Alejo Carpentier: Heimwee naar de jungle

♞ PERSONAGES

De naamloze protagonist: ik-verteller vanuit wiens perspectief alles en iedereen gezien wordt, musicoloog en componist die leven in de moderne wereld ziet als een Sisyphus-opdracht.
Ruth: zijn vrouw
Mouche: zijn minnares
Rosario: de vrouw met wie hij Mouche bedriegt
Adelantado: reiziger en stichter van een nieuwe stad in het regenwoud
Fray Pédro: de monnik van het gezelschap, het archetype van de geestelijke
Yannes: Griekse goudzoeker die als enige object de Odyssee bij zich draagt

༄ OPENINGSZIN

‘Vier jaar en zeven maanden had ik het huis met de witte zuilen niet teruggezien, het huis met zijn topgevel van somber lijstwerk, dat het de gestrengheid van een paleis van justitie gaf; en nu, temidden van huisraad en meubels, die precies dezelfde plaats hadden behouden, had ik de bijna smartelijke gewaarwording dat de tijd was teruggezet.’

Carpentier vertegenwoordigt de barok in de Zuid-Amerikaanse letteren; niemand van de andere grootheden is even episch van toon, even bloemrijk in de beschrijvingen. Het is onmogelijk zijn invloed op García Márquez hier niet vanaf de eerste bladzijde waar te nemen; een zin als ‘Het wijnkleurige gordijn naast de lantaarn, bij de klimroos de lege vogelkooi, verderop de olmen, die ik had helpen oprichten in de dagen van het eerste enthousiasme, toen wij allen hadden meegewerkt in het belang van de gemeenschappelijke onderneming’ wijst rechtstreeks vooruit naar De herfst van de patriarch, García Márquez’ portret van een Zuid-Amerikaanse dictator. Carpentier laat een omineus citaat uit de Bijbel aan het eerste hoofdstuk voorafgaan: ‘En op de middag zult gij omtasten als een blinde in de duisternis’; ook later komen er nog veel Bijbelse reminiscenties, letterlijk en geparafraseerd, rechtstreeks en onrechtstreeks.

▼ INHOUD

De ik-verteller woont samen met zijn vrouw Ruth, die actrice is in een rondreizend gezelschap (en die ervan droomt grote tragische rollen als Medea te spelen, maar zich met oppervlakkige rolletjes moet tevredenstellen), in een niet nader benoemde stad (het wordt geïmpliceerd dat het om een stad in de Verenigde Staten gaat). Met het oog op een vast inkomen heeft hij zijn muzikale dromen (hij is componist) opgeborgen voor een ambtenarenbestaan. De relatie loopt niet; zij is altijd op reis als actrice, als ze toch samenzijn hebben ze een ander slaapritme en wordt er enkel ’s zondags het bed gedeeld. Ook aan zijn job heeft hij een hekel; hij probeert zijn eenzaamheid en existentiële ennui te verdrijven met Mouche, zijn vaste bijslaap, maar dit lukt niet helemaal.
Dan volgt het keerpunt in zijn bestaan: de conservator van een museum, die weet van zijn kennis van en passie voor oude inheemse muziekinstrumenten en zijn theorie over het ontstaan van muziek, doet hem samen met de decaan van een universiteit een project cadeau om in het Zuid-Amerikaanse regenwoud bij de inheemse bevolking op zoek te gaan naar de oudst vindbare muziekinstrumenten van het continent, die nog niet in het museum liggen. Hij twijfelt, maar Mouche overtuigt hem om samen te gaan; en zo begint zijn grote reis.
Er volgt eerst nog een intermezzo in een stad aan de rand van het regenwoud, waar ze worden opgehouden door een plots uitgebroken oorlog, een typisch Zuid-Amerikaanse revolutie; maar dan vinden ze aansluiting bij een klein gezelschap dat het regenwoud intrekt; bij dit gezelschap voegt zich Rosario, een mysterieuze inheemse vrouw die de aandacht van de protagonist trekt.  
Ze vinden het gehucht met de instrumenten, maar wat hem vooral interesseert is een begrafenisrite, op basis waarvan hij een nieuwe theorie bedenkt over de oorsprong van muziek. Hij heeft Mouche intussen verruild voor Rosario (hij schijnt nogal vlotjes van concubine te wisselen), voelt zich thuis in het regenwoud en wil niet meer terug naar het stadsleven. Hij volgt Adelantado naar een gloednieuwe stad die deze gesticht heeft diep in een verborgen paradijs en vestigt zich daar met Rosario; hier probeert hij een muziekstuk te componeren.
Door de universiteit aangestelde personen vinden hem terug in zijn paradijs en brengen hem naar zijn thuisland, waar hij de scheiding met zijn vrouw met moeite afhandelt; zodra hij kan gaat hij terug naar het regenwoud, in de hoop het dorp te zullen terugvinden, maar dat is niet eenvoudig want hij heeft geen gids meer en de geheime stad is goed verborgen…

