Julio Cortázar: Historias de cronopios y de famas

▼ INHOUD

– Verhalen over cronopio’s en fama’s:
De beroemde titelverhalen, waarin drie soorten wezentjes figureren: cronopio’s, fama’s en esperanza’s. Deze wezentjes, de cronopio’s voorop, beleven allerhande piepkleine avonturen die meestal betrekking hebben op het dagelijkse leven, dat zij vrolijk overhoophalen. In navolging van Cortázar, ‘el enormíssimo cronopio’, hebben de cronopio’s lak aan plechtstatigheid en conventies; ze zijn poëtisch, chaotisch, driftig, speels, houden van dansen en er is weinig voor nodig om hen van een toestand van enorme blijdschap naar diepe tristesse te doen overschakelen en omgekeerd (ze doen in veel opzichten denken aan de Eikelmannetjes van Jean Dulieu). In die hoedanigheid komen ze regelmatig in aanvaring met de fama’s, die ernstig zijn en hechten aan orde en rust. De esperanza’s zweven tussen die twee polen, neigen nu eens naar de ene, dan weer naar de andere kant, afhankelijk van de situatie; ze hebben dus vooral weinig persoonlijkheid. We bevinden ons in een volstrekt fantastische wereld (vol anti-mimetische elementen zoals denkende bloemen en pratende leeuwen en rondlopende herinneringen), en toch hebben de meeste verhalen een dagdagelijkse thematiek: het gaat over het tandenpoetsen ’s avonds, over een brief op de post doen, over de praktijk van een psycholoog, over hun manier van reizen, over het werk. De in wezen banale context wordt overstegen door de introductie van bizarre elementen of het wonderlijk gedrag van de kleine protagonisten.

– Handboekje voor zelfstudie: behelst een negental absurde instructies, zoals de instructies om te huilen, alsmede een poëtische prelude waarin de thematische poëtica van de hele bundel gearticuleerd wordt (zij het in hermetische termen): ‘Wat doet het pijn een lepeltje af te slaan, een deur te negeren, alles te negeren wat de gewoonte aflikt tot het de vereiste soepelheid verkregen heeft.’ De verteller laakt de uniformiteit van de werkelijkheid, het monotone van het dagelijkse leven, dat altijd hetzelfde voor ons in petto heeft. Als een stier moet hij uit de glazen baksteen waarin hij gevangen zit breken, zodat het leven al zijn mogelijkheden kan ontvouwen; voor hem is de straat ‘het levende bos waar ieder ogenblik zich als een magnolia op me kan laten vallen.’ Hieruit blijkt de grote obsessie van Cortázar, om de andere kant van de Grote Gewoonte te vinden en zo over de sleur van alledag te triomferen, misschien wel het overkoepelende doel van de bundel.
De instructies zijn vooral humoristisch. De beste is degene waarin wordt uitgelegd hoe trappen werken en hoe ze beklommen moeten worden, met observaties als: ‘Trappen stijgen voorwaarts, want achterwaarts of zijwaarts zou bijzonder ongemakkelijk zijn.’

– Vreemdsoortige bezigheden:
kroniek van de familie die woont op de Humboldt-straat (de enige concrete informatie die we krijgen) en die zich, zoals de titel aangeeft, ijverig toelegt op het uitvoeren van vreemde plannen, zoals het huisvesten van een tijger. Boven alles abhoreert het gezin ‘het pragmatisme en de afgrijselijke neiging om nuttige doeleinden na te streven.’ Die schitterende frase komt uit ‘Verlies en herwinning van hoofdhaar’, waarin wordt verhaald van hun bezigheid om met opzet een haarlok door het putje van de waskom te laten verdwijnen, om het vervolgens in het buizenstelsel terug te gaan zoeken, een activiteit die zelfs Don Quichot als dwaas zou aanmerken, – maar in hun ogen is het precies die minuscule kans op succes die de zoektocht rechtvaardigt: ‘het is toch zeker voldoende om aan de vreugde te denken die ons dit zou bezorgen.’ De filosofie van dit boekje krijgt in deze redenering duidelijk gestalte.

