünie plaats, wanneer de al half door de dood omzwachtelde Lear zijn vroegere rechterhand herkent; maar hij is al te ver heen om hem werkelijk te zien, en ook zit hij door zijn grote verdriet nog in de nevel van de waanzin.
 
Die waanzin is een geleidelijk proces dat zich aankondigt bij monde van Lear zelf: bij elke nieuwe tegenslag wordt zijn woede groter en voelt hij zich in de greep geraken van de waanzin:

‘You think I’ll weep
No, I’ll not weep:
I have full cause of weeping; but this heart
Shall break into a hundred thousand flaws,
Or ere I’ll weep. O fool, I shall go mad!’

‘Je denkt, dat ik zal wenen;
Neen, wenen zal ik niet.
‘k Heb alle grond tot wenen, maar
dit hart
Zal eer in honderdduizend scherven breken
dan dat ik ween. O nar! ’t maakt mij krankzinnig.’

Hier roept hij zijn geliefde Nar aan, die trouw aan zijn zijde zal blijven maar hem tegelijk kwelt met zijn cynische (maar ook wijze) grappen en liedjes, die er mede voor zorgen dat Lear zijn verstand verliest. Ook de storm speelt hier een bepalende rol; er wordt meermaals op gezinspeeld dat iedereen tijdens zo’n storm gevaar loopt gek te worden, zoals door de Nar: ‘This cold night will turn us all to fools and madmen.’

Lear probeert de storm te gebruiken om zijn geest te bedwelmen en afgeleid te worden van zijn ongeluk, maar zijn rancune komt altijd weer door de donderwolken heen sijpelen, en dan beseft hij dat de waanzin nabij is:

‘the tempest in my mind
Doth from my senses take all feeling else
Save what beats there. Filial ingratitude!
Is it not as this mouth should tear this hand
For lifting food to’t? But I will punish home:
No, I will weep no more. In such a night
To shut me out! Pour on; I will endure.
In such a night as this! O Regan, Goneril!
Your old kind father, whose frank heart gave all, —
O, that way madness lies; let me shun that

‘de storm in mijn gemoed
Ontrooft mijn zinnen elk gevoel, behalve
Dat wat hier bonst: de ondank van mijn kindren.
Is ’t niet alsof een mond de hand verscheurt
Die hem het voedsel bood? Maar straffen zal ik –
Nee, schreien wil ‘k niet meer. Mij buiten stoten,
En in een nacht als deze! O Regan, Goneril!
Uw goede oude vader, wiens gul hart
U alles heeft geschonken, – o, daar ligt waanzin!
Neen, neen, die kant niet uit!’

De plotse verschijning van de raaskallende en als bedelaar vermomde Edgar is de druppel te veel voor Lear; vanaf dat punt slaat hij vooral onzinnigheden uit, maar hier en daar zitten er nog flarden van wijsheid tussen (‘O, matter and impertinency mix’d! Reason in madness!’ roept Edgar uit), iets wat Balzac op sublieme wijze zou overnemen op het einde van Le père Goriot, wanneer de door zijn twee dochters verworpen vader een lange doodsmonoloog aanheft waarin hij mateloze liefde met rancuneuze kritiek mengt.

Edgar is het emotionele zwaartepunt van het stuk, een stille, nobele kracht die onbezoedeld het goede doet en op het einde zowat de enige is die nog overeind staat. In de val gelokt door Edmund, achternagezeten door zijn vader Gloucester (die door Edmund denkt dat Edgar zijn titel en bezit wil usurperen), verkleedt Edgar zich als bedelaar, waardoor hij de traditionele bedelaarsnaam Tom O’ Bedlam krijgt, en trekt hij de heide in, door weer en wind geslagen als een hond. Net als bij Kent is zijn reactie op onrechtvaardigheid niet woede en rancune, maar nederigheid: hij verlaagt zich tot een zielig sujet met als vaste uitspraak ‘Tom’s a cold’ en beperkt zich ertoe nonsens uit te kramen ten overstaan van Lear, de Nar en Kent; in een latere monoloog blijkt waarom hij zulks doet:

‘To be worst,
The lowest and most dejected thing of fortune,
Stands still in esperance, lives not in fear:
The lamentable change is from the best;
The worst returns to laughter. Welcome, then,
Thou unsubstantial air that I embrace!
The wretch that thou hast blown unto the worst
Owes nothing to thy blasts.’

