
♞ PERSONAGES
Usbek: Perziër uit Isfahan, die zijn huis en serail (het afgezonderde vertrek van zijn vrouwen) achterlaat omdat hij te veel vijanden om zich heen heeft verzameld en Europa wil verkennen om de wereld beter te begrijpen
Rica: zijn reisgenoot, de ‘doener’ van de twee, die graag in de Parijse koffiehuizen rondhangt
Roxane: Usbeks meest deugdzame vrouw (of zo schijnt het toch)
De eerste eunuch: een strenge man die machtswellustiger wordt hoe langer Usbek weg is
༄ OPENINGSZIN
‘We zijn maar één dag in Qom gebleven. Na onze religieuze plicht te hebben vervuld bij het graf van de Maagd die twaalf profeten ter wereld heeft gebracht, zijn we doorgereisd, en gisteren, op de vijfentwintigste dag na ons vertrek uit Isfahan, kwamen we aan in Tabriz.’
De brieven van Usbek en Rica zijn reisverslagen. We volgen hun tocht door Europa, kijken door hun ogen naar de waters van Venetië, de koffiehuizen van Parijs, de Europese vrolijkheid en hypocrisie. De brieven krijgen een plechtigheid door de lange afstanden die ze overbruggen: in Montesquieus tijd duurde het een half jaar om een brief van Frankrijk naar Perzië te brengen.
▼ INHOUD
Usbek en Rica, twee mannen uit Isfahan (‘de mooiste stad van de wereld’, zoals ze haar zelf blijven verkiezen boven Parijs), besluiten om naar Europa te reizen. Ze gaan via Turkije, waar ze even talmen, per schip tot de Italiaanse havenstad Livorno en dan verder het Europese binnenland in. Ze wisselen brieven uit met de achterblijvers, met elkaar en met gastheren die ze onderweg ontmoeten. Daarin doen ze verslag van de Europese gewoontes, de mensen die ze hebben ontmoet, de gesprekken die ze hebben gehoord en sluiten ze soms brieven bij die ze per toeval zijn tegengekomen. Montesquieu presenteert het geheel – zoals in zijn tijd gebruikelijk was in literatuur (en later gerecupereerd wordt door bijvoorbeeld Borges en Eco) – alsof hij er per toeval op is gestoten, en stelt zich op die manier ook veilig voor de vaak gedurfde standpunten die zijn briefschrijvers innemen.
De tegenstellingen tussen Oost en West vormen het voornaamste voorwerp van overpeinzing. Zo blijken de Perzische vrouwen meer ingetogen dan de vrolijk babbelende Franse dames; en hebben Fransen de gewoonte om voortdurend dingen rond te bazuinen zonder eigenlijk iets te zeggen te hebben. Tussendoor zijn er ook brieven vanuit het serail van Usbek, waar de toestand langzaam uit de hand loopt: terwijl de vrouwen aan het begin hun liefde en gemis uitdrukken (zonder dat Usbek overigens ooit het woord aan hen richt; met uitzondering van Roxane), luisteren ze naarmate de tijd vordert minder en minder naar de eunuchen die over hen waken. Vrouwen hebben onderling betrekkingen en jongemannen houden zich op naast het serail. De eunuchen op hun beurt worden machtswellustiger hoe langer Usbek weg is.
Van de twee is Usbek de filosoof, die zich bezighoudt met politieke, religieuze en filosofische overpeinzingen, terwijl Rica meer een gevoelsmens lijkt, die optekent wat zich voor zijn ogen afspeelt in de Parijse salons en cafés, en gefascineerd is door de Europese mode en de vrijheid van Franse vrouwen.
▲ WAAROM IS HET GOED
Perzische brieven is één van die zeldzame boeken waar filosofie en literatuur elkaar in evenwicht houden. Weinig filosofen konden literair schrijven, Montesquieu is bij de gelukkigen: zijn taal is vloeiend, soms lyrisch (Paul Valéry: ‘rien de plus élégant ne fut écrit’), zijn toon heerlijk droog als hij onderhuidse steken geeft. Het boek is een langgerekte satire op de Europese cultuur van zijn tijd. Katholieke priesters worden afgebeeld als op geld beluste leugenaars; John Law, de minister die in Montesquieus leven Frankrijk had proberen te redden door geld te drukken en met de grote inflatie zorgde voor een verloedering van de zeden, wordt aangevallen in verholen passages.
De filosofische diepgang, en vooral de gedurfdheid van de denkbeelden treft. Zo wordt de idee geuit dat de man slechts met zijn kracht de vrouw heeft onderdrukt, maar dat die onderdrukking zelf het gevolg is van een tekort aan menselijkheid – de recente gedachte dat het patriarchaat zelf een onmacht is. De ontdekking van nieuwe werelden wordt aangevallen omwille van de wreedheid die ermee gepaard gaat: ‘hele volken zijn uitgeroeid’ – er waren wel degelijk denkers die tijdens de koloniale tijd de fouten van hun tijd inzagen. De paus is een bejaarde gek (een aanval op de hypocrisie van het christendom begint niet bij Nietzsche) en scheiden wordt als basisrecht gezien.
Nog heerlijker is de herkenbaarheid in de beschrijvende passages over gewoontes en personages. We worden teruggekatapulteerd naar het hart van het achttiende-eeuwse Parijs: mensen spelen schaak en kaarten in de koffiehuizen, iemand wordt in de mensenmassa overhoop gelopen, nieuwskramers kondigen voortdurend de blijde belofte of het einde van de wereld aan. Het is zo gemakkelijk om een reductionistische bril op te zetten voor het verleden, alsof de technische vernieuwing ook ons mens-zijn heeft verdiept, maar wie deze brieven leest, weet dat er in het meest menselijke niets nieuws is onder de zon. Het exotische van een verloren Parijs is aantrekkelijk, maar het is net het herkenbare dat deze brieven zo ongelooflijk maakt.