▲ WAAROM IS HET GOED

In principe gaat Heimwee naar de jungle, dat in het Spaans Los pasos perdidos heet (paso kan hier zowel stap als pas, vallei betekenen), over het conflict tussen de moderne tijd en de antieke tijd, de tijd van de vierde dag van Genesis, zoals het in de roman heet, toen de schepping nog bezig was en de wereld zo jong dat sommige dingen nog geen naam hadden en je ze moest aanwijzen met je vinger om ze te noemen. De verteller voelt zich ontheemd en ontworteld in de stad, hoewel hij die vervreemding pas echt bevestigd ziet in de juxtapositie met het regenwoud: daar, te midden van bomen als kathedralen en vogels als goden, waar hij terug de taal van zijn voorgeslacht (Spaans) kan spreken en waar de mensen leven volgens het ritme van de wind, ontdekt hij het leven zoals het geleefd zou moeten worden.
De protagonist wentelt zich volop in zijn afkeer voor het moderne stadsleven en een conventioneel burgermansbestaan: het achterdoek van de stad is donker, leeg; er kleeft een grote zin- en nutteloosheid aan elke handeling; een alomtegenwoordige monotonie sluipt de dagen binnen. Het eerste hoofdstuk is een deprimerende versie van een Europese grotestadsroman zoals die tijdens het modernisme geschreven werden, we zitten in het hoofd van een solipsistische man die al prakkeserend door de straten wandelt en zich voor een onmogelijke opgave gesteld ziet:

‘Maar hieraan te ontsnappen, in deze wereld die mij door het lot was toebedeeld, was even onmogelijk als te trachten daden van heldenmoed of heiligheid uit een ver verleden in de huidige tijd weer nieuw leven in te blazen. We waren verzeild in het tijdperk van de wespmens, de niemandsmens, waarin de zielen zich niet aan de duivel verkopen, maar aan de boekhouder of aan de opzichter der galeislaven.’

De laattijdigheid van de moderne mens wordt hier gethematiseerd: we zitten in een wereld waar heldenmoed en heiligheid geen rol meer spelen, de machinerieën van het kapitalisme en de rationaliteit hebben de mens tot anonieme werkmieren gereduceerd. Keer op keer contrasteert Carpentier het heden met een gebenedijd verleden, zonder ironie of cynisme, – zijn liefde voor een eenvoudiger manier van bestaan en in-het-leven-staan is authentiek en krijgt alleen op het einde een ironische klap te verwerken, wanneer de verteller aan een compositie wil werken maar beseft dat er geen papier voorhanden is in een samenleving die zich nog op de vierde dag van Genesis bevindt.
De andere hoofdstukken contrasteren daarom sterk met het eerste: er vindt een wissel plaats van Europese grotestadsroman naar Zuid-Amerikaanse exotische regenwoudroman, aan elkaar geknoopt via het intermezzo in de stad waar een revolutie uitbreekt en waar het solipsisme en de ambivalente houding van de verteller tegenover zijn maîtresse aan het licht worden gebracht. Hij trekt zich maar weinig aan van de revolutie: hij wordt te zeer door zijn eigen gedachtenwolk opgeslokt om zich met de buitenwereld bezig te houden (de lokale bewoners zijn overigens ook niet onder de indruk, in een subliem staaltje ironie van Carpentier: ‘Binnen zetten de bedienden, die van de revolutie als van een normaal uitstapje teruggekeerd waren, de meubels op hun plaats en poetsten de deurknoppen met een gemsleren lap’) en bedrijft op vurige wijze de liefde met zijn minnares Mouche te midden van het wapengekletter en de kanonschoten.
Met Mouche heeft hij een relatie die schippert tussen kibbelen en copuleren, maar gaandeweg neemt het kibbelen de overhand, vooral omdat zijn opgekropte ergernissen over haar gedrag en karakter groter worden. In tegenstelling tot hem reageert Mouche nukkig en onverschillig op de nieuwe indrukken die ze opdoen tijdens de reis, wat hij op geestige maar vileine wijze toeschrijft aan het feit dat ze er niets zinnigs over te zeggen heeft omdat ze niet op voorhand boekwerken kon raadplegen waaruit ze meningen en zinnetjes zou kunnen opdiepen voor eigen gebruik:

‘Maar daarom juist was zij plotseling uit het veld geslagen, aarzelend en niet in staat een waardevol oordeel te formuleren wanneer ze gesteld werd tegenover iets onbekends, tegenover een feit waaraan zij moeilijk associaties kon verbinden of tegenover een type van architectuur dat haar niet in een of ander boek was aangekondigd.’

Carpentier spaart zijn protagonist niet, die de vrouwen van zijn leven niet spaart: onbewimpeld krabbelt de verteller zijn gevoelens en observaties in zijn dagboek neer, waarbij hij geen enkele genade toont voor zijn vrouw, Ruth, en voor Mouche. Zijn houding tegenover vrouwen is door en door machista; vanuit sommige hoeken bestaat dan ook het verwijt dat roman en auteur misogyn zouden zijn, maar dat zou een beetje zijn zoals Othello en Shakespeare psychopathisch te noemen omdat Iago geen moraal heeft. À propos: ook al zou de zienswijze van de protagonist op vrouwen overeenkomen met die van Carpentier, dan nog zou dit esthetisch niks aan de kwaliteit van de roman afdoen. Het standpunt tegenover seksualiteit van de protagonist van Tolstojs De Kreutzersonate is volstrekt verwerpelijk, maar het blijft een sublieme novelle.

De bombastische kracht van Carpentiers proza bij het beschrijven van de ongerepte wereld die ze binnentreden kan niet overmatig geprezen worden (hulde aan de vertaler J. G. Rijkmans: hij slaagt in de vermetele taak barokke taal te transponeren van het van nature zingende, zwierige Spaans naar het meer onderkoelde Nederlands zonder dat het ooit hoogdravend gaat klinken): als in een romantisch schilderij wordt de mens afgebeeld in zijn nietigheid tegenover de natuur, die de menselijke begrippen en maatstaven te boven gaat, transcendeert: ‘Alles wat ons omringde vergrootte zijn afmetingen in een overstelpende bevestiging van de nieuwe proporties.’ De mens stoot op een wereld die ouder is dan hij, en die groter is dan wat hij ooit zelf zou kunnen bouwen, zoals wanneer ze massieve rotsblokken aantreffen die de verteller doen denken aan Jeroen Bosch’ toren van Babel: ‘Wat ik voor mij zag, was iets als een stad van Titanen (…) met cyclopische trappen, mausolea die tot in de wolken reikten, onmetelijke vlakke terreinen, omgeven door vreemde versterkingen van obsidiaan. (…) deze onwaarschijnlijke tempel, die meer aan de hemel scheen te hangen dan in de aarde te zijn vastgehecht.’
De fauna en flora van het regenwoud worden beschreven met een verbale en zintuiglijke rijkdom en levendigheid die soms aan de waanzin grenzen, alsof een groot orkest aan het werk is in één pen; om u een idee te geven citeer ik een passage in extenso:

‘Half onder water wiegden grote bladeren met gaten erin, die op maskers van okergeel fluweel leken, maar in werkelijkheid misleidend op de loer liggende, vleesetende planten waren. Er dobberden trossen luchtbellen, verhard door een vernis van roodachtig stuifmeel, die door de vleugelslag van een vogel in de buurt plotseling als met de ongewisse beweging van een zeekomkommer wegdreven door een verbindingskanaaltje naar een stilstaande poel. Verderop zag men iets als een opalen, dicht gaas, dat in de uitholling van een verborgen rots hing. Een geruisloze oorlog werd gevoerd in de diepten, waar het wemelde van levende, behaarde haken en waar alles een vuile wirwar van slangen leek. Onverwachte zweepslagen, plotselinge golvingen, geklop op het water getuigden van de vlucht van onzichtbare wezens die een kielzog van troebele vuiligheid nalieten.’