‘Het laagste, door ’t geluk verstoten schepsel
Leeft niet in angst maar koestert nog wat hoop.
Het beste lot kan slechts tot droefheid omslaan,
’t Ellendigste tot lachen. Wees dus welkom,
Gij onvatbare lucht die ik omhels,
Want hem die gij in ’t diepste lijden bliest,
Hem treft uw storm niet meer.’

George Frederick Bensell

Of zoals hij het nog later zegt: zolang je nog kan zeggen ‘This is the worst’, is het nog niet ‘the worst’; maar zo eenduidig is zijn persoonlijkheid niet. Edgar beschikt over zo’n vitaliteit en liefde dat hij, vanuit zijn positie van eenzame bedelaar, alle moeilijkheden en obstakels die zich in de loop van de storm opwerpen de baas kan; op zijn eigen bescheiden wijze is hij wijs; zijn moed en standvastigheid gaan organisch van hem uit zonder bombarie en tromgeroffel.

Zodra hij zijn vader Gloucester in de storm ontwaart met uitgestoken ogen ontfermt hij zich over hem, zonder zijn werkelijke hoedanigheid te openbaren; in de scène waarin Gloucester, die verteerd wordt door schuldgevoelens omdat hij de onjuiste zoon vertrouwde, aan Edgar (zonder te weten dat het Edgar is) vraagt hem naar de rand van een klif te brengen, zodat hij zelfmoord kan plegen, bereikt Shakespeare een verpletterend niveau van pathos, zelfs binnen zijn oeuvre een moment van zeldzame kracht. Edgar doet alsof hij de blindeman naar een klif brengt, maar als Gloucester vervolgens springt is hij nog springlevend, wat Edgar aan een mirakel toeschrijft. Shakespeare speelt hier magistraal met dubbelzinnigheden: Edgar noemt Gloucester de hele tijd ‘father’, in de zin van ‘oude man’, maar wacht er erg lang mee zijn identiteit bekend te maken (iets wat we niet te zien krijgen; de scène wordt later door Edgar gememoreerd, een opmerkelijke keuze van Shakespeare waar veel discussie over bestaat).

Ook Gloucester is een groot personage, het spiegelbeeld van Lear: allebei verliezen ze hun hoofd omdat ze door hun eigen kroost verraden zijn (Lear wordt letterlijk gek; Gloucester wordt blind gemaakt en wil zelfmoord plegen omdat hij geen uitweg meer ziet). Dit is het grote, universele thema van King Lear: een vader die (na een ongelukkige blunder) door zijn eigen kind(eren) verstoten wordt; daarom dat het over alle talen en culturen heen relevant is (Kurosawa maakte bijvoorbeeld een grootse verfilming van Lear, getiteld Ran). Niemand heeft de gruwel die dit voor vaders betekent sterker weergegeven dan Shakespeare.

Op vernuftige wijze heeft Shakespeare elk element in het ene verhaal zijn pendant gegeven in het andere, zodat ze elkaar versterken. Lear en Gloucester zijn de gegriefde vaders (zonder moeders, nog een opmerkelijk detail), Cordelia en Edgar zijn de liefdevolle kinderen; Goneril en Regan enerzijds en Edmund anderzijds zijn de ondankbare en egocentrische kinderen die hun eigen vader verwerpen. Edgar weerspiegelt ook bepaalde aspecten van Kent; alleen de Nar is een singulier geval.