Perzische brieven ademt een geest van tolerantie; dat is al het geval door Montesquieus aanwenden van het briefgenre. Terwijl briefromans traditioneel de uitwisseling van twee geliefden of vrienden uitbeeldden, breekt hij het open door meerdere stemmen naast elkaar te zetten. Stem en tegenstem wisselen elkaar letterlijk af: Montesquieu weegt argumenten tegen elkaar af en heeft via de fictie de ruimte om ze te radicaliseren.
In een brief aan Usbek in Parijs reflecteert Rica bijvoorbeeld op de gevaren die het buskruit en de verdere verfijning van wapens met zich meebrengen: ‘Ik ben er voortdurend voor beducht dat men op den duur een geheim zal ontdekken dat een snellere methode biedt om mensen te doden, om volken en hele landen te vernietigen.’ (Een achttiende-eeuwse voorspelling van atoomwapens) Usbek stelt hem gerust met een optimistisch geloof in de kracht van de ratio: ‘Als er een funeste ontdekking zou worden gedaan, dan zou daar meteen een volkenrechterlijk verbod op komen te rusten en een eenstemmig besluit der naties zou haar weer begraven.’
In Parijs is Usbek ontsteld over de bekrompenheid van de academische wereld: ‘dat de hoofden van de grootste mannen krimpen wanneer ze zich verzamelen […] Grote instituten hechten altijd zoveel waarde aan pietluttigheden, aan holle gebruiken, dat er daarna pas ruimte komt voor het wezenlijke’. Ook daar hekelt Montesquieu iets dat vandaag nog steeds relevant is, de specialisatie die in vernauwing dreigt uit te monden. Maar hij doet het met een fijne humor; academici maken ruzie over de letter Q, omdat die volgens sommigen als K moet worden uitgesproken.
Montesquieu raakt het grootste: mensen sterven omdat ze een symbool hebben gemaakt van zilver en goud en daar mensenlevens aan opofferen, ‘niets is zo onzinnig’. Maar hij doet het met zoveel oog voor naast elkaar bestaande visies, humor en eerlijkheid dat iedere opiniemaker vandaag er iets van zou kunnen opsteken.
Tegelijkertijd blijft hij een geest van zijn tijd. Over Perzië heeft hij een stereotiep beeld (hij was er nooit geweest): moslims leven in lieflijke onwetendheid, de vrouwen hebben geen enkele vrijheid en zijn zwijgzaam of hysterisch, en de exotische beelden die hij schetst hebben een rol gespeeld in de evolutie van een oriëntalistische kijk op de ander, die meer het superioriteitsgevoel heeft versterkt dan bewondering heeft opgewekt.
Toch is de kloof niet absoluut. De deugd en rechtvaardigheid bestaan over grenzen heen: Usbek is een man van twijfels, dromen en zorgen zoals elke mens dat is. En Montesquieu is allesbehalve aardig voor de Europeanen zelf. Zijn humoristische stereotyperingen zijn het perfecte voorbeeld dat veralgemeningen als ‘humor om de humor’ moeten blijven kunnen; Spanjaarden blijken steeds met een verkoudheid rond te lopen omdat ze zo romantisch zouden zijn dat ze elke avond onder een balkon bibberend een serenade brengen. En Fransen zouden zich door elk volk overhoop laten lopen, zolang zij slechts de mode van de pruiken zouden mogen bepalen.
Of zoals Paul Valéry Montesquieus krachttoer prachtig samenvatte in zijn voorwoord bij de Franse editie (die overigens lezenswaardig is om de context te begrijpen waarbinnen Montesquieu schrijft, ‘het begin van het einde van een maatschappelijk systeem’ noemt Valéry het, waarin je zowel van de vrijheid als de stabiele waarden kunt genieten[1]):
“Entre un Orient de fantaisie et un Paris réduit à ses facettes, instituer un commerce de lettres par quoi le sérail, les salons, les intrigues des sultanes et les caprices des danseuses, les Guèbres, le Pape, les muftis, les propos de café, les rêves du harem, les constitutions imaginaires, les observations politiques s’entrecroisent, c’était donner le spectacle d’un esprit dans sa pleine vivacité, quand il n’a pas d’autre loi que d’étinceler”.
✎ DE SCHRIJVER
Montesquieu erfde zijn naam, barontitel, kasteel en job als parlementariër in Bordeaux van zijn rijke oom. Hij reisde door Europa en schreef in het mooie Chateau de Brède zowel de Lettres Persanes als zijn meesterwerk De l’esprit des lois. Hij legde mee de basis van het moderne rechtssysteem, de democratie, theorieën over de echo en de anatomie, en vestigde zijn naam dan ook nog eens als groot literator. Bovendien is hij het ideale bewijs dat je geen droevige jeugd of pijnlijke liefde moet hebben gekend om een groot schrijver te worden: Montesquieu sleet zijn dagen vrolijk in de salons van Parijs en Bordeaux, had naam en faam en kon door genoeg geld op reis vertrekken wanneer hij daar zin in had.
► VERDICT
Tegelijkertijd een reis door de tijd, een filosofische beschouwing, een exotische droom, een tocht door Europa en een introspectieve ontboezeming. Historisch werk dat allesbehalve werk is om te lezen.
door Ana
[1] De nieuwsgierigheid van de geest koppelt Valéry aan een wereld die op de kaarten van Afrika, Oceanië en Amerika nog blinde vlekken kent, om bij weg te dromen.
