Juan Rulfo: Pedro Páramo

Meulenhoff 2006, vertaling J. Lechner

De Mexicaanse auteur Juan Rulfo (1917-1986) was zo streng voor zichzelf dat hij bij leven maar twee boeken publiceerde: een bundel kortverhalen De vlakte in vlammen en een korte roman Pedro Páramo. Allebei zijn klassiek geworden, en dan vooral de roman, waarmee Rulfo de perfectie heeft bereikt. De geserreerde sublimiteit van Pedro Páramo doet bijna onmenselijk aan: er spreekt een zelfbeheersing uit, een controle over de narratieve technieken van tijd, ruimte en vertelperspectief, die weinigen ooit bereiken. Perfectie bestaat bijna niet in romanliteratuur. Schrijvers zijn verhalenvertellers en verhalenvertellers hebben de aangeboren neiging om te veel te zeggen, een onevenwichtige maaltijd te serveren aan hun publiek. De verteller raakt in de ban van zijn eigen verhaal en wordt door zijn woorden voortgestuwd; de waterval is niet meer te stoppen; het is al te menselijk om dit gebrek niet te kunnen of willen onderdrukken.

Alles wat verzwegen kan worden in Pedro Páramo is verzwegen


Met het oog hierop: hoed af voor de meester, die het miniatuurwerk Pedro Páramo schiep. Alles wat verzwegen kan worden in Pedro Páramo is verzwegen. Dat hoeft geen noodzakelijke deugd te zijn (bij Proust gebeurt het omgekeerde; verschillende wegen leiden naar Rome), maar als het vernuftig gebeurt kan het een groot effect sorteren, zoals bijvoorbeeld bij As I lay dying, één van de opera maiora van Faulkner, die overduidelijk een leermeester was voor Rulfo, wat van Rulfo een belangrijke schakel maakt in de keten die loopt van Faulkner naar García Márquez: er weerklinken bij die laatste echo’s van Faulkner en Rulfo zoals je bij Cormac McCarthy de taal en toon van Melville en Faulkner hoort. Faulkners invloed op de grote Spaans-Amerikaanse schrijvers was buitengewoon en oversteeg zelfs die van Cervantes, Hemingway, Sterne, Tolstoj, Huxley, Dos Passos, Joyce en Kafka; zij zagen hem als één van hen, wat te maken zou hebben met Faulkners woonplaats, het diepe Amerikaanse Zuiden, dat meer gemeen had met de realiteit en omstandigheden van Mexico en Zuid-Amerika dan met de rest van Noord-Amerika. García Márquez, Carpentier, Onetti, Vargas Llosa, Donoso en Fuentes zijn maar enkele van de schrijvers over wier werk Faulkners schaduw hangt; zelfs Borges, die meermaals aangaf het romangenre niet te blieven vanwege de (vermeende) oeverloosheid, prees en vertaalde Faulkner.[1]  

As I lay dying en Absalom, Absalom! lijken de twee grootste invloeden te zijn geweest op Rulfo voor Pedro Páramo. Die eerste roman qua structuur en beheersing; de tweede qua verhaal en personage. Thomas Sutpen, de duivelse antiheld en plantagehouder van Absalom, Absalom!, is de literaire vader van Pedro Páramo, de grootgrondbezitter die de touwtjes in handen heeft in het bestofte dorp Comala; beiden zijn ze de negatieve spil waarrond het verhaal en de andere personages draaien; beiden storten ze vanuit hun machtspositie en wrok onheil over hun omgeving uit vanwege een misverstand. Wat niet betekent dat Páramo een afkooksel of kopie is van Sutpen; er zijn ook markante verschillen, en beiden dragen de stempel van hun maker. Páramo is veel aanweziger in het verhaal; we zien hem in dialoog treden met trawanten en krijgen soms inkijk in zijn jeugdherinneringen of liefdesgedachten, iets wat bij Sutpen niet gebeurt: die blijft altijd in de schaduw, een verre en mysterieuze gestalte die enkel wordt beschenen door de woorden van anderen.

Juan Preciado vertrekt op een queeste naar het dorp dat geïsoleerd is van de bewoonde wereld, een stil en desolaat niemandsland waar de hitte verstikkend is

Páramo is een machiavellistische despoot die plannen uitbroedt om de mensen om zich heen in zijn macht te krijgen, een zwart gat dat uiteindelijk alles en iedereen opslokt en mee de ondergang in trekt. Is hij harteloos? Dat lijkt moeilijk te refuteren; en toch is hij niet gespeend van emoties, getuige zijn grote liefde voor Susana San Juan.
Páramo’s singuliere hoedanigheid uit zich in de taal: tweemaal wordt hij als een onmenselijke materie beschreven, namelijk in het begin en op het einde. In het eerste hoofdstuk ontspint zich een gesprek tussen Juan Preciado, de verteller-protagonist (van het eerste deel), en zijn reisgenoot:

‘Kent u Pedro Páramo?’ vroeg ik hem.
Ik waagde de vraag te stellen omdat ik in zijn ogen een vonkje vertrouwen had gezien.
‘Wie is hij?’ vroeg ik weer.
‘Een levend stuk wrok,’ antwoordde hij. 