De Nar is in veel opzichten een enigma: een leeftijdloze man, van wie we ons geen helder beeld kunnen voorstellen, en toch is het onmogelijk aan zijn aanwezigheid voorbij te gaan. Zonder ooit een woord van verdriet of spijt aan zijn lippen te laten ontsnappen is hij een tragisch figuur; het is vrij duidelijk dat hij niet enkel de koning probeert op te vrolijken met zijn grappen (zoals een soldaat antwoordt op de vraag wie nog bij de koning is: ‘None but the Fool/who labours to out-jest/His heart-struck injuries’), maar ook zijn eigen verdriet probeert te ontveinzen. Hij is vooral verdrietig omdat hij een goeie band had met Cordelia, iets wat in een kort terzijde door een soldaat wordt opgemerkt. Ambivalentie troef: hij blijft Lear trouw en wil hem opvrolijken, maar berispt hem tegelijk zonder enige reserves, zij het in bedekte termen via raadsels en metaforen. Het mysterieuze verdwijnen van de Nar (op een gegeven moment verdwijnt hij van het toneel en komt hij niet meer terug, zonder uitleg) is tot op heden een onopgelost raadsel.

George William Joy

Het Kwaad wordt in Lear gepersonifieerd door Goneril, Regan en Edmund; van hen is Edmund de koudste en meest angstwekkende, een nihilistische machiavellist wiens uitzonderlijke intelligentie en mensenkennis hem in staat stelt de macht te grijpen en zijn bastaardenstatus van zich af te gooien. Samen met Iago is Edmund de grootste slechterik die Shakespeare ooit ontworpen heeft: zijn intelligentie wordt door zijn totaal gebrek aan liefde in evenwicht gehouden. Elk van zijn monologen blinkt uit in scherpzinnigheid, pragmatisme en amoraliteit; geniaal is bijvoorbeeld zijn tirade op de vermeende invloed van de hemelsferen op het gedrag en de persoonlijkheid van de mens (een denkbeeld dat in Shakespeares tijd nog wijdverbreid was):

‘This is the excellent foppery of the world, that, when we are sick in fortune,
–often the surfeit of our own behavior,–we make guilty of our disasters the sun, the moon, and the stars: as if we were villains by necessity; fools by heavenly compulsion;
knaves, thieves, and treachers, by spherical predominance; drunkards, liars, and adulterers,
by an enforced obedience of planetary influence; and all that we are evil in,
by a divine thrusting on: an admirable evasion of whoremaster man,
to lay his goatish disposition to the charge of a star!’

‘Dat is de heerlijke dwaasheid van de wereld! Als ons geluk ziek is – vaak als gevolg van onze eigen vraatzucht – schuiven we de schuld van onze plagen op de zon, de maan en de sterren; alsof we booswichten zijn uit noodzaak, narren onder de dwang van de hemel, bedriegers, dieven en verraders door de macht van de sterren, dronkaards, leugenaars en echtbrekers onder de invloed van de planeten; alsof al het slechte in ons verwekt is door de goddelijke wil. Een prachtige uitvlucht voor de hoereerder, zijn bokkennatuur ten laste te leggen van een ster!’

Edmund is wetens en willens een slechterik, niet door de invloed van de sterren; op het einde van het stuk zegt hij al stervende: ‘some good I mean to do/Despite of mine own nature’, waarmee hij aangeeft te beseffen dat hij slecht is. Een besef dat ontbreekt bij Goneril en Regan, die zich ontwikkelen van ondankbare dochters tot ware duivels (uiteindelijk keren ze zich zelfs tegen elkaar; over Regan merkt een soldaat op een gegeven moment op ‘If she live long/And in the end meet the old course of death/Women will all turn monsters’) en zo het contrapunt zijn van Cordelia, die over zoveel liefde beschikt dat ze niet één vermanend woord tot haar vader richt maar hem onmiddellijk terug in de armen sluit. Maar dat mag niet baten: op het einde is, vooral door toedoen van Edmund, alles en iedereen dood. Alleen Edgar staat nog overeind. Hij is het enige lichtpuntje te midden van de Apocalyps; de grondtoon van het stuk is kafkaiaans in de zin dat er ons geen verlossing wacht, er is geen uitkomst aan het lijden waarmee het wereldgericht ons opzadelt. De belangrijkste regel van het stuk is dan ook die van Lear gericht tot Gloucester, de twee verslagen vaders onder elkaar, wanneer hij zegt:

‘When we are born, we cry that we are come
To this great stage of fools’

‘Wij treden huilend op, als de geboorte
Ons op dit groot toneel der narren stoot’

Huilend treedt de mens in de wereld tevoorschijn, alsof hij al weet wat voor lijden hem te wachten staat; vanaf onze geboorte staat ons trieste lot gebrandmerkt op ons voorhoofd, en er is maar weinig dat we eraan kunnen doen. In dit opzicht vertoont King Lear grote affiniteit met het boek Job, von Kleist en Kafka: de mens is geworpen in een wereld die hij niet begrijpt en waarover hij geen controle uitoefent. De mens is in de steek gelaten. Shakespeare symboliseert dat apocalyptisch gevoel met de storm en de omkeer van alle dingen: narren worden wijs, koningen worden dwazen, kinderen verraden hun ouders, ouders verwerpen hun kinderen. Alles duidt erop dat er grote en kwalijke dingen op til zijn (‘This great world/Shall so wear out to nought’ mompelt Gloucester tijdens de storm).

Edgar stelt hier een strijdbare en nederige houding tegenover, zoals hij tegen zijn vader zegt:

‘What, in ill thoughts again? Men must endure
Their going hence, even as their coming hither;
Ripeness is all: come on.’

‘Weer duistre wensen? Dulden moet de mens
Zijn heengaan uit de wereld als zijn komst.
Rijp zijn is alles. Kom.’

Zijn attitude doet denken aan één van Kafka’s grootste uitspraken: ‘Niet opgeven! Zelfs als er geen verlossing komt, wil ik haar toch ieder moment waardig zijn.’ Edgar is dan ook de enige die niet opgeeft en het Kwaad verslaat; maar daarmee is er nog geen verlossing.

De grote vraag is of de beproeving van Lear een louteringsweg is (hij verzoent zich immers op het einde met Cordelia en geeft zijn fouten toe) dan wel een pure lijdensweg waarbij die verzoening wordt tenietgedaan door het gruwelijke einde. Willy Courteaux verdedigt (vooral met het oog op het Elizabethaanse publiek) de eerste theorie; Harold Bloom verdedigt de tweede. De onmogelijkheid hier een duidelijk oordeel over te vellen bewijst Shakespeares genie en ambivalentie. In elk geval lijdt het geen twijfel dat King Lear één van de grootste menselijke verwezenlijkingen is binnen het gebied van de literatuur. Misschien kan enkel Hamlet hier nog boven worden gesteld, maar Lear is rijker. Shakespeares taal is hier barok en episch van toon, accorderend met de thema’s en de alomtegenwoordige storm. Shakespeare is de enige schrijver die minstens om de vijf regels een monumentale zin uit zijn hoed schudt (men denke bijvoorbeeld aan de gevleugelde woorden ‘Nothing will come of nothing’, gesproken door de koning zelf en vooruitwijzend naar het Niets dat alle personages te wachten staat).

✎ DE SCHRIJVER

Brits toneelschrijver- en acteur, die de Elizabethaanse theaterwereld domineerde vanaf de dood van zijn grote rivaal Marlowe tot zijn eigen dood. Legde zich eerst toe op blijspelen en koningsdrama’s, maar bereikte het meeste succes met zijn vijf grote tragedies (Macbeth, King Lear, Hamlet, Othello en Anthony en Cleopatra). Is haast niks over geweten, noch over zijn persoonlijkheid, noch over zijn denkbeelden, noch over zijn seksualiteit. Volgens Harold Bloom was hij belangrijker voor het menselijke denken dan Plato en Sint Augustinus want: ‘He encloses us because we see with his fundamental perceptions.’

► VERDICT

Shakespeare op z’n allerbest. Het lijden van de mensheid krijgt gestalte in de lotgevallen van de personages.

door Arthur

Plaats een reactie