De barok is Carpentier zo eigen en leent zich dermate voor het onderwerp dat zijn beschrijvingen nooit last hebben van overdaad; het is spijtig dat ik niet meer kan citeren. Maar niet alleen stilistisch is Heimwee naar de jungle imposant: soms gaat Carpentier het pad op van de ideeënroman, met bespiegelingen die herinneren aan de contes philosophiques van Montesquieu, Voltaire en Diderot, zoals wanneer de verteller zijn passage memoreert in het moderne Europa, dat net als zijn thuisstad zijn afschuw opwekt. Boven alles hekelt hij de hypocrisie, zoals in onderstaande memorabele zin, die ook de hedendaagse legioenen van de politieke correctheid karakteriseert:

‘Iedereen voelde zich verschrikkelijk gewichtig en er waren vele die zich aan de rechterhand van God neerzetten om te oordelen over de mensen uit het verleden die de schuld op zich hadden geladen de toekomst niet vooruit geweten te hebben.’

Hier klinkt een echo van het beroemde aforisme van Kierkegaard in door, volgens welke het leven voorwaarts geleefd moet worden maar achterwaarts begrepen. Het Europa dat hij aantreft accordeert niet met het beeld dat hij zich ervan gevormd had:

‘Waar ik de glimlach van Erasmus, het Discours de la méthode, de geest van het humanisme, het vurig verlangen van een Faust en de apollinische ziel zocht, stuitte ik op autodafe’s, het tribunaal van de een of andere inquisitie, het politieke proces, dat niets anders was dan een godsgericht van een nieuwe soort.’

De verteller abhorreert het gebrek aan ontsnappingsmogelijkheden, er zijn in het geïndustrialiseerde Europa geen schuilhoeken meer, nu de natuur volledig is onderdrukt, – het aan Rousseau’s natuurfilosofie herinnerende thema van de roman wordt hier duidelijk. De wereld is zijn tover kwijt: ‘Toespraken waren in de plaats gekomen van mythen.’ De horror van de oorlogen heeft aangetoond dat boekenwijsheid niet noodzakelijk tot vreedzaamheid en beschaving leidt.

Daartegenover staan de beschavingen die hij tijdens zijn reis aantreft, zoals ‘de landen van het paard’:

‘In de landen van het paard schijnt de man meer man te zijn. Hij werd weer meester over eeuwenoude technieken, die zijn handen in direct contact brachten met ijzer en huiden, die hem de kunst van het paardentemmen en het rijden leerden en bij hem fysieke bekwaamheden ontwikkelden die hij op feestdagen tentoon kon spreiden voor de ogen van de vrouwen, die met bewondering vervuld waren voor hem die zoveel met zijn knieën kon bedwingen en met zijn handen kon maken.’

De verteller voelt zich op atavistische wijze op zijn plaats in die nieuwe wereld, waar ‘er nog mensen bestonden die niet bereid waren hun ziel te geven voor een automatisch apparaat dat niet alleen de gebaren van de wasvrouw deed verdwijnen, maar ook haar gezang en daarmee plotseling een einde maakte aan een folklore van duizenden jaren’ (een gebeurtenis die zo mooi in beeld is gebracht door Almodóvar in Dolor y gloria). Bijna elke gedachte is doordrenkt met nostalgie naar een verloren tijdperk, dat hij in de stad gesticht door zijn reisgenoot Adelantado (‘Het is mogelijk zo’n werkwoord te vervoegen. Men kan stichter van een stad zijn’) terugvindt, een sprong van achtenvijftig eeuwen die je in de ruimte in enkele uren vliegen kan overbruggen.
Gemeenplaatsen over de primitiviteit van het inheemse volk wuift de verteller kordaat weg: in alle beroepen die in hun leven te pas komen hebben ze een absoluut meesterschap verworven; en anders dan in de moderne samenleving bestaan er bij hen geen nutteloze beroepen.