– Plastisch materiaal:
bont allegaartje van verhalen die in het verlengde liggen van vorige drie delen. In sommige verhalen komen personages voor die geschapen zijn naar het evenbeeld van de cronopio’s en van de familie van de Humboldt-straat. Hoogtepunten zijn ‘Het te pletter slaan van de druppels’, waarin Cortázar niets anders doet dan de vallende regen te beschrijven; en ‘Gedrag der spiegels op het Paaseiland’, waar spiegels voor en achter lopen zoals uurwerken (zodat je jezelf vele jaren ouder of jonger kan zien afhankelijk van de spiegel).

▲ WAAROM IS HET GOED

Historias de cronopios y de famas (of De mierenmoordenaar, zoals het om een mij onbekende reden vertaald is in het Nederlands, overigens voortreffelijk, door prof. J. A. van Praag) is een singulier werk binnen het oeuvre van een singuliere schrijver: hiervoor en hierna was hij nooit meer even speels, alsof hij het zich één keer veroorloofde de teugels volledig te laten vieren. In een verhaal als ‘Instructies tot begrip van drie beroemde schilderijen’ voel je de schrijver zich verlustigen in zijn eigen speel- en verzindrift, wanneer hij duidelijk uit de duim gezogen onzinnigheden presenteert als canonieke inzichten over bekende schilderijen, met ook nog enkele geestige apocriefe opmerkingen van zoölogische aard, zoals wanneer hij het heeft over ‘een van die hagedissen die zingen als lieren, als men ze een spiegel voorhoudt’ of ‘die gulden poliep die gedijt in de Javaanse gewesten en die onder invloed van de citroen zachtjes niest en bezwijkt met lichte ademtocht.’

Hier is een groot schrijver in zijn element, die niet is tegen te houden. Opvallend is zijn bijzondere aandacht voor de alledaagse werkelijkheid, die hij grotesk vervreemdt door het prisma van zijn visie. Dat antithetische begrippenpaar – alledaagse realiteit en vervreemding – vormt de grondstof voor zijn verhalen, waarin hij de ons omringende realiteit in een nieuw daglicht presenteert, om aan de banale gruwel van het bestaan te ontsnappen, – in plaats van in fantasmagorische werelden weg te vluchten pakt hij de koe bij de horens; met een glimlach tooit hij de realiteit met bloemen, en op het einde is de wereld door zijn toedoen veranderd. Zoals alle werkelijk grote schrijvers is Cortázar een demiurg die niet alleen observeert maar herschept en de dingen een nieuwe naam geeft, als Adam in de ochtend, een ontologische bekommernis die zich het meest geschift uit in de metaforen en vergelijkingen die hij verspreid over de verhalen uit zijn hoed schudt, en zich het meest memorabel uit in de schepping van de cronopio’s, de fama’s en de esperanza’s. Zo is er een dubbele beweging te zien: hij geeft de bestaande wereld een nieuwe opschik door zijn blik, zijn vervreemdingseffecten; en hij voegt nieuwe dingen toe aan de werkelijkheid en maakt hem zo groter en mooier.

Een voorbeeld van het eerste is de objectfilosofie van het boek: in navolging van Heidegger en de ‘patafysica van Alfred Jarry wordt het object centraal gesteld en uit zijn context en functie gelicht, om het in zijn eigenlijke quidditas te bekijken, – zie de eerder vermelde instructie aangaande het bestijgen van de trap, waar Cortázar zich op z’n meest krankzinnig laat zien; duister-metafysisch wordt hij bij de instructie voor het opwinden van een horloge: ‘Ze geven je geen horloge cadeau: jij wordt cadeau gegeven, ze bieden jou aan ter gelegenheid van de verjaardag van het horloge.’ De familie van de Humboldt-straat installeert een galg in hun tuin, niet als middel, maar als doel-op-zich: ze willen er niet echt mensen mee ophangen. Een cronopio lacht met de ernst waarmee een fama zijn klok opwindt en maakt vervolgens thuis een artisjok-klok (want het kind moet een naam hebben), die hij gezapig opeet: objecten zijn alleen leuk als ze geen pragmatisch doel dienen, zoals Oscar Wilde ook zei.