En het ijskoude einde van de novelle en Páramo’s leven luidt als volgt:

Hij steunde op de arm van Damiana Cisneros en deed een poging om te lopen. Na een paar passen viel hij neer en alles in hem smeekte, maar hij zei geen woord. Hij viel met een doffe slag tegen de grond en zakte toen in elkaar zoals een hoop stenen in elkaar valt.

Hij is een stuk wrok; een hoop stenen. En hij veroordeelt de rest van zijn dorp tot eenzelfde lot. Daar kom je beetje bij beetje achter in de loop van het verhaal, dat aanvangt wanneer Juan Preciado op vraag van zijn net overleden moeder naar zijn vader op zoek gaat, die hij nooit heeft gekend; het enige dat hij weet is dat hij Pedro Páramo heet, in het dorpje Comala woont en hem geld verschuldigd is. En dus vertrekt hij op zijn queeste naar het dorp dat geïsoleerd is van de bewoonde wereld, een stil en desolaat niemandsland waar de hitte verstikkend is:

Het was in augustus, in het allerheetst van de zomer, wanneer er een verzengde wind waait die zwaar is van de giftige rottinglucht van het saponaria-kruid.

Rulfo weidt niet uit in beschrijvingen, maar vangt de essentie van een moment, een gedachte of een omstandigheid in één beeld

Net als bij Macbeth duiden alle voortekenen op naderend onheil; er wordt een sombere sfeer geschetst, alsof Juan Preciado onvermijdelijk in een val loopt, een dood steegje instapt zonder mogelijke uitweg. De ezeldrijver die Preciado onderweg tegenkomt en naar Comala leidt vervult de rol van de drie heksen, wiens (weinige) woorden in hun raadselachtigheid de latere verwikkelingen blijken te bevatten:

‘Let u maar op: straks als we in Comala komen zult u nog wat anders meemaken. Dat dorp ligt in het stookgat van de aarde, in de bek van de hel. Gaat u maar na: veel van de mensen die daar sterven en in de hel terechtkomen, komen hier terug om een deken te halen.’

Het proza is tegelijk poëtisch en gedrongen: Rulfo weidt niet uit in beschrijvingen, maar vangt de essentie van een moment, een gedachte of een omstandigheid in één beeld; en telkens valt daarbij de oorspronkelijkheid van zijn stem en blik op:

Het was het uur waarop in alle dorpen de kinderen op straat spelen en de middaglucht met hun gejoel vervullen. Het uur waarop de zwarte muren het gelige licht van de zon nog weerkaatsen.
Tenminste, dat had ik in Sayula gezien, gisteren nog, om deze zelfde tijd. Ik had er ook vluchten duiven gezien die met hun wiekslag de stilte van de middag verbraken en opwiekten alsof zij zich van de dag wilden losmaken. Zij stegen boven de huizen uit en vielen weer terug naar de daken, terwijl de kreten van de kinderen opvlogen en in de vroege avondhemel de kleur van de hoge blauwe lucht leken aan te nemen.

De invloed op het magisch realisme van García Márquez’ Honderd jaar eenzaamheid kan niet overdreven worden, vooral in de vorm van de nog levende geesten

De novelle bulkt ondanks zijn geringe lengte van dit soort beelden. In erg korte hoofdstukken ontrolt het verhaal zich, via sprongen in de tijd en in het vertelperspectief.
In het heden ontdekt Juan Preciado dat Comala een spookdorp is geworden, waar de door Páramo’s toedoen gestorven mensen nog rondwaren of fluisterend in de muren zitten; ze bestaan nog in een vage, verslagen hoedanigheid, berustend in hun lot, en praten met Juan Preciado, die het allemaal relatief rustig accepteert. In sommige kamers hoort hij taferelen van vroeger zich afspelen, stemmen waar hij van achteruitdeinst, zodat hij nooit op zijn gemak is; en altijd is de hitte daar.
In het verleden zien we hoe het ooit florerende dorp naar zijn ondergang wordt gebracht door Pedro Páramo, omdat hij meende dat het dorp de dood van zijn grote liefde vierde: hij komt verteerd door wrok en eenzaamheid aan zijn einde, verstrikt geraakt in het web van zijn eigen plannen als Iago.

Een sublieme novelle. De invloed op het magisch realisme van García Márquez’ Honderd jaar eenzaamheid kan niet overdreven worden, vooral in de vorm van de nog levende geesten. Samen met de Ficciones en De Aleph van Borges en Het koninkrijk van deze wereld van Carpentier misschien wel dé stichtende tekst van de moderne Latijns-Amerikaanse literatuur.[2]


[1] Voor meer info verwijs ik u graag naar Vargas Llosa: Faulkner en Laberinto; en Antonio C. Márquez: Faulkner’s presence in Latin American literature
[2] Bij een uitgebreidere lijst zouden we ook Horacio Quiroga, Roberto Arlt en Juan Carlos Onetti noemen

Door Arthur

Plaats een reactie