Tegenover dit paradijs (‘een vaste, zelfstandige wereld, die zijn fauna en zijn mensen voedde, zijn wolken vormde, zijn meteoren aantrok, zijn eigen regens veroorzaakte: een verborgen natie, een kaart in geheimschrift, een uitgestrekt plantenrijk met heel weinig toegangen) stelt de stad waar hij woonde extra hard teleur bij zijn terugkomst, die noodzakelijk is omdat hij papier nodig heeft voor zijn compositie en de scheiding met Ruth nog moet officialiseren (dat laatste geniet geen prioriteit, sardonische humor van Carpentier: voor de verteller bestaat zijn vrouw eigenlijk niet meer, ze behoort tot een ander, hem vreemd tijdperk); het heden wordt door de verteller als een Apocalyps voorgesteld, een Gnostische leegte waarin iedereen tot galeislaaf is verworden, en wordt beschreven met poëtisch bombast:

‘Deze straat heeft me weer teruggebracht naar de wereld van de Apocalyps, waar iedereen de opening van het zesde zegel schijnt te verwachten, het ogenblik dat de maan wordt als bloed, de sterren des hemels op de aarde vallen gelijk vijgen en de eilanden zich van hun plaats bewegen. (…) Het is alsof de tijd van dit labyrint en van andere soortgelijke labyrinten al gewogen, geteld en verdeeld is.’

De Bijbel is overal in de roman aanwezig, maar Carpentier is één van de weinige auteurs die niet door de oudere tekst verzwolgen wordt: hij houdt zich staande en verweeft het idioom, de beelden en het denken van de Hebreeuwse boeken organisch met zijn eigen thema’s. En niet alleen de Bijbel wordt geëvoceerd: de grote zijnsvraag van Hamlet wordt opnieuw gesteld in andere woorden, terwijl Nietzsches übermensch om de hoek loert:

‘Bovendien wordt hier een vraag opgeworpen die van het grootste belang is voor mijn tocht door het koninkrijk van deze wereld – de enige vraag per slot van rekening die geen dilemma toelaat: of ik zelf over mijn tijd kan beschikken of dat anderen erover moeten beschikken, of ik slagroeier of boegroeier zal moeten zijn, want ik heb mij vast voorgenomen de anderen niet te dienen.’

 
Het is een kwestie van leven en dood terug te geraken in het aardse paradijs, waar hij de dingen een naam kan geven als Adam in de ochtend, – net als in de Bijbel staat de mens overigens centraal in Carpentiers kosmogonie: ‘Wij zijn in de wereld van Genesis, aan het einde van de vierde dag van de schepping. Als we nog wat meer terug konden gaan, zouden we daar komen waar de vreselijke eenzaamheid van de Schepper begint – bij de droefheid van het sterrentijdperk, zonder wierook en zonder lofgezangen, toen de aarde woest was en ledig, en er duisternis was in de afgrond.’ Een gedachte die we in gelijkaardige zin tegenkomen bij Saramago, een schrijver die Harold Bloom met Carpentier vergeleek en die stelde dat God de stilte is in het universum en de mens de schreeuw die er zin en betekenis aan geeft.

Ten slotte komen theologie en musicologie samen in Carpentiers beschrijving van het magische ontstaan van de muziek: de verteller aanschouwt een dodenrite bij de inheemse bevolking en beseft plotseling iets bijzonders mee te maken:

‘Tegenover de halsstarrigheid van de Dood, die weigert zijn prooi los te laten, wordt het Woord plotseling week en ontmoedigd. In de mond van de bezweerder, van deze magische Orpheus, rochelt nog even krampachtig de klaagzang – want dit is een klaagzang en niets anders – om dan uit te sterven. En ik sta daar, geheel verblind door deze openbaring: dat ik juist getuige ben geweest van de geboorte van de muziek.’

Er schuilt ritme en melodie in het gejammer. De mens staat machteloos tegenover zijn eindigheid, zodat zelfs het Woord – nochtans het begin van alles – zijn kracht verliest en alleen muziek nog enige redding kan brengen. De mens kan zich niet verweren tegenover het lijden, maar de muziek helpt hem om het te doorstaan.

✎ DE SCHRIJVER

De grootste Cubaanse schrijver van de twintigste eeuw, een reus die buiten het Spaanse taalgebied niet de erkenning kreeg die hij verdiende; hij was naast schrijver ook musicoloog en schreef een omvangrijke studie van de Cubaanse muziek. Schreef een vijftal literaire meesterwerken en lag aan de basis van de latere Boom.

► VERDICT

Carpentier moet eigenlijk voor (bijna) niemand onderdoen in de literatuur van de twintigste eeuw; dit is één van zijn grootste prestaties. Alleen al voor de stijl is het zijn gewicht in goud waard.

door Arthur

Plaats een reactie