James Joyce: Een portret van de kunstenaar als jongeman

PERSONAGES

  • Stephen Dedalus: Joyce’ alter ego, de in zichzelf gekeerde intellectueel die ook opdraaft in Ulysses, maar daar in een bijrol; hier staat hij in het midden van het universum.
  • Cranly: de persoon die in het laatste kwart van het boek Stephens meest naaste vriend wordt, een cholerieke en ironische mede-intellectueel die net zoals Stephen met Latijnse spreuken goochelt.
  • Vader Dedalus: Een ietwat meelijwekkende gestalte op de achtergrond, een verstokte Ierse nationalist die niet helemaal op zijn plaats lijkt in het heden
  • Emma: het meisje uit de buurt waar Stephen heel zijn jeugd en adolescentie een oogje op heeft; als zodanig vervult ze de functie van bemind meisje in de verte, zonder heldere contouren te krijgen; Stephen geraakt, net als het lyrisch subject in Salinas’ poëzie, nooit in haar buurt, vooral door schroom; het blijft bij heimelijke koesteringen, al praat hij op tijd en stond met haar
  • De jezuïeten: die symbool staan voor de katholieke houdgreep waar Ierland in gevangen zit 

OPENINGSZIN

‘Eens in langvervlogen tijden en hoe goed waren die tijden niet kwam er een moekoe door de straat en deze moekoe die zo maar eens door de straat kwam ontmoette een lief ietepieterig ventje dat bay toekoe heette…’

Dat blijkt een verhaal te zijn dat vader Dedalus aan Stephen vertelt als peuter. De vorm van de vertelling weerspiegelt het bewustzijn van Stephen, wat wil zeggen dat hier duidelijk een kleuter aan het woord is: ‘Als je in bed plast is alles eerst warm dan wordt het koud. Zijn moeder legde er een zeiltje op. Dat had zo’n gek luchtje. Zijn moeders luchtje was lekkerder dan dat van zijn vader.’

INHOUD

We volgen Stephen Dedalus (Joyce wilde hem oorspronkelijk Daedelus noemen, naar de Griekse spelling, maar deed een concessie aan het Engels om de lezer niet te zeer te verwarren en de plausibiliteit te verhogen[1]) van zijn vroegste jeugd af tot het moment dat hij als student het drastische besluit neemt Ierland te verlaten. Een portret bevat de eerste rudimentaire instantiatie van monologue intérieure, de techniek die Joyce in Ulysses verder ontwikkelde en tot haar radicale eindpunt bracht. Joyce brak met het conventionele realisme van Dubliners en van andere schrijvers om het bewustzijn van zijn personage in de taal weer te geven.

Dedalus wordt tijdens zijn opgroeien heen en weer geslingerd tussen de wereld van de jezuïeten, die proberen hem warm te maken voor het broederschap, en de profane wereld die hij ontdekt via onanie en lichtekooien. Hij denkt kortstondig het advies van de jezuïeten te volgen en in de orde te treden, maar komt hier definitief op terug na het schitterende visioen van een vrouw op het strand, die de verzinnebeelding is van de aardse, lichamelijke wereld en contrasteert met de lege en beklemmende gevangenis van het katholicisme. Dedalus ontwaakt en keert zich af van de religie. In het laatste gedeelte van de roman ontwikkelt hij zijn eigen esthetische theorie, geschoeid op de leest van Thomas van Aquino. In deze gesprekken komt Joyce’ bijna griezelige meesterschap over de taal en eruditie naar voren, zoals in de Dedalus-episoden van Ulysses.

Nu hij zich van de kerk heeft afgekeerd, zoekt hij een nieuwe richting; beetje bij beetje rijst het besef dat hij weg moet vliegen, dat enkel een bestaan ergens ver weg van Ierland hem aanstaat: alleen in de totale eenzaamheid kan hij de wereld aan. Zijn verlangen om te vertrekken wordt lyrisch uitgedrukt in de voorlaatste passage van de roman, waarbij opnieuw een beroep wordt gedaan op een vleugelmetafoor (in het verlengde van de symboliek die de naam Dedalus met zich meedraagt):

‘Weg! Weg!
De betovering van armen en stemmen: de witte armen van wegen, innige omarming belovend, en de zwarte armen van schepen die zich rijzig tegen het maanlicht verheffen, van verre volken vertellend. Zij openen zich als wilden ze zeggen: Wij staan alleen. Kom. En de stemmen zeggen met hen: Je hoort bij ons. En zwaar is de lucht van hun aanwezigheid en zij roepen tot mij, die bij hen hoort, terwijl ze zich opmaken tot vertrek, klapwiekend in de angstwekkende overmoed van hun jeugd.’