Een voorbeeld van de tweede beweging is het verhaal waarin de fietsen in opstand komen omdat ze zich veronachtzaamd voelen: ‘Het is voor een fiets, een gewillig en bescheiden wezen, een vernedering en een hoon bordjes te moeten lezen die hem hovaardig tegenhouden voor de mooie glazen deuren in de stad. Het is bekend dat de fietsen langs allerlei wegen getracht hebben een verbetering aan te brengen in hun trieste maatschappelijke conditie.’

Cortázars komische vernuft is weergaloos. Vooral de verhalen waarin cronopio’s voorkomen bevatten parels, zoals navolgende openingszin: ‘De zaak is dat cronopio’s geen kinderen willen hebben, omdat het eerste wat een pasgeboren cronopio doet is zijn vader grof te beledigen, in wie hij vaag de opeenhoping van ongeluk ziet dat eens zijn deel zal worden.’ Soms zijn de cronopio’s ook ontroerend, zoals wanneer ze een schildpad aantreffen: ‘Het is nu eenmaal zo dat schildpadden grote bewonderaars zijn van snelheid, hetgeen niet meer dan natuurlijk is. (…) De cronopio’s weten het, en steeds als ze een schildpad tegenkomen, halen ze het doosje met kleurkrijt tevoorschijn en tekenen op de ronde lei van de schildpad een zwaluw.’

Een geschift werk, in de best mogelijke zin, waarmee Cortázar zich in de traditie van Carroll, Jarry, Roussel, Michaux en de surrealisten zet. De titelverhalen steken erbovenuit als onvergankelijke kleine (anti)fabels, waarvan de kleine protagonisten zo overtuigend en kleurrijk zijn beschreven dat ze levensecht lijken (Cortázar beweerde ze ooit in een visioen te hebben zien zweven), op het einde voel je enkel spijt dat er niet nog meer verhalen zijn waarin cronopio’s voorkomen; maar de andere drie delen ademen dezelfde geest, en zijn met evenveel vindingrijkheid en vreemdheid geschapen. Allesoverheersend is de strijd met de banale realiteit, die op de meeste plaatsen overtuigend wordt gewonnen, maar hier en daar klinkt een bedroefde berusting in door, wanneer de verteller beseft dat de werkelijkheid niet zomaar naar zijn eigen hand kan gezet worden, – momenten waarin een realistische ontnuchtering aan de oppervlakte komt. Bijvoorbeeld wanneer over de trap wordt opgemerkt (de verteller is op neutrale wijze de vorm van een trap aan het uitleggen): ‘Elk dezer treden, zoals men ziet gevormd uit twee elementen, heeft zijn plaats iets meer naar boven en naar voren dan het voorafgaande, een beginsel dat zin geeft aan de trap; elke andere combinatie immers zou misschien wel schonere en meer schilderachtige vormen produceren, maar die zouden ondeugdelijk zijn om je van de begane grond naar de eerste verdieping te verplaatsen.’ Het zou mooier en meer schilderachtig zijn, maar zo werkt het nu eenmaal niet. Humor en spel zijn voor Cortázar niet vrijblijvend: hij gaat voorgenoemde strijd bloedernstig aan. Nergens anders in zijn oeuvre trok hij even memorabel ten strijde als hier.

✎ DE SCHRIJVER

Hij en Borges waren de twee grootste Argentijnse auteurs van de twintigste eeuw. Woonde en werkte bijna heel zijn leven in Frankrijk; kan gezien worden als een soort late neef van het surrealisme; hij was een meester in het kortverhaal, maar schreef ook de roman Rayuela: een hinkelspel, de Ulysses van de Spaanstalige wereld.

► VERDICT

Neruda vergeleek Cortázar niet gelezen hebben met nog nooit peren gegeten hebben: je kunt perfect voortleven, maar je weet niet wat voor heerlijks je al die tijd al aan het missen bent. Een gelukkige vergelijking, waar ik me bij aansluit. Hier treft u hem op z’n best aan.

door Arthur

Plaats een reactie