WAAROM IS HET GOED?

De langzame ontwikkeling van Stephen en het klimmen der jaren zijn subliem weergegeven via zijn gedachten. Er worden nooit data getoond of genoemd: het verstrijken van de tijd wordt intuïtief gepresenteerd, naar de leer van Bergson. Het taalgebruik is barok, hoogdravend, bewust lyrisch, bloemrijk, soms van een overstelpende schoonheid, – bijvoorbeeld in navolgende passage, waarin Stephen over Emma nadenkt:

‘En als zijn oordeel over haar nu eens te hardvochtig was geweest? Als haar leven een simpele krans van getijden was, haar leven als het leventje van een vogel, simpel, hem vreemd, vrolijk in de ochtend, in de weer heel de dag, moe als de zon wegzonk? Haar hart simpel en eigenzinnig, als het hartje van een vogel?’

Ondanks de afwezigheid van een plot (in de conventionele zin des woords) is Een portret imposant. Joyce slaagt in zijn stoutmoedige opzet om het dagelijkse leven van normale middenstanders via de taal te verheffen tot tragische kunst, met dien verstande dat Stephen niet helemaal ‘normaal’ is (tenzij maximes van Thomas van Aquino in het Latijn analyseren normaal is): die eer komt Leopold Bloom toe, zodat Joyce’ prestatie bij hem nog indrukwekkender is. In dit opzet ontpopte Joyce zich tot de troonopvolger van Flaubert, die hetzelfde gedaan had met Emma Bovary.
Het moment waarop Dedalus bijvoorbeeld het besluit neemt zijn vriendschap met Cranly te verzaken, omdat hij alles en iedereen moet achterlaten voor zijn doeleinden, is pure Shakespeareaanse dramatiek, een zorgvuldig opgebouwde confrontatie die aan het verraad van prince Hal doet denken op het einde van King Henry IV:

‘Weg van hier: nu is de tijd van gaan. Een stem sprak zacht tot Stephen’s eenzaam hart, raadde hem aan te vertrekken en zei hem dat zijn vriendschap ten einde liep. Ja; hij zou gaan. Hij was het twisten moe. Hij zou nu zijn rol gaan spelen.’

Dedalus breekt eenzijdig met de wereld waarvan hij afkomstig is, zonder dat er een werkelijk conflict bestond, net zoals Joyce heel zijn leven koketteerde met zijn hoedanigheid van banneling zonder dat Ierland hem ooit de toegang ontzegd had. Hij creëerde zelf het conflict dat nodig was om verontwaardigd weg te kunnen lopen: een twijfelachtige houding, maar het leverde wel op.

Perfect is Een portret niet (sommige stukken zijn ietwat pathetisch, al zal Joyce zich tegenover dit verwijt verbergen achter het excuus van de ironie of de welbewuste pastiche), maar het geeft toch op soms overrompelende wijze blijk van Joyce’ genie. Hier en daar zitten momenten van grote poëzie. Een portret is een klein en aandoenlijk juweel, vergeleken bij de onmetelijke berg die Ulysses voorstelt; het wordt diegenen die van plan zijn die berg te beklimmen dan ook aangeraden eerst Dubliners en Een portret tot zich te nemen, om op te warmen en al vertrouwd te geraken met Joyce’ taal en stijl. De vertaling van Gerardine Franken en Leo Knuth wordt warm aanbevolen: nergens tijdens de dialogen, waarin veelvuldig spreektaal en jongerenjargon gehanteerd wordt, stoort de vertaling, nergens klinkt het onhandig. Ongetwijfeld is er schoonheid verloren gegaan, maar je wint aan verstaanbaarheid. Je kunt altijd nog erna het origineel lezen.

✎ DE SCHRIJVER

Ierse koning van het modernisme. Koos op volwassen leeftijd voor een ballingschap in Triëst, Parijs en Zurich; gaf les om rond te komen maar verbraste alles op café als een ware Ier; uiteindelijk zorgde mecenassen als Ezra Pound ervoor dat hij succes kreeg. Polyglot wiens obsessie met taal uitmondde in Finnegans Wake, dat zelfs door zijn trouwste acolieten als onbegrijpelijk verworpen werd.

VERDICT

Joyce is in de literatuurgeschiedenis incontournable. U mag hem een aanstellerige zeikerd vinden (en dat is-ie ook), maar hij is ook onweerstaanbaar briljant. Lekker lezen.


door Arthur

[1] Zie Richard Ellman, James Joyce, pg. 190

Plaats een reactie